In zijn Beschrijvinghe van Batavia, geeft de predikant François Valentijn, die van 1685 tot 1695, en opnieuw van 1707 tot 1713, in Ambon was gestationeerd, de taalsituatie weer zoals hij deze aan het eind van de zeventiende en aan het begin van de achttiende eeuw in Batavia aantrof:
‘De gemeene taalen, van welke men zig op Batavia bediend, zyn de Portugeesche, lage Maleitze, en Nederduitsche. Men heeft daar ook wel de Javaansche, Chineesche, en alle de andere taalen der volkeren, die hier zyn; maar het is voor hun zelven, dat zy die met hun eigen volk spreken, en verder werd'er geen werk af gemaakt by andere; dog de Portugeesche en de Maleitze taal zyn de twee taalen, waar mede men niet alleen op Batavia, maar zelf door gansch Indiën, tot in Persiën toe, met allerlei volkeren te recht kan raken. Men had egter beter gedaan met onze taal geheel en al, gelyk de Portugeezen de hunne van eersten af aan ingevoerd hebben, alomme waar zy quamen, mede in gebruik te brengen.’ (Valentijn 1726, IV-1:366-7.)
Drie talen spelen in de tijd van de VOC dus een belangrijke rol: Portugees, Maleis en Nederlands. Zoals we zullen zien, is deze volgorde doelbewust door Valentijn zo gekozen. Het zijn deze drie talen die voor de VOC van belang waren; men leerde en sprak in die tijd in VOC-kringen geen Inheemse talen, zoals Soendaas of Javaans, laat staan een vreemde taal als het Chinees. Voor zover de VOC rechtstreeks contacten onderhield met de vele volkeren waar zij mee in aanraking kwam in Oost-Indië, werd gebruik gemaakt van Maleis of Portugees, beide reeds lang voor de komst van de VOC als ‘lingua franca’ in gebruik, of men maakte gebruik van de diensten van ‘translateurs’. De behoefte aan kennis van de Inheemse talen ontstaat pas in de negentiende eeuw, wanneer de overheid een intensievere en rechtstreekse bemoeienis krijgt met de Inheemse bevolking.
In de gehele VOC-tijd zijn alle taalpolitieke kwesties aldus betrokken op de verhouding van het Portugees, het Maleis en het Nederlands. Na een beschrijving van de taalsituatie zoals deze door de Nederlanders bij hun komst in de Indonesische archipel werd aangetroffen, zal worden nagegaan welke rol er in de zeventiende en achttiende eeuw aan het Nederlands werd toegedacht en welke rol het Nederlands in de praktijk heeft gekregen. Van

VOC-bezittingen in Azië
van welke omgangstaal deze zich bedienden en in hoeverre deze kennis hadden of kregen van de Nederlandse taal. Dat de rol van het Nederlands zeer bescheiden is geweest, heeft Valentijn in zijn veroordeling van de Nederlandse taalpolitiek in het bovengegeven citaat reeds duidelijk verwoord.
Centraal in de aandacht staat de taalsituatie zoals die in de bestuurlijke hoofdstad van de VOC-vestigingen in Azië, in Batavia, heeft bestaan. Het belangrijkste beleid werd daar gevormd en uitgevoerd, hoewel men moet bedenken dat de contacten tussen Nederland en Batavia, en ook die tussen de verschillende handelsvestigingen in Oost-Indië over en weer, beperkt waren door de zeer tijdrovende verbindingen, waardoor elke handelsvestiging min of meer haar eigen beleid voerde. Eenheid in beleid werd echter weer bevorderd door het feit dat veel functionarissen van de VOC in diverse vestigingen in Azië werkzaam zijn geweest. Hierbij moet men overigens bedenken dat het machtsgebied van de VOC niet alleen het gebied omvatte van de huidige Indonesische archipel, maar het gehele gebied ten oosten van de Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magelhaen. Belangrijke handelsvestigingen van de VOC buiten de Indonesische archipel waren er aan de kust van Malabar, Guzuratte, Coromandel en Bengalen in Voor-Indië (India), in Ceylon (Sri Lanka), Malaka (in Maleisië), Formosa (Taiwan) en Deshima (in Japan). De meeste van deze vestigingen waren echter vaak niet meer dan handelsposten van beperkte omvang, met slechts enkele tientallen VOC-employés en soldaten. Slechts enkele handelsposten groeiden uit tot omvangrijkere vestigingen; daar was sprake van kolonisatie. Van de vestigingen binnen de Indonesische archipel werden in de VOC-tijd die te Batavia en op de Molukken veruit de belangrijkste en omvangrijkste, en daarbuiten die op Formosa (1624-1662) met als centrum
Tayouan, en Ceylon (1656-1795) waar Colombo na de overwinning op de Portugezen in 1656 de voornaamste VOC-vestiging werd na Batavia.9 In deze VOC-centra is sprake geweest van daadwerkelijke volksplantingen en daardoor van activiteiten op het gebied van de Christelijke (Hervormde) godsdienst en van onderwijs, met de daaraan verbonden taalpolitieke consequenties. Staat Batavia als hoofdkwartier van de VOC in de volgende beschouwing centraal, met op de tweede plaats Ambon als het centrum der Molukken, enige aandacht zal daarnaast geschonken worden aan de taalsituatie, en met name aan de plaats van het Nederlands, op Formosa en op Ceylon, voor zover dit de taalpolitiek van de VOC in de Indonesische archipel zal kunnen verduidelijken.
