'Pieter Corneliszoon Hooft en de geschiedenis van zijn eigen tijd'


auteur: S. Groenveld


bron: S. Groenveld, ‘Pieter Corneliszoon Hooft en de geschiedenis van zijn eigen tijd.’ In: S. Groenveld, Hooft als historieschrijver: twee studies. Weesp, 1981, p. 7-46, 93-99.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 7]

Pieter Corneliszoon Hooft en de geschiedenis van zijn eigen tijd

Inleiding

In zijn stimulerende studie Hooft en Tacitus heeft J.D.M. Cornelissen erop gewezen, hoe Pieter Corneliszoon Hooft niet alleen in zijn prozastijl veel ontleend heeft aan de Romeinse schrijver Tacitus, maar ook heel wat heeft overgenomen van diens staatkundige denkbeelden. 1 Aan Cornelissens probleemstelling zijn echter diverse vragen te koppelen die door hem niet bij zijn betoog zijn betrokken. Verwerkte Hooft steeds dezelfde opvattingen van Tacitus, of is er in Pieter Corneliszoons denken een ontwikkelingsgang waar te nemen waardoor hij op verschillende momenten een keuze uit die opvattingen maakte? En ook: àls die ontwikkelingsgang er is, valt er dan een verband aan te geven tussen enerzijds het praktisch-politieke gebeuren van Hoofts eigen dagen, de geschiedenis dus die hij zelf beleefde, en anderzijds de geschiedenis die hij schreef en waarin hij zijn staatkundige opvattingen verwerkte?

Vooral op de tweede vraag - de relatie tussen Hoofts groei als geschiedbeoefenaar en het praktische gebeuren van zijn eigen dagen - wil ik hier nader ingaan. In niet onbelangrijke mate namelijk is de mogelijkheid, hierover een aantal opmerkingen te maken, vergroot door de recente en zeer toegankelijke uitgave van de brieven van de Muider drost door H.W. van Tricht. 2 Bovendien biedt een geschrift van Hooft, dat merkwaardigerwijs bij historici vrijwel onopgemerkt is gebleven, een gerede aanleiding daartoe: de opdracht aan de Amsterdamse regent dr Dirck Jacobsz. Bas, die Hooft liet voorafgaan aan zijn Henrik de Grote (1626). Niet zoals bij de meeste opdrachten, gepubliceerd voorin zeven-

[p. 8]

tiende-eeuwse boeken, is dit geschrift bedoeld om een mecenas een overdaad aan loftuitingen toe te zwaaien. Hooft schreef het uit dank voor hulp bij een financiële kwestie, en zette daarin tegelijkertijd een aantal kanten van het ‘waarom’ van zijn geschiedschrijving uiteen. 3 Daardoor biedt hij ons de gelegenheid om, door zijn opmerkingen van 1626 te leggen naast mededelingen en werken uit vroegere en latere jaren, te constateren dat er in zijn geschiedbeoefening inderdaad een ontwikkelingsgang valt waar te nemen. Heeft die ontwikkelingsgang invloed ondergaan van de praktische situatie in Hoofts dagen en van Hoofts beoordeling daarvan?

1581-ca. 1605. Beïnvloeding en opleiding

Van Pieter Corneliszoons jeugdjaren is ons bitter weinig bekend. Gesproten uit een opkomend koopliedengeslacht, zoon van een vader die de handel combineerde met bestuurlijke werkzaamheden, ontving hij een opvoeding die bij zijn afkomst paste. De libertijnse, ondogmatische en tolerante opvattingen van de vader hadden een blijvende invloed op het denken van de zoon. De visie van Hooft senior, dat een meerhoofdig Statengezag de voorkeur verdiende boven de monarchie, omdat daarbij de uitersten elkaar in evenwicht zouden houden, drukte op dat denken eveneens een duidelijk stempel. Voorts moet Pieter in deze jaren reeds kennis gemaakt hebben met het pragmatisch gebruik van de geschiedenis: had Cornelis Pieterszoon Hooft bijvoorbeeld niet nadrukkelijk ingestemd met de bewijsvoering van François Francken, die in zijn Deductie ofte Corte Vertooninghe van 1587 het gezag van de Staten uit de middeleeuwse geschiedenis had gedistilleerd om daarmee hun optreden als regerend college te rechtvaardigen? 4

Vanzelfsprekend kreeg Pieter Corneliszoon een opleiding, op klassieke leest geschoeid. Daarbij werd hem kennelijk al zoveel bijgebracht van de alom steeds meer bewonderde Tacitus, dat hij in 1599 in staat was in Lyon twee inscripties aan te wijzen als afkomstig van de Romein. 5 Daar, in Lyon, vertoefde Hooft junior tijdens zijn Grand Tour, in 1598 begonnen, die hem vanaf La

[p. 9]



illustratie

1. De Nieuwendijk en Singelgracht te Amsterdam in 1544
De stad ligt hier nog binnen haar middeleeuwse ommuring, waarvan rechts langs de Singelgracht een gedeelte zichtbaar is. Vanaf de Dam liep de Nieuwendijk, die bij de St. Jacobskapel (onder) een bocht maakte. Aan het korte stukje voorbij deze kapel kocht Cornelis Pieterszoon Hooft omstreekt 1585 een huis, aan de noordzijde (onderkant) van de straat, drie huizen vóór de Ramskooi. Diverse familieleden van hemzelf en zijn vrouw woonden aan dit zelfde stukje. Aannemelijk is, dat zijn zoon Pieter in deze buurt geboren is. In 1585 werd de stad ten westen van de Singelgracht uitgelegd; daartoe werd een deel van de stadsmuur gesloopt. Toen in de nieuwe uitleg bouwpercelen te koop waren, kocht vader Hooft er één schuin tegenover de Jan Rodenpoortstoren, die in 1544 nog deel uitmaakte van de muur (ongeveer op één lijn met de Nieuwe Kerk). Ook hier woonde hij weer temidden van een aantal familieleden. Tot een volgende uitleg werd in 1612 besloten: nu zouden Heren-, Keizers- en Prinsengracht worden aangelegd tot aan de Leidsegracht, benevens de Jordaan. In déze uitleg verrees het huis, dat Pieter Corneliszoon Hooft later aan de Keizersgracht zou huren (zie afb. 7).
Houtsnedekaart door Cornelis Anthonisz., 1544.
Gemeentelijke Archiefdienst, Amsterdam.


[p. 10]

Rochelle, via Parijs en het Rhônedal naar Italië zou voeren, en dwars door het Duitse Rijk weer naar de Republiek terug. Waarop was deze reis, waarop was de gehele opleiding gericht? Op een zelfde leefpatroon als dat van de vader - de combinatie van handel en bestuur? Op een wetenschappelijke of bestuurlijke carrière alleen? De bronnen geven daarop geen direct antwoord. En te voorbarig is het om een keuze voor een ambtelijke loopbaan e silentio te concluderen uit het feit, dat Pieter Corneliszoon in zijn beschrijving van zijn reis, zijn Reis-heuchnis, en in zijn Rijmbrief uit Florence aan de Amsterdamse kamer de Eglantier vooral uiting gaf aan zijn bewondering voor de klassieken en met geen woord over de handel repte.

Oppervlakkig zijn deze beide geschriften over Hoofts Grand Tour, vergelijkbaar met de verdere poëzie uit zijn jonge jaren. Ook die was pril, schools, vaak directe navolging van de klassieken naar vorm en onderwerp. Bovendien verwerkte Pieter Corneliszoon daarin herhaaldelijk levenswijsheden, die hij uit de antieken en hun commentatoren had opgezogen en vervolgens aan zijn lezers wilde voorhouden. In zijn eerste toneelspel, Achilles en Polyxena, wellicht vóór 1598 geschreven, sprak hij zich bijvoorbeeld reeds uit over de eigenschappen van de goede vorst:

 
Maer diet gemoet in tegenspoet off noot
 
Gestadich heeft en altoos even groot,
 
Al heeft hij goet noch staet nochtans is hij
 
Gheboren tot des werrelts heerschappij.
 
 
 
Als sulcken man, een coninckrijck aenvaert,
 
Met slavernij sijn volck hij niet beswaert,
 
Maer gaet hem tot de lantbestiering spoen,
 
Om aen sijn volck doort heerschen dienst te doen. 6

Dezelfde redenering zou hij in zijn volgende stuk, Theseus en Ariadne, opnieuw onder woorden brengen. 7 Maar deze wijsheden vloeiden Pieter niet uit de pen ten gevolge van de praktische situatie van de dagen waarin hij zijn stukken schreef. Het waren louter theoretische uiteenzettingen, die geen enkel bewijs inhouden

[p. 11]

voor interesse of inzicht in de politieke problemen van het ogenblik. Voor de onderwerpen uit het verleden, door Hooft junior gehanteerd, geldt dit in gelijke mate. Een pragmatische aanpak van de geschiedenis ten dienste van eigentijdse staatkundige of andere kwesties, zoals die door de zeventiende-eeuwse geschiedbeoefenaren werd nagestreefd, valt bij hem in deze levensfase nog niet te bespeuren. Als Van Tricht, zijn jongste biograaf, Hooft een ‘vroegrijp talent’ noemt, 8 dan heeft hij daarin wel gelijk voor wat betreft zijn kennis, voor zijn beheersing van taal en poëtische vormen, voor zijn affiniteit tot gedeelten van de filosofie der antieken. Maar voor Pieter Corneliszoon als historicus is dat etiket beslist niet bruikbaar.

