terug  begin  verderprepost

51. J. Greshoff aan A.A.M. Stols, 14 december 19231

[Arnhem,] 14 Dec 1923

 

Beste Sander,

Ik ben goed thuis gekomen en zeer voldaan over mijn Maestrichtsch bezoek.2 Wil nog eens je Mama en je Vader bedanken voor de hartelijke gastvrijheid.

Zie hier zakelijks:

Stukje over Lucien Fabre (10 p) staat, onder de driestarren, Thierry Sandre (1.) de noot wordt:

[p. 37]

(1) ps.[eudoniem] voor Charles Moulié, geboren 19 mei 1890 te Bayonne (Basses-Pyr.) Uitnemend minnaar en kenner der oude talen. Hij bracht o.a. in het Fransch over de Basia van onzen Secundus (ed. Malfère, Amiens 1922) en, onder den titel [']Les Amours de Faustine’, de latynsche poëzie van Joachim Du Bellay (ed. Malfère, Amiens 1923).3

Verder staat in dat zelfde stukje

Larbaud: ‘Beauté mon beau Souci’.

Dat moet worden

Larbaud: ‘Amants, heureux Amants’4

de daarbij passende noot (over Malherbe)

vervalt.5

Waak, bidde ik UEd, persoonlijk over deze koreksje.

Nu ga ik aan R.N. over W. van D.6

over [xxx]

e.a.

schrijven.

Tot spoedig bericht

geheel je

Jan.

 

Noteer (ook voor toezenden drukproeven) dat het adres v.V.H. is.

Prof. dr. A.G. van Hamel

Pr. Hendriklaan 19

Utrecht7

1Geschreven op briefpapier van De Witte Mier, Maandschrift voor de Vrienden van Boek en Prent, onder leiding van J. Greshoff. Uitgegeven door Boosten & Stols, Maastricht.
2Wanneer en voor hoelang Greshoff Maastricht bezocht heeft, is niet achterhaald.
3In de rubriek ‘Personen en Data’ in De Witte Mier 1 (1924) 1 (januari), p. 36-39 besteedde Greshoff aandacht aan de Prix Goncourt 1923 voor Lucien Fabre (1889-1953). In 1926 zou bij de Hollandia-Drukkerij te Baarn een vertaling van Rabevel door Marie van Doorne verschijnen, waarvoor Greshoff een voorrede schreef. Na zijn oordeel over Fabre's winnende roman Rabevel te hebben gegeven, ging Greshoff - van het voorgaande stukje gescheiden door drie sterretjes - in op de verliezende romans, waaronder Mienne van Thierry Sandre (1890-?).
De door Greshoff in deze brief opgegeven noot bij zijn stukje over Sandre is op enkele komma's en een enkele drukfout na ongewijzigd in De Witte Mier overgenomen.
4Greshoff vermeldde in zijn stukje over de Prix Goncourt 1923 dat Lucien Fabre zelf onder meer Amants, heureux amants van Valery Larbaud als een van ‘zijn waardigste mededingers’ beschouwde.
De Franse schrijver Valery Larbaud (1881-1957) onderhield hartelijke betrekkingen met onder meer E. du Perron en Stols. Een belangrijk deel van zijn werk zou door Stols worden uitgegeven. Stols was de Nederlandse depothouder van het tijdschrift Commerce (1924-1932), waarvan Larbaud te zamen met Paul Valéry en Léon-Paul Fargue de redactie vormde. (Zie Valery Larbaud/ A.A.M. Stols, Correspondance 1925-1951 (ed. Christiane & Marc Kopylov), Paris 1986; en J.H.W. Veenstra, Valery Larbaud et Eddy du Perron, in Septentrion 7 (1978) 3, p. 52-63.)
5Wat de inhoud van de oorspronkelijk bij de vermelding van Larbauds Amants, heureux amants geplaatste noot over François de Malherbe (ca.1555-1628) was, is niet meer na te gaan.
6In de reeks De Schatkamer wilde Greshoff graag de verzamelde opstellen van zijn in 1915 overleden vriend Walter van Diedenhoven opnemen.
Walter van Diedenhoven (1886-1915) zou aanvankelijk samen met Greshoff en Ary Delen de redactie gevormd hebben van De Boekenwurm, dat later onder redactie van Greshoff alleen als de eerste reeks van De Witte Mier zou verschijnen.
7Anton Gerardus van Hamel (1886-1945) was onder meer van 1921 tot 1923 bibliothecaris van het Vredespaleis te Den Haag geweest. In 1923 zou hij hoogleraar Oud-Germaans aan de Rijksuniversiteit van Utrecht worden.
In De Witte Mier 1 (1924) 2 (15 februari), p. 59-64 zou hij een bijdrage wijden aan de Ierse schrijver Yan Kalloc'h.
prepostterug  begin  verder