terug  begin  verderprepost

44. J. Greshoff aan A.A.M. Stols, 28 oktober 19231

[Arnhem,] 28 October 1923

 

Beste Sander,

Gisterenavond kreeg ik je briefje en hedenochtend je briefkaart. Ik ben heden, hoewel nog pijnlijk in den rug, voor het eerst weer op de been.

en mijn eerste werk heden en morgen zal zijn alles in orde te maken

ad. 1.prospectus De Witte Mier.2
ad. 2.mijn kopij voor No1. De W.M.3
ad. 3.prospectus Mengelstoffen.4
ad. 4.prospectus. Schatkamer.5

1.2.3. zal je waarschijnlijk Dinsdag in je bezit hebben

4. eisch[sic] iet[sic] meer tijd. en voorbereiding.

Ik heb Ary Delen persoonlijk op Elschot[sic] afgestuurd. en verwacht iederen dag zijn antwoord.6

Hierbij drie stukjes van het boek v.J. de Vries met voorstellen tot verandering;

[p. 32]



illustratie
Portrettekening door Jan Boon van Greshoff, 1923 (collectie Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag).



illustratie
Greshoff aan Stols op briefpapier van De Witte Mier, 28 oktober 1923.



illustratie
Tijdschriftenzaal van Il Convegno te Milaan.

[p. 33]

maar, laat ik duidelijk zijn, jij moet het ten slotte weten, aangezien jij de typografie bedrijft.

Verder: komt het in één deel. of in twee. één is aan te bevelen.

Zoo ja denk er dan om dat op omslag en titel komt te staan No 1 & 2 en als je twee deelen neemt denk er dan om dat op omslag en titel komt te staan deel i deel ii.7

Dus of de ééne òf de andere verandering is noodzakelijk.

Nu, ten slotte...

Je zult het hoop ik met mij eens zijn dat het onze uitstekende en hartelijke vriendschappelijke verhouding slechts ten goede kan komen, wanneer ik dingen die mij hinderen, rondweg uitspreek.

Ziehier.

Van den aanvang af, van de allereerste nog vage plannen af, heb ik twee dingen gezegd: Dat herinner je je nog wel:

1ozonder honorarium is het niet mogelijk een goed tijdschriftje te maken (bovendien is het onjuist, principieel, om geen honorarium te betalen)
2oheb ik tallooze malen gezegd: overwéég wèl wat de firma B. en S. begint, opdat men niet achteraf spijt krijge.

Thans noodig je mij uit om eigenlijk gezegd géén honorarium te geven: alléén in dringende absoluut noodzakelijke gevallen!

Dit had mij dadelijk gezegd moeten worden dan had ik kunnen overwegen of ik onder die omstandigheden het geval aandurfde. Nu is de zaak eenmaal aan het rollen, nu kan ik niet meer terug en nu overvalt gij mij met deze aanmaning rauwelings op den maag!

Wanneer men een huis of zaak gaat inrichten dan betaal je toch ook de schilder en glazenmaker niet alléén wanneer de zaak marcheert!

Ik kan niet inzien waarom Nederl. auteurs gratis moeten werken en nog wel op uitnoodiging!

Ik spreek niet voor mij zelf. Ik zie gaarne van ieder honorarium af. En ik geloof dat ik door mijn persoonlijke relaties wel van de meeste medewerkers hun gratis medewerking gedaan kan krijgen.

Ik zal dus doen wat je vraagt. Laat hierover geen misverstand komen. ik protesteer alleen maar principieel! En ik vind het ongenaam[lees:onaangenaam] dat je daarmede achter af komt.

Ik hoor zoo juist van vriend Jan Boon, dat de heer H de Marez Oyens zich in het uitgevers vak denkt te begeven. Zou het ook soms iets zijn en zou dat in de bedoeling liggen van de f. B en S., wanneer hij (gefortuneerd) zich in de fa. afd. Uitgeverij interesseerde? Zoo ja dan kan ik wel heel discreet en geheel ‘vrijblijvend’ de onderhandelingen openen en jou met de M.O. in contact brengen.8

[p. 34]

Welnu, beste brave Sander, Schrijf mij omgaand retour en laat deze brief aan J.v.Kr. lezen anders is J. Boon weg!

veel liefs van Aty,

geheel je

Jan

 

over Valck Kips, die ik persoonlijk heel goed gekend heb, zal ik je eerst eens spreken.9 Ik kom waarschijnlijk spoedig even in Aja.