Ca. 1605-1613. Rechtvaardiging van de opstand

Omstreeks 1605 moet het geweest zijn, dat Pieter uiteindelijk koos voor een ambtelijke loopbaan. Het meest sprekende bewijs daarvoor is wel, dat hij zich in november 1606 aan de Leidse universiteit liet inschrijven als student in de rechten - de meest aangewezen studie voor de toekomstige magistraat. Zo doende had hij, hoe aarzelend wellicht ook, tegelijk een eerste stap gezet op de weg, die voerde naar meer directe betrokkenheid bij het praktisch-politieke gebeuren. Een tweede levensfase was daarmee ingegaan. In Leiden zal Hooft opnieuw geconfronteerd zijn met de denkbeelden van Tacitus. Want iedere eerstejaars moest een voortgezette scholing in het Latijn volgen, waarbij door hoogleraren als Merula en Baudius sterk de nadruk werd gelegd op Tacitus' werk. Diens compact woordgebruik werd boven Cicero verkozen, zijn zoeken naar oorzaken en gevolgen in het geschiedverloop boven de oppervlakkiger behandelingswijze van Livius. Bovendien vond Tacitus' politieke denken meer en meer ingang als school voor staatsmanswijsheid. Tacitus was voorstander van de aristocratisch bestuurde republiek; maar toen die republiek in de werkelijkheid van het oude Rome door inwendige tegenstellingen was ondergegaan, legde hij zich neer bij het optreden van Augustus, de monarch. Diens gematigde, eenhoofdige bewind bleek no-

[p. 12]

dig

illustratie

2. Het Academiegebouw te Leiden, omstreeks 1600
Op deze plaats volgde Hooft in 1606-1607 zijn colleges. De Leidse universiteit was sinds 1581 in dit gebouw gevestigd: de kapel van het voormalige klooster der Dominicanessen of Witte Nonnen aan het Rapenburg. In het gebouw bevonden zich collegezalen voor de verschillende faculteiten en een kleine vergaderkamer voor de senaat.
Anonieme tekening, ca. 1600.
Koninklijke Bibliotheek, 's-Gravenhage.


[p. 13]

om orde en rust te herstellen. Echter, over volgende keizers oordeelde Tacitus niet langer zo: die waren voor hem toonbeelden van corruptie en machtswellust. Als pragmaticus kwam hij uit zijn werk naar voren, als pessimist ook.

Hoe diepgaand Hooft zich daarnaast in de rechten heeft ingewerkt, valt moeilijk na te gaan. Slechts kort verbleef hij in Leiden: mogelijk zelfs voor de zomer van 1607 was hij er alweer vertrokken. 9 Toch noemde zijn Leidse hoogleraar Pijnacker hem in oktober 1608 studiorum litterariorum candidatus, wat door Pieter Corneliszoon in een antwoordbrief werd getransponeerd in candidatus Juris. Hier dringt zich de vraag op, of de jonge Hooft soms vóór 1606, dus voor zijn inschrijving in Leiden, al in het buitenland colleges in de rechten òf in de letteren had gevolgd; of zijn keus voor een ambtelijke carrière dus misschien veeleer vóór dan na 1605 was gemaakt. 10

Intussen namen nu, schoksgewijs naar het schijnt, 11 zijn inzicht en interesse in politieke gebeurtenissen toe. Maar dàt ze toenamen bewijst Hooft ons in een brief, waarin hij in maart 1609 een neef in Parijs inlichtte over de besprekingen, die leidden tot de sluiting van het Bestand. 12 Hij schreef daar over de financiële moeilijkheden die Spanje tot een wapenstilstand noopten, en tegelijk over de loosheid van de Spaanse vos, die zou hopen op verslapping van de nu verenigde Nederlanders, op burgertwist tussen hen in de periode van het staakt-het-vuren. De gedachten, door Hooft verwoord, waren niet origineel: velen hielden het voor mogelijk dat met het wegvallen van de ‘gemeene vreese’ ook de samenhang uit de Nederlanden zou verdwijnen. 13 Maar Hoofts weergave van het probleem toont ons, hoe helder de zaken hem voor de geest stonden, hoe kernachtig hij die onder woorden wist te brengen.

De sluiting van het Bestand bracht naar veler gevoel de noodzaak van rechtvaardiging van het bestaan van de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden met zich mee, en daarmee gepaard een nieuwe verdediging van de opstand tegen Filips II. Wederom, evenals door Francken voorheen, werd nu de geschiedenis te hulp geroepen. Het meest opvallende geschrift, in dit verband gepubliceerd, was ongetwijfeld het Liber de antiquitate reipublicae batavicae

[p. 14]



illustratie

3. Vertoningen op de Dam te Amsterdam ter gelegenheid van de sluiting van het Twaalfjarig Bestand, 5 mei 1609.
Het thema van deze reeks tableaux vivants was de rechtvaardiging van de opstand tegen dwingelandij, in dit geval tegen de tirannie van de oude Romeinen tegen koning Tarquinius Superbus (510-509 v. Chr.). Hooft schreef voor elk toneel een devies. De tien taferelen laten, steeds van links naar rechts, zien hoe Tarquinius als bewijs van zijn macht bloemen, d.w.z. hoofden van onderdanen, afmaait (1), en zijn mensen, onder wie L. Junius Brutus, vertrapt (2). Enkelen van hen gaan naar Delphi, waar het orakel voorspelt dat wie der aanwezigen het eerst zijn moeder kust, koning zal worden; Brutus kust direct de moeder aarde (3). In Italië vergrijpt Tarquinius' zoon Sextus zich aan Lucretia, de vrouw van Collatinus (4); Lucretia pleegt daarop zelfmoord, ten teken van trouw aan haar man (5). Bij het lichaam van Lucretia zweert het volk onder leiding van Brutus, Tarquinius te verdrijven (6), wat inderdaad gebeurt (7). De zonen van Brutus beloven de koning echter, hem te herstellen; een slaaf luistert deze belofte af (8). Brutus, geïnformeerd over deze samenzwering, laat zijn eigen zoons terechtstellen (9). De reeks eindigt met de benoeming van Brutus - samen met Collatinus - tot consul van Rome, en met de moraal:
 
‘Vereende Landen, wilt ghy soo de Vryheyt minnen,
 
Dat sy u waerder zy als yeders eygen baet,
 
Soo magh geen Dwingelandt, u t'saem gevlechte staet,
 
Met list, noch met verraedt, noch met geweldt ontginnen’.
Gravure door Claes Jansz. Visscher.
Atlas van Stolk, Rotterdam.


[p. 15]

van Hoofts generatiegenoot Hugo de Groot, dat in 1610 verscheen, tegelijk met een Nederlandse versie ervan. Daarin knoopte De Groot aan bij de allang florerende Batavenmythe: op deze directe voorouders van de Hollanders zouden de Statenvergaderingen teruggaan. Nóg ouder, dus nog respectabeler dan bij Francken waren de gronden, waarop men het meerhoofdig gezag der Staten, en bijgevolg de juistheid van de strijd tegen Filips II meende te kunnen baseren.

Ook Hooft, opgevoed met de idee der Statensoevereiniteit, leverde hier zijn bijdrage, daarbij gebruik makend van de geschiedenis. Toen de sluiting van het Bestand in Amsterdam werd gevierd met de vertoning van tien tableaux vivants, schreef hij voor elk daarvan een ‘pittig devies’ (Van Tricht); de strijd tegen de dwingeland, in dit geval de laatste Romeinse koning Tarquinius Superbus, was het thema ervan. 14 En in een lang gedicht op de Bestandssluiting gaf hij nadrukkelijk aan, dat het hoogste gezag in de Nederlanden lag bij

 
De wijse Vaders door lange' oeffeningh ervaren,
 
Die geenen kommer, moeyt, noch sware kosten sparen,
[p. 16]
 
Maer waken, dagh en nacht, met hart, sin en verstandt,
 
Sorghvuldelijck beducht voor 't liefste Vaderlandt,
 
Waer van sy het bestier met rijpe reden mennen. 15

Hierin waren zij voorgegaan door Willem van Oranje, die niet had gehandeld als monarchale tegenpool der Staten, maar als

 
Den Moyses, die ons, van veel droever slavernijen
 
Als oyt Israel leed, quam tegen hoop bevrijen. 16

Niet minder had Maurits gedaan, zodat hij daarom door Hooft hier evenzeer geroemd wordt. 17 We komen hier een van de oudste historiebeelden van Oranje tegen, zo men wil de oudste van de mythen die rond Oranje zouden ontstaan. De regenten van Hoofts jaren zagen de Prins als de rechterhand der Staten, de strijder voor het behoud der privileges; zij roemden ‘de weldaedt en de deught van den Nassauschen Prins’. 18 Geheel tegengesteld daaraan was het Oranjebeeld van de volgende regentengeneratie, die van Johan de Witt: niet langer telden 's prinsen deugden; negatieve trekken zoals een streven naar persoonlijke macht kregen toen het meeste accent onder invloed van de toenemende tegenstellingen tussen het regentendom en Oranje. Dat daarnaast de calvinisten hun eigen Oranjemythe zouden ontwikkelen - die van Willem, strijdend voor de ware, gereformeerde kerk - worde hier alleen volledigheidshalve vermeld.

Hoofts staatkundige visie van deze levensperiode, zoals ik die zou willen afpalen, komt het duidelijkst naar voren in zijn Geeraerdt van Velsen, verschenen in 1613. In dramatische vorm werkte de dichter hierin de problematiek uit van de opstand tegen de landsheer, in dit geval aan de hand van de opstand van de edelen Velsen, Woerden en Aemstel tegen de tiran Floris V. Twee vormen van opstandigheid wijst Hooft ons hier aan. Daar is het streven van Velsen en Woerden om Floris te bestrijden op grond van haatgevoelens en ‘hoop tot hoogher luck’ 19 - een verwerpelijk streven, omdat het slechts tweedracht en scheuring onder het volk zal brengen. Daar is echter ook de houding, bepleit door de nobele Gijsbert van Aemstel, die de revolte afhan-

[p. 17]

kelijk wil stellen van het besluit van ridderschap en steden, van de Staten dus ‘Daer d'opperheyt by staet’. 20 Want, aldus beredeneert Aemstel, dat wil zeggen de dichter zelf, zijn visie:

 
Wil 't beste deel des volcx verheert zijn van Tyrannen,
 
Het oordeel staet an haer: des dulden zy, elck een
 
Die dulde dan met haer, oft geev' hem elders heen. 21

Niet elke opstand, dus, is gerechtvaardigd; alleen die, welke door de Staten is gepropageerd. Dat brengt Hooft nog eens nadrukkelijk onder woorden in de beroemde ‘Rey van Amstellandsche Joffrên’, waarin hij juist Aemstel prijst:

 
Den oopenbaeren Dwinghelandt,
 
Met moed te bieden wederstandt,
 
En op den harssenpan te treeden;
 
Om, met het storten van zijn bloedt,
 
Den vaderlande 't swaerste goedt,
 
Den gulden vryheyt te bereeden;
 
 
 
Dat is, van ouwder hercoomst wydt,
 
By d'aldertreffelycxt altydt
 
Beloondt met eerenbeelden dancklyck.
 
