Vierde uytkomst
Lemmen weder van zijn Reys komende, spreckt
.
LEMMEN
Siet, alles nemt een eynd', als men den tijdt kan wachten.
250
Die reys die ben ick deur. Die mij nu tijdingh brachte
Dat mijn Wijf heeft een Soon, braef lustigh gestoffeert,
Die werdt met hondert pond voor drinckgeldt strack vereert.
Och! ick verlanghe soo dat ick het niet kan spreken.
[p. 91]
Sien ick hier niemandt gaen? waer moghense al steken?
255
Wel, vind ick geenen Soon, het is mij groot verdriet,
Want sonder dese vreught en kan ick leven niet.
Doch ick verhope jae en vastelijck betrouwe,
Dat Heyltje recht en goedt aen mij haer woordt sal houwen,
Of andersints ick jaegh, dat sweer ick bij mijn Snuyt,
260
Met eenen dullen kop hun al ten huysen uyt.
Ick klappe al te langh, 'k moet sien wel thuys te komen.
Hier leydt den korsten wegh, die dient nu waergenomen:
Mij dunckt, ick sien ons huys? och, hoe ben ick te moe!
Al weder swaerigheydt, mij dunckt de deur is toe?
265
Och, och, hoe bangh wordt ick! hoe beven mijne leden,
De vrees mij wederhoudt, 'k en derf niet voorder treden.
Wat staen ick langh en drael? klop op mijn manier:
Soet, ben ick niet verdoolt? Neen, 't is mijn huysje hier.
Wel hoe! wat sal dit sijn, dat sij soo langhe wachten?
270
Ick kack schier in mijn broeck: komt ras, 'k verlies mijn krachten.
Heyltje uyt
.
HEYLTJE
Och! welkom, Lemmen lief.
LEMMEN
Hebt ghij voor mij goe leus?
Waer is, maeckt mij niet bangh, mijn Soon met sijnen Neus?
HEYLTJE
Hoe is mijn hert verlicht, omdat ghij sijt ghekomen.
LEMMEN
Ick segh, waer is mijn Soon? Maecht hier niet veel te klommen,
HEYLTJE
275
Ick heet u duysent mael van herte wellekom.
LEMMEN
't Is wellekom of niet, 'k en gheve daer niet om.
Seght oft ghij hebt een Soon, spreckt ras, wilt u wat spoeden.
Och daer en komt niet uyt, hoe droef ben ick van moeden.
[p. 92]
HEYLTJE
En ick ben soo verblijdt dat ick niet spreken kan.
280
Ick hebbe al een Soon, o jae! mijn lieve Man.
LEMMEN
Dats goet, maer komt de Neus den mijnen te gelijcken?
HEYLTJE
Seer treffelijck en wel.
LEMMEN
Ras, laet ick hem dan kijcken.
HEYLTJE
Gij sult verwondert zijn, soo haest gij hem aenschouwt.
Nu krijgh ick weder moet, maer flus was ick benouwt.
HEYLTJE
285
Ick segghe, 't is een Neus vermaert tot in Turckijen,
Men souer, mij gelooft, een hutse-pot af snijen,
En evenwel soo sout noch blijven een fray Neus.
LEMMEN
Bij Slabbrementen, Wijf, ghij maeckt hem soo fameus,
Dat ick niet sonder sien kan leven meer of wachten.
290
Gaet, haelt hem dan terstond, of ick verlies mijn krachten.
HEYLTJE
Waer bendij, lieve Soon?
SOON
Ick tap een glaesje bier.
HEYLTJE
Komt vlughs hier voor den dagh, u Vaertjen die is hier.
Jonghen uyt
.
LEMMEN
Hoe danst mijn hert van vreught,'ken kan mij niet bedwinghen,
Ick sou wel soo terstont een vrolijck lietje singhen.
[p. 93]
HEYLTJE
295
Siet Manneke, mijn Kindt, kijckt, daer is uwen Vaer.
LEMMEN
De Neus is als de mijn, 't gelijckt mij op een hair.
Sa, wacker op de heen, 'k moet gheldt te grabbel stroyen.
Wie sacher van ons oyt soo grooten, en soo moyen,
Soo frayen blauwen Neus? jae, ick ben soo verblijdt,
300
Dat schijnt of mijnen Neus met mij uyt spelen rijdt.
Hoe sal ick, als een Pauw, nu langhs de straet gaen strijcken?
En toonen soo dat ick voor niemandt niet moet wijcken,
Te meer, mits ick nu heb, hetgheen ick noyt en hadt.
HEYLTJE
Maer Man, 't is al ghenogh, praet teghen mij oock wat.
305
Wat seght ghij? heb ick niet precies mijn woordt gehouwen?
LEMMEN
Jae, mijne suycker-mondt, mijn troost, bij jaege, trouwen,
Koopt nu al wat gij wilt, ick hou het voor ghedaen,
Als ick maer met mijn Soon bij iedereen magh gaen.
Ick hebbe Goedts ghenogh, en voorts al mijn begeeren
310
Soo haest ghij mij een Soon nae wensch quaemt te vereeren.
Komt hier dan, mijn lief Kindt, laet uwen Neus vrij sien,
Opdat ghij wordt gheacht bij alle staetsche Lien.
'k Segh u een mantel toe, rondom met goude kanten,
Een hupsche kante-kraegh, een ringh met diamanten,
315
Ponnetten aen de handt, nieuw schoenen aen de voet,
En bovendien noch een schoon ghepluymden hoet,
Die sult ghij, nae den trant der Edele Cadetten,
Heel lochtjens ende spits staech op u neusje setten.
Sal dat niet wesen moy?
HEYLTJE
Nu Man, hebt ghij ghedaen?
320
De taefel is al ree, laet ons wat eten gaen.
LEMMEN
Komt, 'k sal hem dan daernae ter schoole gaen besteden,
Hier Soontje, gheeft mij d'hant, gaet recht op uwe leden.
Alle drij binnen
.