Al lang voor de komst van de Nederlanders in het Oosten, werd het Maleis in de Indonesische archipel, maar ook in vele gebieden daarbuiten, gebruikt als contacttaal en als handelstaal. Al voor het jaar 700 zou het Maleis deze rol hebben gekregen in het westelijk deel van de archipel, maar later - in elk geval in de vijftiende eeuw - ook in het oostelijk deel van de archipel (Collins. 1980:3-5; Drewes 1948:14; Steinhauer 1980:350-6). De door Antonio Pigafetta samengestelde Italiaans-Maleise woordenlijst van 1522 is gebaseerd op het in de Molukken gesproken Maleis (Teeuw 1961:12).
De Portugezen achtten kennis van deze ‘lingua franca van het oosten’, zoals zij deze taal noemden, onontbeerlijk voor succesvol handeldrijven.
Correspondentie van de Sultans van Atjeh, Ternate en Makassar met de Europeanen verliep in het Maleis; en zowel Islamitische als Christelijke missionarissen gebruikten het Maleis om hun godsdienst te verbreiden. ‘Malay stood beside the indigenous languages as a language among traders, a language of the cultural elite, a proselytizer's tool’ (Collins 1980:4). Het fungeerde niet alleen als een contacttaal tussen Europeanen en Inheemsen, maar ook als contacttaal tussen Inheemsen van verschillende gebieden, eilanden of landen: ‘The multiethnic insular traders, Malay, Makassarese, Javanese, Chinese and Arabic and later European, used it daily and the natives of one island (even of one village) used it to speak to people of other islands (and villages)’ (Collins 1980:12). De Portugezen gebruikten het Maleis in elk geval op de Molukken als taal bij hun missiewerk en bij het daarmee verbonden onderwijs. Ze beschouwen het als het Latijn van het oosten. Jan Huygen van Linschoten meldt in zijn Itinerario (1596) dat ‘die in Indien die sprake van Malaye niet en can, die en mach niet me, ghelijck by ons het Fransoys’ (Kern 1910, I:74).10 Het Maleis werd door de Europeanen sterk geassocieerd met de Islam, die voor een groot deel door middel van deze taal in de archipel was verspreid.11 De Portugezen en later de Nederlanders hadden volgens Steinhauer (1980:357) dan ook geen andere keus dan dit gebruik van het Maleis bij hun Katholieke respectievelijk Protestantse bekeringsarbeid te continueren.
In zijn Beschrijvinghe van Malakka geeft Valentijn de volgende prachtige beschrijving van het Maleis:


‘Hunne taal, Bahasa Malajoe, dat is, de Maleytse taal, 't zy na 't volk, 't zy na 't land, genaamd, werd niet alleen op die Kust, maar als een taal om malkanderen alomme te verstaan, en om by allen te regt te geraken, geheel Indiën door, en in alle de landen van 't Oosten, even eens als 't Fransch of Latyn in Europa, of als de Lingua Franca in Italien, of in de Levant, gebruikt, zoodanig dat men, die taal kennende, nergens zal verlegen staan, om dat zy zelf tot in Persiën toe, en verder aan die kant, en tot in de Philippines, van groot gebruik en verstaanbaar is. Men houd hem voor een slecht opgevoed mensch in 't Oosten, die deze taal niet verstaat’. (Valentijn 1726, V-1:310.)
Het hier bedoelde Maleis is vaak aangeduid als Laag-Maleis of ook wel als Pasar-Maleis12, omdat het gaat om een vereenvoudigde vorm, een pidgin-vorm13, van het Maleis, zoals dat in hogere sociale kringen bij bepaalde gelegenheden werd gesproken in het gebied aan weerszijden van de Straat van Malaka, een taal die Hoog-Maleis werd genoemd. Deze vereenvoudigde variant van het Hoog-Maleis wordt reeds in de tijd van de VOC, zoals ook later in de negentiende en twintigste eeuw, in Europese kringen in het algemeen geminacht. In die tijd acht men het Laag-Maleis eigenlijk helemaal geen volwaardige taal. In de zeventiende eeuw wordt daar in elk geval door Valentijn genuanceerder over gedacht. In zijn Beschrijvinghe van Amboina geeft hij eerst een uiterst positieve omschrijving van het Maleis zoals dat in de Molukken, maar ook ver daarbuiten, wordt gebruikt als algemene omgangstaal in zaken van bestuur, gerecht, godsdienst, onderwijs en handel. Vervolgens probeert hij misverstanden die er bestaan omtrent het verschil tussen Laag- en Hoog-Maleis uit de weg te ruimen.