De roem is uytgheblaesen, met
 
Gheleertheyts heldere trompet,
 
In schrift, en dichten onvergancklijck.
 
 
 
De lofkrans groenens nimmer moe,
 
Die comt het hayr der sulcken toe,
 
Die 't al, voor 't alghemeene waeghen:
 
Ghelijck den Heer van Aemstel tracht.
 
Hoewel zijns selschaps overmacht,
 
Hem let zijn voorstel te bejaeghen. 22

De laatste verzen geven het aan: Aemstel, die zich geheel wil inzetten ‘voor 't alghemeene’, moet zich neerleggen bij de plannen van de andere samenzweerders, beheerst door haat en egoïsme.

[p. 18]

Burgerkrijg is inderdaad het gevolg - maar daarmee eindigt het drama niet. De Stroomgod van de Vecht kondigt de verrijzing van de Nederlanden aan, als van een feniks. Zij zullen zich, voorgegaan door Oranje, van dwingelandij bevrijden en tot grote bloei komen. En

 
's Lands Staeten, die ghespaert en hebben bloedt noch schatten,
 
Nocht sorch, in 's vryheyts dienst, die sullen dan hervatten
 
Het aensien en ghesach dat haer van oudts toequam. 23

In die situatie zullen zij de nieuwe Nassau, Maurits, ‘stellen… in 't Vorstelijck bestier’, 24 hetgeen hier, zoals blijkt uit het vervolg, betekent: in de stadhouderlijke waardigheid, bekleed met het opperbevel. Niet aan de tweedracht dus, maar aan de bloei is het laatste woord.

Zo maakte Hooft thans wèl van thema's uit het verleden gebruik om politieke opvattingen uit te dragen; thema's die een zekere bekendheid genoten, zoals met name in het geval van Floris V. Figuren als Filips II, Floris V en Tarquinius Superbus vertoonden overeenkomst met elkaar, en konden dus voor elkaar model staan als het ging om lering aan de lezer of toeschouwer. Echter, er waren ook verschillen. Men zie de tiran Floris V: deze, ‘de gemeente lang gequeeckt hebbende (= het volk lang begunstigd hebbende) om den Adel t' onderdrukken’, had in feite enkel de ridderschap tegen zich verbitterd, aldus Hooft. 25 Daarin week de opstand tegen Floris duidelijk af van die tegen Filips II; ofwel: de achtergronden van beide revoltes waren totaal verschillend van elkaar. Van belang was dat niet voor Hooft: de oppervlakkige gelijkenis der gevallen was voldoende voor zijn doelstelling, de uitbeelding van de rechtvaardige strijd tegen dwingelandij. En de poëtische vorm van het drama beschouwde hij als het aangewezen middel voor die uitbeelding. De poëzie immers, zo schreef hij juist in deze jaren, vooral doelend op het drama, was door de eeuwen heen door vorsten en volken gewaardeerd ‘om haer leerlijckhejdt, stichtelijckheit & vermaeckelijckheit’. Ook de ‘Hollandsche Poesie’ had die praktische taak vervuld bij ‘'t verstooten vande Tyrannje & stichten des vrijheids’. 26

[p. 19]

In dit opzicht week Pieter Corneliszoon niet af van de gewoonten van zijn tijdgenoten. In zijn staatkundige opvattingen deed hij dat evenmin. De visie, door hem weergegeven, was echter niet langer theoretische humanistenwijsheid. Eenmaal geconfronteerd met de alledaagse werkelijkheid entte hij zijn ideeën op de praktische denkbeelden die hij van huis uit had meegekregen. Zijn politieke denken was, met andere woorden, in deze tweede levensfase nog geheel door de traditie bepaald.

Ook als praktiserend politicus toonde Hooft aanvankelijk nog weinig zelfstandigheid. Als 28-jarige in mei 1609 benoemd tot baljuw van Gooiland en drost van Muiden, raadpleegde de nieuwbakken magistraat vooreerst verwanten met bestuurlijke of juridische ervaring.

Ende alsoo [zo schreef hij bijvoorbeeld op 18 juni 1609 aan het stadsbestuur van Muiden] de coomste van mijn H. Vaeder onzeker is tijdelijck [= tijdig] te vallen voor Sondach eerstcomende, ende ick in dezen niet en meine te besluiten zonder bijstandt van zijnen raedt om besondere bedenckingen opt gemeene besten der stede Muiden

verzoek ik u de onderhavige zaak nog even aan te houden. 27

Voor een ‘volwassen magistraat’, zoals Van Tricht hem in 1609 reeds noemt, 28 kon Hooft naar mijn oordeel toen bepaald nog niet doorgaan. Veeleer was hij een beginnend, traditioneel denkend regent, van een leeftijd bovendien waarop een man als Johan de Witt al raadpensionaris was. In feite had Pieter Corneliszoon zich in de periode, die met de verschijning van de Geeraerdt van Velsen werd afgesloten, alleen als dichter tot een zelfstandige en door velen hooggewaardeerde persoonlijkheid ontplooid.

1613-1626. De vorst als remedie tegen tweespalt

Naarmate de Bestandsjaren vorderden leek de vrees voor burgertwist in de Republiek steeds reëler te worden. Dit probleem, reeds als onderstroom in zijn geschriften van de vorige periode

[p. 20]



illustratie

4. Het Muiderslot in 1617
Hoofts ambtswoning is hier afgebeeld in een ietwat gefantaseerd landschap. Het kasteeltje zelf werd in de tijd waarin deze gravure werd vervaardigd door Hooft bewoond. De schrijver was niet alleen drost van Muiden, maar tegelijkertijd baljuw van Gooiland en hoofdofficier van Weesp en Weespercarspel.
Gravure door Claes Jansz. Visscher, 1617.
Gemeentelijke Archiefdienst, Amsterdam.


[p. 21]

aanwezig, hield Hooft nu in toenemende mate bezig. Orde en rust liepen gevaar, vooral omdat ook de Staten waren als een in zichzelf verdeeld huis. Hier bleek de schaduwzijde van de zo hoog geroemde aristocratie: wie zou uiteindelijk een beslissing moeten nemen?

Onder deze omstandigheden greep Hooft opnieuw naar de geschiedenis om de Nederlanders daaruit een les voor te houden, en schreef hij zijn tweede historisch drama, Baeto, grotendeels opgezet in 1616, en op 19 mei 1617 voltooid. Dit is het verhaal van Baeto, de legendarische stamvader der Bataven, der Hollanders dus, zoals men nu in navolging van vooral Hugo de Groot met zekerheid meende te mogen zeggen. Deze Baeto, geconfronteerd met oorlog binnen het rijk van zijn vader, brengt liever het zware offer van de persoonlijke ballingschap dan door zijn aanwezigheid de burgerkrijg langer te doen voortduren. Hij gaat naar het dan nog onbewoonde Holland, waarover hij, de wijze en gematigde prins, door zijn volgelingen tot koning wordt gekozen, en als zodanig de eed aflegt:

 
Ick sweer, nae wys en wetten, d'heerschappije
 
Bij raadt van d'edelst en de best' der burgerije
 
Te voeren over u, myn' lieden; dien naar my,
 
Met wien ghy 't hóudt, voortaan uw naam Baethauwers zy. 29

In deze regels ligt, in een notedop, de praktische oplossing besloten, die Hooft voor ogen stond in de bewogen Bestandsjaren. Herstel van eenheid en rust moest nu worden opgedragen aan een vorst - maar dan wel aan een, die de bestaande rechtsorde onaangetast zou laten. Hugo de Groot had de dichter, na lezing van het nog onvoltooide manuscript van de Baeto, aangeraden voor de weergave van de kern van die rechtsorde het Groot-privilege van Maria van Bourgondië te gebruiken. 30 ‘Baeto sal dan - zo antwoordde Hooft hem hierop - 't rijck aenvaerden, Auspice te, …, op wijse ende wetten naer voorschrift verleent bij UE.’ 31 Echter, uiteindelijk nam de dichter juist het wezenlijke van het privilege niet over. De rol van de vorst vergrootte hij, hij maakte deze soeverein; en de functie van ridderschap en steden, van de Staten

[p. 22]

dus, zwakte hij af, terwijl die juist was versterkt in het stuk van 1477. In de versie van de Baeto waren de Staten nog enkel adviescollege van een koning, die zij wèl zelf hadden aangesteld. Van hun soevereiniteit, voorheen door Hooft zozeer beklemtoond, was weinig overgebleven onder druk der omstandigheden.

Ook over de relatie van kerk en staat, een der grote problemen immers tijdens de Bestandstwisten, spreekt de dichter zich hier nadrukkelijk uit. Door Zeghemond, de ‘paapin’, laat hij zijn lezers zeggen:

 
van de gereghten
 
Is de voorschepen 't hóóft: de veldtheer van de knechten
 
Des kryghs: de tóppaapin gelyck des hemels tólck
 
Van 't geestelycke gildt: de vórst van 't heele vólck.
 
