4Jan van Nijlen zou in
1924 vier en in 1925 drie bijdragen aan De Witte Mier leveren.
|
7P.N. van Eyck zou alleen
in 1925 met twee bijdragen aan De Witte Mier meewerken.
|
5Jan de Vries zou in 1924 vijftien, in 1925 tien en
in 1926 één bijdrage aan De Witte Mier leveren.
|
8Frederik Jan Hopman (1877-1932) was onder meer
leraar Engels in Arnhem en Apeldoorn geweest. Hij genoot in kleine kring een grote faam als
criticus; in 1927 zou hij literatuurredacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant
worden. Hopman zou geen enkele bijdrage leveren aan De Witte Mier; hij zou ook niet in
de colofon van De Witte Mier bij de medewerkers vermeld staan.
|
6Johan Willem Frederik
Werumeus Buning (1891-1958) was sedert december 1915 als redacteur aan De Telegraaf
verbonden; Greshoff leerde hem daar kennen toen hij zelf in 1916 redacteur werd. Buning was
in 1921 bij Palladium met de bundel
In memoriam
gedebuteerd. Hij was een regelmatige medewerker aan De Gids (van welk tijdschrift
hij in 1934 redacteur zou worden) en was in 1924 en van 1927 tot en met 1928 redacteur van
De Vrije Bladen. Buning zou zowel in 1924 als in 1925 één bijdrage aan De Witte Mier
leveren.
|
9Gerardus Johannes Geers (1891-1965) schreef sedert
1918 over Spaanse literatuur in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. In 1920 was hij leraar
Nederlands in Enschede geworden. Geers zou in 1924 twee bijdragen leveren aan De Witte
Mier.
|
10Met de dichter Adrianus
Roland Holst (1888-1976) was Greshoff sedert 1906 bevriend. Door bemiddeling van
Greshoff en P.N. van Eyck was Holsts debuutbundel Verzen in 1911 bij
C.A.J. van Dishoeck te Bussum verschenen; op zijn beurt zorgde Holst er in 1916 voor dat
Greshoff aan De Telegraaf verbonden werd. In 1920 was Holst redacteur van De Gids geworden.
(Zie voor de relatie van Stols en Holst, die elkaar pas in 1925 zouden ontmoeten: C. van
Dijk, De tweede schoonheid. Alexander Stols en Adriaan Roland Holst,
Voorburg 1988.) Holst werkte in 1925 met twee bijdragen aan De Witte Mier mee.
|
11De Belgische schrijver Maurits Karel Maria Willem Sabbe (1873-1938) was sinds 1914 conservator van het
Museum Plantin-Moretus te Antwerpen; in deze functie was hij de directe superieur van
Greshoff vriend Ary Delen. (Zie n.13.) Sabbe zou niet aan De Witte Mier meewerken. Hij
zou wel tot in 1926 in de colofon van De Witte Mier bij de medewerkers vermeld
staan.
|
12De schilder en graficus Richard Nicolaüs
Roland Holst (1868-1938) was sedert 1918 hoogleraar aan de Rijksacademie voor Beeldende
Kunsten te Amsterdam; in 1926 zou hij directeur van deze Academie worden. In datzelfde jaar
zou hij ook tot de redactie van De Gids toetreden. Zijn enige bijdrage aan De Witte
Mier was na de redactionele inleiding in 1924 de openingsbijdrage in de eerste
aflevering.
|
13Ary Delen (1883-1960) was adjunct-directeur van het
Museum Plantin-Moretus te Antwerpen. Greshoff had hem omstreeks 1909 ontmoet toen Greshoff
redacteur was van het Haagse weekblad De Hofstad, waaraan Delen als Belgisch correspondent
verbonden was. In 1910 was Delen gedebuteerd met de novellen-bundel Prinskensdag. Delen was in 1913 Belgisch redacteur van de eerste reeks van De
Witte Mier geweest. Hij zou niet aan de tweede reeks van De Witte Mier meewerken, maar zou
nog wel tot in 1926 in de colofon bij de medewerkers vermeld staan.
|
14Arthur van
Schendel zou geen bijdrage aan De Witte Mier leveren, maar zou nog wel tot in 1926
in de colofon van De Witte Mier bij de medewerkers vermeld staan.
|
15Sjoerd Hendrik de Roos (1877-1962) was sedert
1907 in dienst bij de nv Lettergieterij Amsterdam v/h N. Tetterode. De
Roos was o.m. de ontwerper van de letters Hollandsche Mediaeval (1912) en Erasmus Mediaeval
(1922). Aan het werk van De Roos zou Stols in 1942 een monografie wijden. De Roos
zou slechts in 1924 één bijdrage aan De Witte Mier afstaan.