Dàg

1Geschreven op briefpapier van De Witte Mier, Maandschrift voor de Vrienden van Boek en Prent, onder leiding van J. Greshoff. Uitgegeven door Boosten & Stols, Maastricht.
2Er bestaat een ongedateerd en niet-ondertekend prospectus van De Witte Mier, waarvan de tekst luidt: ‘In de jaren na den oorlog valt een verheugende vermeerdering van de belangstelling in alles wat het boek, de litteratuur en de grafische kunsten betreft, waar te nemen. Daarmee is tevens ontstaan de behoefte aan goede, dat is betrouwbare en onpartijdige voorlichting. Niet alles wat tot[sic] het buitenland tot ons komt is belangrijk en niet al het belangrijke komt uit het buitenland tot ons. Ook voor de binnenlandsche productie is critische schifting noodzakelijk. Wij achten thans het oogenblik gekomen, “De Witte Mier”, die alle liefhebbers van het boek zich nog zullen herinneren uit de jaren 1911 en 1912, te doen herleven in een uitgebreider en verbeterde vorm, in de overtuiging dat wij nu meer dan ooit mogen rekenen op de belangstelling en de steun der ware lettervrienden. Ons doel is voorlichting. Wij willen ons tijdschrift zoo inrichten, dat allen, en voornamelijk zij die genoodzaakt zijn ver van onze intellectuele centra te wonen, daarin een aanleiding vinden voor eigen lectuur en eigen studie. Zij zullen daarin aantreffen aankondigingen van het beste en het schoonste wat hier en elders in het licht komt, zoodat het hun licht zal vallen een keuze te doen uit de overrijke voortbrenging van dezen tijd. De keuze der medewerkers geeft een waarborg, dat aan alle goede richtingen recht geschiedt. Bovendien zullen wij de litteratuur van meer volken binnen onzen gezichtskring brengen, dan dit tot nu toe het geval was. Wij zijn er van overtuigd, dat wij met onze lijst van medewerkers datgene bereiken, wat wij het liefste bereiken willen: vertrouwen wekken. Ten slotte zullen wij niet alleen schrijven over litteratuur en grafische kunsten, maar ook over ethische en sociale problemen, welke daarmede verband houden.’ Na deze tekst volgt een lijst van auteurs die toegezegd hebben mee te werken en de abonnementsvoorwaarden. De ondertitel Maandschrift voor de Vrienden van Boek en Prent komt op dit prospectus nog niet voor.
3Greshoff begon in De Witte Mier 1 (1924) 1 (15 januari), p. 35-40 zijn rubriek ‘Personen en Data’ (later ‘Menschen, Daden & Data’); in deze aflevering besteedde hij aandacht aan de dood van Maurice Barrès, aan Lucien Fabre die de Prix Goncourt 1923 had gewonnen, en aan de door het dagblad L'Éclair ingestelde ‘prijs voor den Miskende’ waarvoor Greshoff Henri Fèvre in aanmerking vond komen. Naar alle waarschijnlijkheid is ook de inleiding op het tijdschrift van Greshoffs hand. Voorts zal hij bijgedragen hebben aan de rubriek ‘Boeken en Tijdschriften’.
4Dit prospectus voor Mengelstoffen op het gebied der Fransche letterkunde is niet achterhaald. (Zie voor een later prospectus br.120 n.6.)
5Een prospectus voor de reeks De Schatkamer is niet achterhaald.
6Zie br.40 n.3.
7Henrik Ibsen van Jan de Vries verscheen in één band. Op de omslag, op de titelpagina en in de colofon staat vermeld dat het de nummers 1 en 2 van de reeks De Schatkamer betreft.
8Hendrik Jan de Marez Oijens (1889-1953) was docent klassieke talen in Den Haag. In 1926 zou hij zich te Baarn vestigen. Van enigerlei activiteit van hem als uitgever is niets bekend. Mogelijk is bedoeld G.H. de Marez Oyens, die een belangrijke aandeelhouder van de Mij. tot Verspreiding van Goede en Goedkoope Lectuur (de Wereldbibliotheek) te Amsterdam was.
9Jan Hendrik Valckenier Kips (1862-1942) was van 1895 tot 1909 hoofdredacteur van het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad geweest. Vanaf mei 1909 was hij hoogleraar in het staats-, handels- en administratief recht te Delft. Van 1910 tot 1919 was hij hoofdredacteur van het conservatieve maandblad De Tijdspiegel, waaraan Greshoff incidenteel heeft meegewerkt. Kips was een vroeg en vurig propagandist van het fascisme. Greshoffs Edelsmid (Over G.H. Lantman) (1911) was opgedragen aan Kips. Vermoedeljk door Kips' duitsgezindheid is hun contact na de Eerste Wereldoorlog verflauwd. Omstreeks 1923 publiceerde Kips sporadisch in het Haagsch Maandblad.
Mogelijk had Stols voorgesteld Kips als medewerker voor De Witte Mier te werven.
prepostterug  begin  verder