 
Zulx best den vórste past het hóóghgezag in allen;
 
Dat hy hen t' zamen bind, en yeder hoed' voor vallen. 32

Hoofts vorst, bekleed met het ‘hóóghgezag’ - de soevereiniteit -, zou dus ook moeten staan boven de kerk, opdat geestdrijverij door hem kon worden beteugeld, en de staat daardoor niet te gronde zou gaan.

Prins Maurits, in de Geeraerdt van Velsen zeer geroemd, zou in de dagen waarin Hooft zijn Baeto schreef, zo'n vorst kunnen zijn. Maar toen de prins in juli 1617 bij de contra-remonstranten ter kerke ging, en hij niet langer boven de partijen stond, was deze kans verkeken. Aannemelijk is, dat Hooft in Maurits door diens houding toen en in de volgende jaren zeer is teleurgesteld, mede omdat hij de prins zulk een andere rol had toebedacht. Wijst het feit, dat de drost bij 's prinsen overlijden in 1625 geen gedicht aan hem heeft gewijd, niet in deze richting? Voor Baeto had de partijkeuze van de stadhouder ten gevolge, dat het stuk door Hooft onder zich werd gehouden. Het kon immers niet opgevoerd worden: te duidelijk zou Maurits het tegendeel van de goede Batavenvorst blijken. Het verscheen dan ook pas in januari 1626 in druk, na de dood van de prins.

Zo kwam er, onder invloed der recente ontwikkelingen, een dui-

[p. 23]

delijke verruiming in Hoofts oorspronkelijk zo traditionele visie. Vooreerst legde hij de nadruk op het nut van een goed, dus gematigd eenhoofdig gezag. Monarchist-uit-principe werd hij echter niet: alleen al het feit, dat de Staten in Baeto nog een zekere, zij het beperkte rol bleven spelen, wijst daar op. 33 Met deze verandering in opvattingen werden, na de voltooiing van Baeto, enkele andere verbonden - veranderingen die door Hooft in zijn hiervóór al genoemde opdracht van de Henrik de Grote helder zijn uiteengezet.

Duidelijk heeft Hooft zich in de jaren 1617 en 1618 nader bezonnen op de vraag, hoe hij zijn nieuwe opvattingen het meest effectief zou kunnen mededelen aan zijn tijdgenoten, gebruik makend van de geschiedenis, de leermeesteres van het heden. Niet langer meende hij, dat hij zijn doel kon bereiken door het kiezen van een willekeurig historisch voorbeeld, of met de weergave van een reeks feiten die slechts oppervlakkige gelijkenis met de eigen tijd vertoonden:

alle exempelen en strecken zó klaar een spieghel niet; ende is 't zonder wel evene overeenkoomst van omstandigheden, hachelijck daar op aan te gaan.

Alleen behandeling van die gebeurtenissen zou zinvol zijn, waarvan ook de dieperliggende omstandigheden, de achterliggende structuren, vergelijkbaar waren met het heden:

Oórzaack, herkoomst, toeleg, achterdócht, geneghenheidt, geleghenheidt, wegh, wijze, reden en raadt reppen, zijn leeringen voor de geene die goede lucht hebben, óft hun vernuft, met vlijt, te bate komen.

Echter zouden, naar Hooft vreesde, van vele perioden de omstandigheden voor het merendeel der lezers niet meer te begrijpen zijn. De geschiedschrijver kon dan ook alleen effect sorteren als hij zocht naar episoden, die zich afspeelden binnen een nog te vatten kader. Ofwel, hij diende zich vooral te richten op

[p. 24]
't geen zich naest aen onzen tijdt heeft toeghedraghen. De waarom is, dat de gelijckaardigheidt tusschen die ende de dagelijcksche handelingen behendighst onderwijst, hoe deze op 't gevoeghlijckst te slijten staan.

Het was de geschiedenis van gisteren, waarop de thans volgroeide politicus Hooft de nadruk wilde leggen, die hij diepgaand wilde beschrijven, omdat alleen zó'n beschrijving voor de mens van vandaag werkelijk vruchten kon afwerpen. 34

Ook tot een ander publiek heeft Hooft zich willen richten. Een beschrijving van het jongste verleden zou, naar zijn mening, alleen zijn nut afwerpen voor mensen, die ‘eene middelbare belezenheidt’ bezaten. Vooral doelde hij daarmee op de staatslieden; die had hij ook op het oog toen hij in de reeds geciteerde zinsnede sprak over mensen ‘die goede lucht hebben’, over intelligente lezers. Die beschikten ook, zo zou hij enkele jaren later schrijven, over voldoende oordeelkundigheid - oordeelkundigheid die immers ‘niet oft nauwlijx scherp genoegh wezen kan, zonder gestreken te zijn op den wetsteen der ervaerenheit’. 35 Ervaring bezat de staatsman stellig, maar omgekeerd zou hij toch best enige ruggesteun vanuit de geschiedenis kunnen gebruiken als hij bezig was met ‘zaken die den tredt gaan, ende overleg lijden’. Niet langer stond Hooft nu blijkbaar het groter publiek, dat hij via het toneel kon bereiken, voor ogen. Was daarvan het feit, dat dat publiek ten gevolge van de situatie tijdens het Bestand juist voor zijn Baeto en de daarin vervatte boodschap onbereikbaar was geworden, mede oorzaak? In ieder geval paste in zijn nieuwe conceptie de dramavorm, die hij enkele jaren tevoren nog aan de staatslieden had aangeprezen, niet meer. Immers, niet langer ging het hem om ‘geschiedeniss met fabelen zoo deghelick gevoeght’ - zoals Huygens zijn Baeto omschreef 36 - maar alleen om een zuivere weergave van het gebeuren, om weloverwogen geschiedschrijving. En dáárbij moest aan proza de voorkeur worden gegeven boven poëtische vorm en taal.

Ziedaar het nieuwe program dat Hooft zich voor zijn verdere leven stelde. Van nu af nam de geschiedschrijver Hooft de plaats in van de dichter van historisch-pragmatische toneelwerken. De

[p. 25]

inhoudelijke wijziging, die zich in Baeto voor het eerst manifesteerde, zou in de verdere geschiedschrijving van de drost meer gestalte krijgen. In de levensbeschrijving van de Franse koning Hendrik IV werd dit alles voor het eerst geconcretiseerd, zowel naar inhoud als vorm.

In het voetspoor van Geeraardt Brandt, Hoofts eerste biograaf, is de Henrik de Grote eeuwenlang eigenlijk alleen gezien als een oefening in taal en vorm van een prozawerk. 37 Daarbij beriep men zich op een brief, die Hooft op 19 mei 1618 aan Hugo de Groot schreef. 38 Hier kondigde hij zijn nieuwe geschrift aan als een ‘meditamentum stili et characteris historici’, als een middel om zich stijl en mentaliteit van de geschiedschrijver eigen te maken. Een hoger doel moest dit meditamentum namelijk dienen: Hooft stelde zich voor, in de toekomst een vaderlands-historisch onderwerp te beschrijven, om ‘approbare patriae industriam meam, in valdè serijs’. De Nederlandsche Historiën werden hier in feite al aangekondigd. Echter, Hooft noemde niet alleen de stijl, maar ook het ‘character historici’ als iets waarmee hij vertrouwd wilde raken. Moet men daaruit niet concluderen, dat het hem tegelijk om de inhoudelijke kant van de geschiedschrijving te doen was? Dat het hem onder andere evenzeer ging om het leren hanteren en interpreteren van bronnen en gebeurtenissen, teneinde zijn boodschap op verantwoorde wijze uit te dragen? Alleen wanneer men dit aspect bij de bestudering van de Henrik de Grote betrekt, wordt het duidelijk, waarom Hooft in 1618 juist déze koning tot voorwerp van zijn geschiedschrijving maakte. Het is vooral Cornelissen geweest, die op dit inhoudelijke punt de nadruk heeft gelegd. 39 Reeds tijdens zijn leven had koning Hendrik IV faam verworven als vredestichter, en na zijn gewelddadige dood had de mythevorming zich snel van zijn nagedachtenis meester gemaakt. Uitstekend kon hij model staan voor Hoofts conceptie van de ideale vorst. Bovendien, kunnen wij daaraan nu toevoegen, vond zijn optreden plaats in het recente verleden, binnen de voor Nederlandse politici begrijpelijke kaders van het vroeg-moderne Frankrijk. En binnen een Frankrijk, waar zich tijdens de godsdienstoorlogen situaties hadden voorgedaan, waarmee de Nederlandse toestanden gedurende het Bestand wel eens

[p. 26]



illustratie

5. Het wapen van P.C. Hooft
Dit wapen werd door een aantal voorvaderen van Hooft gevoerd. Deze afbeelding is een detail van het adelsdiploma, dat Hooft in 1639 namens de Franse koning, Lodewijk XIII werd verleend als beloning voor zijn levensbeschrijving van Hendrik IV, Lodewijks vader. Hooft werd krachtens het besluit van de koning verheven tot ridder in de orde van St. Michel; de benoeming gold ook voor zijn nageslacht. Al eerder, in 1624 en 1633, is Hooft bezig geweest met een aanvrage voor Franse adeldom op grond van zijn boek. Deze aanvragen zijn beide halverwege de procedure blijven steken. De oogmerken die Hooft voor zijn wens naar erfelijke adeldom had zijn niet erg duidelijk.
Detail van het adelsdiploma, gedateerd 31 maart 1639.
Collectie Hooft Graafland.


[p. 27]

onaangenaam veel gelijkenis konden gaan vertonen. Hoofts keuze voor dit onderwerp bewijst, dat de door hem in 1626, in de opdracht aan Dirck Bas, neergeschreven principes reeds in 1618 de zijne waren.