|
16J.C. Bloem zou in 1924
één en in 1925 drie bijdragen aan De Witte Mier leveren.
|
17J.F. van Royen zou in het geheel niet aan De
Witte Mier meewerken. Wel zou hij nog tot in 1926 in de colofon van De Witte Mier bij de
medewerkers vermeld staan.
|
18Pieter Hendrik van Moerkerken (1877-1951)
was, naast leraar aan een hbs te Haarlem, buitengewoon hoogleraar in de
iconografie en symboliek aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam; in 1926
zou dit hoogleraarschap worden omgezet in een ordinariaat in de cultuurgeschiedenis. Als
schrijver was hij in 1899 gedebuteerd met Dit is de legende van het kerkhof
van Sint Ian by Laren; als romanschrijver had hij enige faam gekregen met het onder
pseudoniem verschenen Gijsbert en Ada (1911) en met De
bevrijders (1914). In 1918 was het eerste deel van de cyclus ‘De Gedachte der Tijden’
verschenen; Greshoff zou voor de herdruk van deze cyclus, die in 1948 bij G.A. van Oorschot
te Amsterdam zou verschijnen, een inleiding schrijven. Van Moerkerken zou geen
bijdrage aan De Witte Mier leveren, maar zou nog wel tot in 1926 in de colofon van De Witte
Mier bij de medewerkers vermeld staan.
|
19Maria Joseph Franciscus Peter
Hubertus (Frans) Erens (1957-1935) was in 1893 gedebuteerd met
Dansen en rhytmen
. Erens werkte regelmatig mee aan De Gids en aan De Nieuwe Gids. Erens was bevriend
met een aantal door Greshoff bewonderde Franse schrijvers, zoals Jean Moréas en Maurice
Barrès, aan welke laatste hij in 1924 zijn enige bijdrage aan De Witte Mier zou
wijden.
|
20Henricus Wijbrandus
Jacobus Maria Keuls (1883-1968) was in 1920 bij Palladium gedebuteerd met de bundel
In den stroom
. Hij zou alleen in 1925 één maal meewerken aan De Witte Mier.
|
21De boekbinder Lolke Ronner (1877-1951) was
directeur van de Amsterdamsche Grafische School. Hij publiceerde regelmatig over boekbanden
en aanverwante onderwerpen. Hij zou niet aan De Witte Mier meewerken; hij werd ook niet in
de colofon van De Witte Mier bij de medewerkers vermeld.
|
22Lucien Dubech (1882-1940) was toneelcriticus van de Revue Universelle en van
L'Action Française.
Dubech droeg zowel in 1925 als in 1926 één artikel aan De Witte Mier
bij.
23Giacomo Prampolini (1898-1975) wijdde
zich na een rechtenstudie geheel aan de literatuur. Hij zou in 1928 debuteren met de bundel
Dall'alto silenzione. Hij werkte mee aan Italiaanse tijdschriften als
Convegno, Lo Spettatore en Giornale di Poesie. Hij vertaalde veel Nederlandse literatuur,
onder meer boeken van Van Schendel, met wie hij bevriend was. Greshoff had hem in het najaar
van 1921 te Milaan ontmoet. Prampolini werkte zowel in 1924 als in 1925 met één bijdrage aan
De Witte Mier mee.
24Harold Edward Monro
(1879-1932) dreef van 1913 tot aan zijn dood in Londen (35 Devonshire Street) The Poetry
Bookshop. In een ander verband zou Greshoff in december 1923 over Monro's boekhandel
schrijven: ‘Ik weet niet of deze nog bestaat of nog in dien aardigen primitieven vorm bestaat.
Ik weet alleen dat ik in 1913 buitengewoon bekoord was van den opzet en de uitvoering.’ (Den
Gulden Winckel 22 (1923) 12, p. 178-180.) Monro zou geen bijdrage leveren aan De Witte
Mier.
Waarschijnlijk verwarde Greshoff bij het neerschrijven Monro's naam met die van
Harriet Monroe (1860-1936), die in Chicago vanaf 1912 het tijdschrift Poetry, A Magazine of
Verse uitgaf.
25Buning was tot 1944 onafgebroken aan De Telegraaf verbonden; het
is mogelijk dat hij tijdelijk in militaire dienst was geweest. (Zie P. Hijmans,
Johan Willem Frederik Werumeus Buning, 4 mei 1896-16 november 1958, Groningen 1969, p.
46-49.)