Hendrik IV was in menig opzicht de Franse Baeto. Het belang van zijn door burgeroorlog verwoeste land stellend boven theologische problematiek, en de opvattingen der politiques volgend, had hij de rooms-katholieken en hugenoten tot elkaar gebracht, hun een plaats naast elkaar aangewezen, en daarmee de rust hersteld. Toch was hij van nature geen koning met autoritaire neigingen, zo weet Hooft van hem te vertellen. En dan laat hij Hendrik, in 1585, uiteenzetten hoe hij in zijn oorspronkelijke koninkrijk Navarre de rooms-katholieken veel vrijheid had gelaten, behalve in twee gebieden. Eén daarvan was Béarn, waar tot verbod van de katholieke eredienst was besloten

by wylen de koninginne zyn' moeder ende de staten 's lands, de welcke aldaar veel vryheidts over de prinssen hebben… . Ende nae zyn verstandt, was 't eenen vórste ongeraden eenige órden te veranderen, ten waar 't hem merckelycke nóódt óft nut deed doen, ende dat door den zelven wegh, waar door ze was ingevoert. 40

Opnieuw dus: de vorst dient zich te voegen naar de Staten. Maar als de nood aan de man komt is hij het, die moet ingrijpen, liefst na samenspraak met zijn adviseurs. Een dergelijke situatie deed zich voor bij de besprekingen over het Edict van Nantes in het Parijse Parlement. Het was dezelfde Hendrik, die daar nu zei:

hoewel ick tót geen' rekenschap in dezen gehóuden ben, wilze u evenwel geven. Nóódt ende nut van vrede hebben my doen yveren, omze, door dit gebódt, by goedtduncken van mynen raadt gegheven, zó wel van binnen te verzekeren, als ickze van buiten bearbeidt heb. Vyt gelyck een nóódt, heb ick wel eer den sóldaat gemaakt: ende trock 's my niet aan, wat 'er af gepraat werdt. Nu ben ick koning, ende spreeck als daar toe staat. Ick begheer gehóórzaamheidt… ick ben niet gezindt, door uw' wei-
[p. 28]
ghering, andere nieuwigheden te laten verwecken. 41

Hendriks regeringsperiode was, zeker tot het moment van deze toespraak, er een van voortdurende nood geweest. Steeds had de koning dus handelend opgetreden, was hij een sleutelfiguur in het gebeuren geworden. Meer nog dan in Baeto staat in de Henrik de Grote dan ook het vorstelijk ingrijpen centraal, zozeer dat daarachter de rol van de bevolking sterk terugwijkt - en dat wordt door de schrijver, op grond van de omstandigheden, als gerechtvaardigd beschouwd. Kritiek op het koninklijk handelen wijst Hooft resoluut van de hand, vooral waar het gaat om het verwijt, dat Hendrik in religiosis onverschillig zou zijn geweest. Waarvan de koning grote afkeer had, schrijft Hooft dan, was van de ‘uytwendighen schyn van heyligheidt’; maar daarmee wordt zijn vroomheid niet ontkend. Want hij ‘viel liefst in 't verbórghen zynen schepper te voet’. 42 Verdedigde, tussen haakjes, de drost hier tegelijk zijn eigen libertinisme? Het was, samenvattend, de praktische uitwerking van de ideeën der Franse politiques die Hooft, via zijn eerste echte geschiedwerk, in de Nederlandse Republiek wilde aanbevelen als remedie tegen de dreigende burgeroorlog.

Inhoudelijk vloeide Henrik de Grote logisch uit Baeto voort; niet zonder reden noemde Constantijn Huygens Baeto dan ook Hendriks ‘voorloper’. 43 Nog duidelijker wordt de samenhang tussen beide geschriften door het feit, dat Hooft ze gelijktijdig liet drukken: Baeto kwam uit in januari 1626, Henrik de Grote twee maanden later omdat het privilege ervoor nog even op zich liet wachten. Ondanks het verstrijken van negen jaren sinds de voltooiing ervan had de Baeto voor Hooft toch zijn belang behouden. Nog sprak hij in 1626 over de ‘wichtigheit der stoffe’ van het toneelstuk, geschreven ‘om aen 't gemeen te dienen’. 44 Twee vorstenspiegels gaf hij nu tegelijk uit, en niet toevallig op dit moment. Frederik Hendrik was immers juist als nieuwe stadhouder opgetreden. Het lijkt niet gewaagd te veronderstellen, dat de prins de eerste van de mannen van staat was, voor wie Hoofts geschriften van nu aan bestemd waren.

Intussen hadden beide werken nog een ander element met el-

[p. 29]

kaar gemeen: hun relatie tot Tacitus. Voor Baeto was de stof aan de klassieke auteur ontleend; de in beide geschriften uitgewerkte staatkundige visie, de beklemtoning van de vorst als remedie tegen tweespalt, was bovendien aan die van Tacitus verwant. Hooft kende diens denkbeelden al vanuit zijn jeugd, en zeker uit zijn Leidse periode. Maar juist de vergelijkbare toestand van de Romeinse republiek van weleer en de Nederlandse van thans zal die denkbeelden voor hem des te actueler gemaakt hebben. Bovendien ontleende hij, in waarschijnlijk niet onbelangrijke mate, aan Tacitus de opvatting dat de historieschrijver niet slechts feiten, maar ook achtergronden moest mededelen; èn entte hij zijn taal en stijl op die van de Romeinse auteur. Voortdurend herlas hij dan ook deze ‘wysten Historischryver’, deze ‘Staetwijzeman’: twee-en-vijftig maal volgens Geeraardt Brandt, 45 ondertussen doorwerkend aan zijn Henrik de Grote. En om meer greep nog op zijn voorbeeld te krijgen begon hij, waarschijnlijk omstreeks 1625, zelf stukken Tacitus te vertalen. Om stijl en mentaliteit dus bestudeerde hij zijn klassieke voorbeeld.

Zo was deze derde periode er een van ommekeer in Hoofts ontwikkeling als geschiedbeoefenaar. Thans was het een sterk persoonlijke visie, die hij door middel van de historie wilde uitdragen. De schijnwerpers waren ten volle gericht op de vorst als redder in de nood; soms overbelichtten zij deze vorst zelfs. Daarmee waren echter door Hooft niet tegelijkertijd al zijn vroegere ideeën overboord gezet - de Staten bijvoorbeeld behielden wel aanzien in zijn geschriften, zijn religieuze tolerantie bleef onverminderd bestaan -, maar die ideeën hadden soms een totaal andere nadruk gekregen in de nieuwe conceptie. Andere eisen aan vorm en taal had de drost hieraan toegevoegd. Daarmee ontplooide hij zich als een, wat Vondel zou noemen, ‘devoot polityk’. 46

1626-1647. Evenwichtigheid en nuancering

De laatste twintig jaren van Hoofts leven tonen ons een duidelijke evenwichtigheid, een zekere bezadigdheid ook. Veranderingen zowel in zijn persoonlijk leven als in de politieke toestand leverden

[p. 30]



illustratie

6a. P.C. Hooft op 48-jarige leeftijd, kort na zijn tweede huwelijk. Voor dit portret reisde Hooft naar Delft om daar te poseren voor de schilder.
Schilderij door Michiel van Mierevelt, 1629.
Universiteit van Amsterdam.


[p. 31]



illustratie

6b. Leonora Hellemans, Hoofts tweede echtgenote, op 34-jarige leeftijd, kort na haar huwelijk met de drost, dat ook voor haar een tweede huwelijk was. Dit schilderij is de pendant van het portret van haar echtgenoot.
Schilderij door Michiel van Mierevelt, 1629.
Verblijfplaats onbekend.


[p. 32]

hun bijdragen daartoe. Weduwnaar sinds 1624, verwierf hij in 1627 in Leonora Hellemans een echtgenote, die hem tegelijk met esprit en zakelijkheid terzijde stond. Zij was de gewaardeerde gastvrouw als Hooft op het Muiderslot, of 's winters in hun huis aan de Amsterdamse Keizersgracht, meer dan voorheen verwanten en kennissen ontving. Met dezen, vertrouwde vrienden zowel als nieuwe bekenden, voerde de drost bovendien een steeds omvangrijker persoonlijke correspondentie. Daarin werden dikwijls zijn geschriften, met name de historische, besproken, en nog vaker de gebeurtenissen van alledag.

Meer dan ooit tevoren lijkt Hooft zich in deze jaren geïnteresseerd te hebben voor wat omging in de Republiek, en in de wereld tot ver daarbuiten. Evenwel, van het nieuws daaromtrent, dat hem in de wintermaanden in Amsterdam snel bereikte, was hij vrijwel geheel verstoken als hij, meestal van april tot oktober, op het Muiderslot woonde. Het is dan ook niet zo vreemd, dat hij in april 1629, toen hij naar zijn ambtsgebied moest afreizen juist toen Frederik Hendrik begon aan de veldtocht naar Den Bosch, zijn zwager Joost Baek vroeg, hem wekelijks op de hoogte te houden van het gebeuren. Daarmee begon een correspondentie, die gedurende vrijwel alle Muidense verblijven van de Hoofts zou worden voortgezet. 47

Hooft volgde intussen niet alleen de res gestae van Frederik Hendrik als veldheer; ook diens politiek handelen kreeg voortdurend zijn aandacht. Hoge verwachtingen had hij van de prins. Naar zijn vaste overtuiging namelijk was met de dood van Maurits de nasleep van de Bestandstwisten voorbij. Nu achtte hij de tijd aangebroken, dat gevangenen moesten worden vrijgelaten en ballingen amnestie zouden krijgen. Vanuit deze redenering ijverde hij met name, vanaf 1626, voor de terugkeer van Hugo de Groot, daarbij rekenend op de volle medewerking van Frederik Hendrik: ‘de la bonne intention de son Exe je ne fajs nulle doubte’, schreef hij aan Grotius' zwager Reigersberg. 48 Hoewel hij in deze affaire zijn doel niet bereikte, bleef Hooft onverkort vertrouwen stellen in de stadhouder. In zijn commentaren op het dagelijkse politieke gebeuren, geschreven aan Baek, repte hij meermalen over 's prinsen wijsheid, hem meer dan anderen door God geschonken, over

[p. 33]

zijn ‘groote zorghe… om d'ontstelde gemoeden tot bedaering, ende 't landt in ruste te brengen’. 49 De prins trad gematigd op, richtte zich naar de beslissingen der Staten. Evenwichtigheid, met andere woorden, kwam er nu naar Hoofts opvatting in de binnenlandse situatie; een vorst als redder en voorzien van ruime bevoegdheden was niet meer nodig. Immers, als gezag in handen van te weinigen was gelegd, was misbruik snel mogelijk: in 1627 verkondigde Hooft tenminste in het algemeen, dat ‘de weenighte corruptibeler is als de meenighte’. 50 Dit alles had zijn directe doorwerking op de inhoud van de nu volgende geschriften van de drost. Daarin ging deze een middenweg bewandelen tussen de ideeën van zijn tweede levensperiode - die der Statensoevereiniteit - en die van zijn derde levensfase.

Vóór alles hield Hooft zich nu bezig met het werken aan zijn Nederlandsche Historiën. Zelf noteerde hij 19 augustus 1628 als de datum, waarop hij begon te schrijven aan het net-manuscript daarvan: het al tien jaar tevoren aangekondigde project was nu definitief ter hand genomen. Intussen werkte hij ook aan enkele nieuwe meditamenta voor zijn stijl en mentaliteit, kleinere geschriften die steeds weer moesten voldoen aan de eis, in zijn vorige levensfase gesteld: die van nauwe betrekking met het heden. Daarbij sloot bovendien de regelmatige vertaling van het hele historische oeuvre van Tacitus aan, waaraan hij waarschijnlijk in 1629 begon.

Alle oorzaken, op grond waarvan Hooft zich reeds vroeger met Tacitus had beziggehouden, lagen ook aan deze integrale vertaling ten grondslag; de aanleiding ertoe moet worden gezocht in de wens van zwager Baek om in het algemeen het Latijn machtig te worden, en meer in het bijzonder de denkbeelden van déze auteur. Belangeloos kwam Hooft aan die wens niet tegemoet: hij beschouwde zijn overzettingen als de tegenprestatie voor Baeks wekelijkse nieuwsvoorziening, voor diens kopiëren van grote delen van zijn Historiën en andere geschriften, voor het behartigen van zijn, Hoofts, materiële zaken, en voor het verwerven van nieuwe gegevens voor zijn vaderlands-historische arbeid via interviews of langs schriftelijke weg. 51

Intussen distilleerde Hooft zelf voortdurend stijllessen en staats-

[p. 34]

manswijsheid uit de geschriften van de klassieke schrijver - daarvan leggen vele opmerkingen, voorkomend in zijn brieven, getuigenis af. Tacitus bleef voor hem een ‘bron van wereldtwijsheit’. 52 Oorlogshandelingen nam hij in diens werk op de koop toe; daarvan vertelt hij dat zij hem ‘niet zoo wel en monden, als 't bespieghelen van belejdt en tegenbelejdt in stof van regeringen omgaende. Immers deze voeren mijne gedachten ernstigher speelen’. 53 Die gedachten brachten Hooft nu tot opmerkingen over zaken, die in zijn vorige levensperiode slechts impliciet aan de orde waren gekomen. Zo bleek zijn afkeer van tirannie nog steeds aanwezig toen hij, na de vertaling van het overlijdensverhaal van Tiberius, verzuchtte: ‘Zaelighe werelt, waer de dwingelandije met hem gestorven’. 54 Uitspraken als deze tonen ons aan, dat Hooft aan Tacitus in deze jaren niet langer alleen materiaal ontleende om, zoals voorheen, de goede vorst mee te schilderen. Uit de verhalen van de antieke auteur omtrent de verdorvenheid van de keizers na Augustus zal hij eens temeer hebben geleerd, hoezeer het monarchale systeem ook zijn schadelijke kanten had. Genuanceerder dan voorheen benaderde Hooft thans tenminste het vorstelijk handelen - en ook daarvoor leverde Tacitus stof te over.

Slechts voor intern gebruik was de Tacitus-vertaling bestemd, als onderbouw voor de Nederlandsche Historiën onder meer. Publicatie ervan beoogde Hooft niet, mogelijk alleen al niet, omdat de werkelijk geïnteresseerden Tacitus in zijn oorspronkelijke versie konden bestuderen, en de minder belezenen de wijsheid van de antieke schrijver toch niet zouden kunnen vatten, omdat deze geen moderne geschiedenis behandelde.

Nog een tweede reeks vertalingen kwam mede op verzoek van zwager Baek tot stand. Deze betrof de Ragguagli di Parnaso van Trajano Boccalini (1556-1613), die Hooft zijn zwager in 1629 en 1630 regelmatig toezond onder de titel Nieumaren uit Parnas. Journalistieke schetsen waren dit, vol satire, over geleerden en kunstenaars, politici, historici en zovele anderen uit het heden en recente verleden. De materie was van lichter gehalte dan Hoofts eigen geschiedwerk; de drost hield zich er dan ook, naar eigen zeggen, voor ontspanning mee bezig. Het vertalen ervan scherpte zijn geest voor het interpreteren van zijn eigen bronnen, het punt-

[p. 35]

te tevens zijn stijl. 55 Tegelijk voldeden deze schetsen aan de eis van aansluiting bij de eigen tijd, en stemden ze de vertaler tot nadenken omtrent de beoordeling van vorstelijk optreden. Ook Boccalini had namelijk in principe afwijzend gestaan tegenover de monarchie, en die slechts als noodoplossing aanvaard. Voortdurend stelde de Italiaan dan ook misstappen van vorsten en andere staatslieden aan de kaak. Maar daarin ging Hooft toch niet steeds met hem mee; diverse malen gaf hij in zijn brieven aan Baek te kennen dat Boccalini naar zijn oordeel te ver ging. Ook hier werd de nuancering in Hoofts opvattingen weer zichtbaar. Zeker, de hertog van Alva, die diverse malen door Boccalini onder het mes genomen werd, bleef ook voor de Muider drost een ‘dwingelant’, een man die ‘zaken van staete… onnae zoo wel niet verstont als 't stuk vanden oorlogh’. 56 Maar niet wenste Hooft Boccalini's redenering te volgen, dat van iedere vorst loze streken te verwachten moesten zijn, dat ook een werkelijk goede koning nog slechte bijbedoelingen had: Hendrik IV, door de Italiaan harder aangepakt dan de drost aangenaam was, werd door hem als bewijs voor Boccalini's ongelijk aangevoerd. 57

Dezelfde nuancering vinden we in een werkje van enkele jaren later, dat Hooft eveneens als een produkt van ontspanning aan zijn vrienden presenteerde. In februari 1636 zond hij aan zijn militaire adviseur Jacob Wytz een manuscript ter lezing, getiteld Rampsaligheden der verheffinge van den Huize van Medicis, een familiekroniek vol moord en doodslag, doorlopend tot in het meest recente verleden, en spelend binnen kaders, vergelijkbaar met die der Lage Landen. De Florentijnse republiek, kampend met interne moeilijkheden, had in zekere vormen van eenhoofdig gezag middelen gezocht om uit de problemen te komen. Leden van de Medici-familie werden meermalen tot de hoogste functies verkozen en verrichtten hun taak soms zeer goed. Echter, zou Hooft in zijn vorige periode op dit punt zijn gestopt, nú ging hij met zijn verhaal - en dus met zijn lessen - verder. Niet alle Medici bleken zo voortreffelijk, schurken en machtswellustelingen waren er ook onder hen. Die beide polen binnen één familie wilde Hooft in dit werkje tonen; hij beschreef ze

[p. 36]



illustratie

7. Hoofts huis aan de Amsterdamse Keizersgracht, ca. 1767
Omdat het Muiderslot in de wintermaanden nogal onherbergzaam was, verbleef Hooft met zijn gezin gedurende de winters vanaf 1616-1617 steeds in Amsterdam. Aanvankelijk trok hij dan bij zijn ouders in, in hun huis aan het Singel. Waarschijnlijk pas na het overlijden van zijn beide ouders (1626 en 1627) en de sluiting van zijn tweede huwelijk, en in ieder geval vóór april 1631 huurde hij zelf een huis. Dit stond aan de Keizersgracht, later nummer 65, tegenover de Groenlandse pakhuizen. Het huis is omstreeks 1620 in de uitleg van 1612 gebouwd door Claes Jansz. Langedijk, huistimmerman, die ook eigenaar was. Na Hoofts dood kocht Leonora, zijn weduwe, het in 1651 van de kinderen van de bouwer.
Ets, fragment uit het Grachtenboek van Caspar Philips Jacobsz., ca. 1767.
Gemeentelijke Archiefdienst, Amsterdam.


[p. 37]
geensins om de glori van die doorluchtighste en waardighlijk gróótachtbaarste stamme… te bezwalken: gemerkt de snóódtheit van eenige spruiten, niet dan tót schaaduwen dienen konnen, om het dapper bedrijf der vróóme te diepen, en bet te doen afblaaken. Geene geslachten der aarde zietmen, zelfs dat van onzen Heere Christus niet, in elk lidt even zuiver. 58

Een goed vorstenhuis liet toch zwakke plekken zien, moest de weelde van het gezag leren dragen, en kon dat met name doen door te letten op zijn voortreffelijkste leden. Hier echter liet de drost het niet bij: ook de andere zijde van de staatkundige gemeenschap, de geregeerden, betrok hij in zijn verhaal. Hij schetst oproeren en staatsgrepen, vooral bedreven of gestimuleerd door concurrerende geslachten, ballingschap en terughalen van Medici door andere groepen van de bevolking. De onderdanen moesten eveneens wennen aan de zich steeds verder wijzigende bestuurssituatie. Pas wanneer deze partijen hun positie hadden leren kennen en accepteren, zou een nieuwe evenwichtstoestand intreden.

Met zóó meenigerley ramp van weederstreeving, verlaaging, ballingschap, hóón, beróóftheit, anxt, kommer, verraadt, vlught, vankkenis, vermóórdt worden oft móórden; 't welk bij de vróómen eeven ellendigh is, heeft de fortuin de verheffing van 't huis Medicis opgewóógen, tótdat het, verouwlijkt in de Vorstelijkheit allengskens verdraaghlijk wert, en zijn voorspoedt draagen leerde. 59

De Rampsaligheden waren, naar het mij voorkomt, de spiegel waarin Hooft Oranje èn de regenten de gevaren wilde laten zien die kleefden aan het najagen van eenzijdige belangen, en de noodzaak van onderlinge samenwerking ten bate van de rust in de staat. Zoals de monarchale positie der Medici te rechtvaardigen was door het feit dat dezen andere hogere functionarissen beschermden tegen dreiging uit het volk, zo was ook een sterke positie van Oranje aanvaardbaar, naast en ter beveiliging van een actieve regentenstand. Niet alleen hierin kwamen intussen Hoofts nieuwe uitgangspunten naar voren. Zij blijken er ook uit, dat

[p. 38]

twee-derden van de Rampsaligheden zich afspeelden nà 1520: zij behoorden dus tot de recente geschiedenis. Toch kwam het tijdens Hoofts leven niet tot publicatie van dit geschrift. Of hij die welbewust heeft vermeden, wordt niet duidelijk. Wèl liet hij het manuscript lezen door dezelfde vrienden, die ook gedeelten van zijn Historiën kritisch voor hem doornamen. 60 Negatieve opmerkingen ontving hij, voor zover bekend, van hun kant niet. Het lijkt daarom niet onaannemelijk, dat Hooft de uitgave ervan wel beoogde, maar daarmee geen haast heeft gemaakt, omdat de les, in de Rampsaligheden gegeven, onder de omstandigheden van deze jaren niet zo dringend noodzakelijk was, en de Nederlandsche Historiën tegelijkertijd al zijn aandacht gingen opeisen.

In de Nederlandsche Historiën komen in feite alle onderwerpen, door Hooft in zijn vroegere geschiedwerk - in proza of poëzie - behandeld, opnieuw aan de orde, nu echter benaderd vanuit de genuanceerde opvattingen van zijn latere jaren. Weer wilde de drost de Nederlanders lessen leren, thans echter uit hun eigen recente verleden, dat in wezen nog onvoltooid was. De oorlog immers, zo memoreert hij al op de tweede bladzijde van zijn boek, wordt ‘nu (dat wil zeggen 1641) in 't drientzeventighste jaar gevoert’, duurt dus nog voort; of elders: het gaat in dit werk om ‘de zaaken onzer eeuwe’. 61 Betekent dit, dat de drost met zijn beschrijving wilde komen tot zijn eigen dagen toe, evenals in de Rampsaligheden? Een brief aan Huygens van 29 december 1628 - de eerste waarin Hooft over zijn nieuwe werk repte - doet dit wel vermoeden. Daar schrijft de drost, dat hij Constantijns ‘staet inden staet, verdiensten ende waerdij’ in zijn Historiën wil vermelden; Huygens' grote daden immers vroegen erom te worden benut ‘om etlijke bladstukken met de verwe derselve te hooghen, ende te doen ujtsteken.’ 62 Uit een dergelijke bedoeling, de eigentijdse vaderlandse geschiedenis te behandelen, valt wellicht mede Hoofts groeiende belangstelling voor het gebeuren van alledag te verklaren, waarvan, zoals gezegd, zijn briefwisseling met Baek voortdurend getuigenis aflegt. Toch baarde zijn streven naar actualiteit hem meermalen grote zorgen. Soms namelijk moest hij toegeven, dat zijn onderwerp in feite niet zo recent meer was, dat het zich afspeelde binnen kaders, verschillend van de eigen-

[p. 39]

tijdse. Zo klaagde hij erover dat, ten tijde van Alva en Requesens, ‘de forme van den staet, haest onherkenbaer’, onontwarbaar was door alle afzonderlijke privileges die nog golden, en hoopte hij dat die ‘met der tijdt zal beginnen te vermeukelen (= gladder worden) en aen eenigh noemelijk aengezicht te raeken’. 63

Ook andere eisen, door hem zelf aan zijn geschiedschrijving gesteld ten bate van de diepgang daarvan, plaatsten hem nu en dan voor grote problemen. Oorzaken en gevolgen waren niet altijd eenvoudig te vinden; met name betreffende Don Juan bleek ‘de waere wortel zijns toelegs swaerlijk na te delven’. 64 Niet anders was het gesteld met het trekken van lijnen dwars door diverse perioden heen. Alweer speelden de handelingen van Don Juan de drost daarbij parten, nu omdat hij vreesde, zich daarvan ‘de draedt… te laeten ontslippen, overmits de swaerigheit van 't rechte eindt weder te vinden’. 65 En later, ten tijde van Leicester, was het niet anders. 66 Jan Romein heeft geponeerd, dat Hooft tot de generatie van historici behoorde, die het gebeuren dat zij beschreven in één greep wilden vatten, door juist dwars door dat gebeuren lijnen te trekken en achtergronden ervan te ontwarren. 67 Romein gaat in deze these wel iets te ver, hij verwacht teveel eenheid, een te modern produkt. Maar, als we zijn woorden afzwakken tot een streven naar samenhang in het verhaal, dan bewijzen Hoofts uitspraken, dat de drost daarnaar inderdaad streefde, zoals ook de inhoud van de Historiën dat bewijst. Zij geven tevens aan hoezeer de auteur zuchtte onder het juk, dat hij zichzelf had opgelegd.

Inhoudelijk voerde de materie, die hij wilde behandelen, Hooft als vanzelf terug naar het thema van zijn tweede levensperiode - de gerechtvaardigde strijd tegen de tiran. De opstand immers was gericht tegen de dwingelandij, die al onder de Bourgondische hertogen was begonnen en door de Habsburgers was voortgezet. Dezen, ‘waanende 't Recht t'ontwassen’, 68 hadden de bevolking geknecht en de Staten van hun invloed getracht te beroven. Het recht der Staten, in zijn derde periode naar de achtergrond gedrongen, verdedigde Hooft nu opnieuw, gebruik makend van de argumenten die in de Hollandse traditie reeds lang hun plaats hadden gekregen, maar die niettemin onhistorisch waren. Met

[p. 40]

name moest nu het Groot-privilege van Maria van Bourgondië als bewijs dienen voor de eeuwigdurende erkenning van de Bourgondiërs, dat de Statencolleges bijeen mochten komen zonder toestemming van de landsheer 69 - hoewel dat stuk zijn rechtskracht allang had verloren.

Toch - en hier valt de evolutie in Hoofts denken weer te signaleren - waren in de Historiën de dwingelanden niet meer volstrekt verdorven. Van figuren als Karel V en zelfs Alva schildert de auteur een aantal goede trekken eerst, maar daarop volgen wèl de slechte - en die krijgen door hun plaatsing meer nadruk. Zo noemt Hooft keizer Karel ‘wakker van geest, dapper van moedt’, standvastig, met vooruitziende blik begiftigd, tot dragen van voor- en tegenspoed in staat, ijverig en godvruchtig. Maar tegelijk vertrapte Karel de bestaande rechten, overschreed hij de grenzen van het moreel toelaatbare, en toonde hij zich in wezen een Machiavellist. 70 Zo wijst Hooft op Alva's veldheerstalent, op zijn trouw aan zijn meester - maar daartegenover plaatst hij diens wreedheid, zijn gebrek aan politiek inzicht waardoor hij meende via militaire terreur te kunnen regeren. 71 En ook een zachtaardiger man als Requesens toonde zijn boze kanten: deze immers trachtte, met voorbijgaan van de Staten, belastingen aan de Nederlanders op te leggen. 72

De Statencolleges, met het recht dus aan hun zijde in opstand gekomen, zochten voor hun zaak steun bij vorsten van wie zij iets goeds meenden te kunnen verwachten. Ziedaar, als tegenthema, het onderwerp van Hoofts derde levensfase. Echter, weer nuanceert hij nu. Niet al deze ogenschijnlijk ideale vorsten bleken ook werkelijk zo ideaal. Men zie Anjou. Deze wilde wel belangeloos de opstandelingen helpen, zich aan het gezag der Staten onderwerpen, en orde en tucht handhaven of, waar die verdwenen waren, herstellen. Maar in 1583 liet hij zich door zijn kwade raadslieden opstoken tegen die zelfde Staten, en kwam hij ertoe, diverse steden in het Zuiden te veroveren om zijn positie te versterken, hetgeen uitliep op de Franse furie. Toch oordeelt Hooft niet te hard over de hertog, en noemt hij bij diens dood vooral zijn goede eigenschappen. 73 Men lette ook op Leicester, die haakte naar ‘ydele gloori’, die een veel groter gezag in de Neder-

[p. 41]

landen

illustratie

8. Pagina uit het manuscript van Hoofts Nederlandsche Historiën
Deze bladzijde toont een groot aantal doorhalingen en correcties, door Hooft waarschijnlijk omstreeks 1638 aangebracht. Temidden ervan is de beroemde passage te lezen: ‘Ick gae een werk aen, dat opgeleidt is van lotwissel en menigherleij geval’. Deze passage is zeer nauw verwant aan een alinea uit het begin van de Annales van Tacitus.
Manuscript in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.


[p. 42]

landen najaagde dan koningin Elisabeth hem had toegestaan, die geen instructie van de Staten wilde accepteren, en door zijn contact met de orthodoxe calvinisten slechts tweedracht zaaide. 74

Slechts één man bleek werkelijk zonder eigenbaat te willen optreden en de rechtsorde te eerbiedigen: Willem van Oranje. Meer geprofileerd dan in Hoofts vroegere werk is de prins thans geworden; in feite vindt men in hem trekken terug van Gijsbert van Aemstel, de verdediger der Staten, van Baeto en Hendrik IV tegelijk. Hooft maakte hem tot de held van zijn werk, de stichter van de Republiek der zeven gewesten, maar bleef - en dit is merkwaardig - duidelijk onder de maat toen hij aan het eind van zijn twintigste boek de prins in één korte levensschets gestalte wilde geven. Willem inspireert, stimuleert, geeft moed als die bij sommigen in de schoenen zinkt, maar zoekt de macht niet. Steeds opnieuw geeft hij juist blijk van zijn erkenning van de hoogheid van ridderschap en steden. In 1572 reeds had de prins slechts ‘by goedtvinden der Staaten’ gehandeld; in 1580 bijvoorbeeld onderstreepte hij nog eens, dat in de opstand der geünieerden de Staten-Generaal de leiding hadden, en hield hij hun voor:

Handhaaft uwe vereening, en schikt, immers zoo vlytigh met der daadt als met woorden en schriften, te betraghten den zin van 't busselken verknochte pylen, dat ghy in uw blazoen voert.

Zelfs toen Willem in 1583-1584 de grafelijkheid van Holland en Zeeland kreeg aangeboden, stond hij erop, de rechten der Staten te respecteren, hun onder meer de bevoegdheid latend ‘te verzaamen zoo dikwyls als zy zulx oorbaar achten’. 75 Slechts een beperkte soevereiniteit zou hem toevallen, overeenkomstig het Groot-privilege.

Echter, de moord op de prins maakte aan alle plannen plotseling een einde. Tegelijk bood deze gebeurtenis Hooft de mogelijkheid, een voorlopig slot aan zijn werk te geven. In het verhaal van de periode 1555-1584, dat onder zijn kunstenaarshanden epische trekken had gekregen, was de prins eigenlijk de hoofdpersoon geworden. Zijn dood was dus een dramatisch moment in de geschiedenis van de opstand. Dit temeer, omdat net op dat ogenblik de

[p. 43]

nieuwe Nederlandse staat, in 1581 tevoorschijn gekomen uit de strijd tegen de tirannie, in Hoofts visie zijn juiste bestuursvorm had gevonden.

Maar de ontwikkeling was verder gegaan, nieuwe onrust volgde, vooral door het drijven van Leicester en de zijnen. In plaats van goede samenwerking tussen de vertegenwoordiger van koningin Elisabeth en de Statencolleges kwamen tussen beiden tal van tegenstellingen op. Ook van deze periode nam Hooft de beschrijving ter hand, maar die vlotte niet erg. De Leicestertijd was verward, de rode draad dikwijls moeilijk te vatten; en tegelijkertijd zorgde Hoofts verslechterende gezondheidstoestand nogal eens voor ongemak bij het schrijven. In feite verzandde zijn verhaal nu enigszins. Toch wilde hij, schreef hij in maart 1647, in ieder geval nog tien boeken aan de vorige twintig toevoegen. 76 Hij zou dan, aldus luidt een hypothese van Jan Romein, uitkomen in 1588, het jaar van de Armada en de definitieve vorming van de Nederlandse Republiek. 77 En eigenlijk, zo blijkt het uit dezelfde brief, wilde Hooft nog wel verder gaan dan boek dertig, wilde hij - zoals steeds zijn streven was geweest - dichter bij zijn eigen tijd komen. Echter, tegelijk vreesde hij, dat hem daartoe de krachten zouden ontbreken. Die vrees bleek maar al te reëel, want reeds op 21 mei 1647 werd de drost door de dood overvallen. Hij werkte toen nog aan boek zeven-en-twintig: zelfs het Vervolgh van zijn Historiën moest hij dus al onvoltooid achterlaten.

Had dat Vervolgh voor de boodschap, die Hooft via zijn magnum opus wilde uitdragen, niet evengoed ongeschreven kunnen blijven? Men is geneigd, op deze vraag ja te zeggen. Maar toch! Het streven van de drost was gericht geweest op het beschrijven van het recente verleden, omdat de lessen dááruit voor zijn tijdgenoten duidelijker zouden zijn dan die uit een vroegere tijd. Dat streven had hem steeds voortgedreven. Het was er de oorzaak van, dat Hooft geen vast eindpunt voor ogen had gehad, niet toen hij in 1628 aan de Historiën begon, en ook later niet. Als hij al tijdstippen is gaan overwegen voor een slot ervan, dan zullen die hem veeleer door noodzaak dan door wenselijkheid zijn opgelegd. En zeker niet doordat hij aan zijn werk een dramatische opzet had meegegeven, die hem tot een bepaald slot dwong. Het

[p. 44]

Vervolgh móest hij derhalve wel schrijven.

Toch heeft Hooft in de eerste twintig boeken al een duidelijke boodschap laten opklinken, vooral door zijn nadruk op het optreden van Oranje. De traditie, waarin hij was opgegroeid, voor zover die vorstenmacht had verworpen, bleek de auteur te hebben losgelaten. Met name bij zijn beschrijving van de aanbieding van de grafelijke waardigheid aan prins Willem kwam dit tot uiting; geen woord van afkeuring vloeide hem met betrekking tot Oranjes grafelijkheid uit de pen, terwijl zijn vader zich daarvan in het openbaar een verklaard tegenstander had getoond. 78 Maar van terugdringen van de Statenmacht, zoals de Baeto had laten zien, was nu evenmin nog sprake. De nuanceringen, die Hooft in de laatste jaren had aangebracht in zijn waardering van de vorstenmacht in het algemeen, hadden hem wat betreft de Nederlandse Republiek doen kiezen voor een gedeelde soevereiniteit tussen stadhouder en Staten, voor een regnum mixtum. 79 Hij juichte het dan ook toe als hij een dergelijke bestuursvorm in het verleden aantrof, zelfs als zich daar de noodsituaties voordeden die hij voorheen door een monarch met vèrstrekkende volmachten had willen laten oplossen. Dit alles hield Hooft voor aan Frederik Hendrik, met zoveel woorden zelfs, door de Historiën aan de prins op te dragen. Naar het voorbeeld van vader Willem zou thans de zoon de Lage Landen moeten dienen: niet meer als rechterhand van de Staten, evenmin als een ietwat overbelicht monarch, maar als een eminent hoofd met een eigen taak, staande naast ridderschap en steden. De middenweg, waarvoor Hooft in deze laatste levensfase had gekozen, was nu duidelijk aangegeven.

Conclusie

Op 5 augustus 1636 zond Barlaeus enkele epigrammen aan Pieter Corneliszoon Hooft, met het verzoek deze te lezen, ‘nisi te Principum casus, imperiorum vices, populi furores, castra classicaque totum habent’ - ‘als tenminste de lotgevallen van vorsten, de wisselingen van heerschappijen, woedeuitbarstingen van

[p. 45]

de bevolking, kampementen en klaroenen uw aandacht niet volledig opeisen’. 80 Het komt mij voor, dat de zaken waardoor de Muider drost werd beziggehouden, door Barlaeus niet toevallig op deze manier, en in deze volgorde werden opgesomd. Toen Hooft eenmaal zijn jeugdjaren was ontwassen, trok de politiek steeds meer zijn aandacht. De lessen, die hij als pragmaticus uit het verleden wilde putten, waren dan ook vóór alles van politieke, en daarmee verbonden moraliserende aard, en steeds meer bedoeld voor vorsten en regenten. Pas daarnà kwamen wijze opmerkingen op andere terreinen, van beperkter strekking veelal, en niet speciaal tot bestuursfunctionarissen gericht. De inhoud van Hoofts lessen werd meegeslingerd met de golfslag van het politieke gebeuren tijdens zijn gehele leven. Was aanvankelijk de verdediging van de opstand, en bijgevolg van het bestaan van de Republiek eerste eis, en vroeg vervolgens het voorkomen van een dreigende burgeroorlog de volle aandacht - tenslotte werden Hoofts opvattingen vooral bepaald door de evenwichtssituatie, die hij tijdens Frederik Hendrik meende te kunnen bespeuren. Hierbij koos hij de historische thema's waarin hij zijn boodschap wilde verpakken, en de vorm waarin hij die thema's zou gieten. Willekeurig was die keuze bepaald niet. Vanaf 1618 stond het bovendien voor hem vast, dat hij zijn onderwerpen alleen uit het recente, dus meest begrijpelijke deel van het verleden zou moeten putten, om ze optimaal van nut te doen zijn voor de eigentijdse staatkunde.

Dit alles betekent, dat degene die de invloeden, welke inwerkten op Pieter Corneliszoon Hooft, wil bezien, rekening moet houden met factoren van geheel verschillende duur en intensiteit. Sommige daarvan bepaalden Hoofts gedachtenwereld zijn leven lang, andere hadden een kortere, maar misschien tegelijk heviger invloed daarop. Tot deze laatste categorie zou ik de politieke omstandigheden willen rekenen. Veranderingen daarin brachten niet alleen wijziging in de praktische oplossingen door Hooft aangevoerd; zij voerden bovendien tot de beklemtoning van andere aspecten of waarden bij auteurs, die reeds in vroegere levensfasen door de Muider drost waren geraadpleegd. Zo meen ik, dat Hoofts ontlening van denkbeelden aan Tacitus, door Cornelissen

[p. 46]

op boeiende wijze uiteengezet, meer nuancering behoeft, dat meer nog dan is gedaan de situatie van het moment en het onderwerp van de ontlening op elkaar moeten worden betrokken.

Veel onderzoek naar de invloeden, die in de werken van P.C. Hooft terug te vinden zijn, moet nog verricht worden. Daarbij dient naast het feit dat de drost gedachten heeft ontleend aan geschriften van eigentijdse en klassieke auteurs, voortdurend rekening te worden gehouden met een relatie tussen de praktisch-politieke situatie van zijn dagen enerzijds, en anderzijds zijn eigen werken waarin historische onderwerpen aan de orde komen.