‘Dit is een heerlyke, voortreffelyke, soetvloejende, en ryke taal, die, nevens de Portugeesche, de Taal is, met welke men gansch Indiën door, zelf tot in Persiën, Hindostan, en China toe, kan te rechte geraken; dog met dat onderscheid, dat de Portugeesche verder om de West, en de Maleytsche verder om de Oost van Indiën doortrokken is [...] en van een algemeyn gebruyk, of byna even eens, als de Latynsche, of Fransche Taal in Europa, geworden is. [...]
Die Taal nu is (wat ook sommige daar tegen hebben mogen druysen) tweederley,
de Hooge, dat is, het Maleyts, dat men onder de Grooten aan de Hoven, in de zaaken van den Mohhammedaanschen Godsdienst gebruykt, of het Lage, dat is, het Pasar, en Markt-Maleyts, dat men dagelyks, en onder de Gemeente spreekt’. (Valentijn 1724, II-1:244.)
Het Hoog-Maleis is volgens Valentijn zelfs in het gebied rond de Straat van Malaka geen gewone omgangstaal, maar slechts een soort van geheimtaal waarin allerlei hofzaken en godsdienstzaken worden afgehandeld ‘om die voor de gemeenen man verborgen te houden’. Het functioneert evenals het Arabisch slechts als hoftaal en priestertaal, maar wordt zelfs aan het hof en door priesters onderling niet als dagelijkse omgangstaal gebruikt. Gewone mensen kennen deze taal in elk geval helemaal niet; zij gebruiken het gewone omgangs-Maleis, het Laag-Maleis, dat afhankelijk van streek en volk veel variatie in vooral woordenschat en uitspraak kent:
‘Behalven die Hooge Maleytsche Taal is 'er ook een lage, die, omdat zy van velerley Natien, ider na zyn eygen Taal, en tongval, zo wat getrokken, en ook zomtyds met deze en gene woorden, 't zy uyt het Portugeesch, 't zy uyt eenige andre Taal, vermengd werd, ook wel de naam of van Bahasa Katsjokan, dat is, de mengsel-Taal, of van Bahasa Pasara, dat is, markt-Taal, draagd, voor zo verre het die taal is, waar door de kooplieden, die op de markt met malkanderen handelen, te regt geraken, en malkanderen verstaan, 't geen men wel denken kan, dat onder zo veelerley volkeren zoo net niet toegaat, of 't ander woordje van hun eygen, of van een andere taal, die zy beter, dan 't Maleytsch, kennen, 't geen zy voor die tyd gebruyken en 'er inlasschen, om zig 'er maar door te redden.’ (Valentijn 1724, II-1:244.)
Valentijn bestrijdt de opvatting als zou het Laag-Maleis geen volwaardige taal zijn. Als bewijs daarvoor wijst Valentijn op de Bijbelvertaling die hij in het Laag-Maleis heeft gemaakt, waarbij het onnodig is gebleken om vreemde woorden in te lassen.14 Het is volgens hem onjuist te zeggen ‘dat men maar eene zuivere Maleytsche, en dat 'er buyten die nog wel een bastaard en Mengsel-Taal gesproken word, die niet geagt, van geen gebruyk, nog geen taal op zig zelven is’ (Valentijn 1724, II-1:245). Als men het Laag-Maleis een ‘quade Taal’ noemt ten opzichte van het Hoog-Maleis, meent Valentijn, ‘dan is 't Neerduits, in opzicht van de zuivere Hoogduytze, ook een quade Taal’ (Valentijn 1726, V-2:416). Hoewel de laatste vergelijking in geografische zin in elk geval niet opgaat, vinden we aldus bij Valentijn een,
ook voor zijn eigen tijd ongewoon, modern taalkundig inzicht in het verschijnsel taal.15
Het is dit Laag-Maleis in al zijn variatie, dat de Nederlanders bij hun komst in Oost-Azië als wijdverbreide lingua franca aantroffen en als hulp-taal zouden gaan gebruiken bij hun bestuurlijke, kerkelijke en onderwijskundige werkzaamheden. Het was toen al lange tijd de contacttaal tussen Inheemsen die elkaars taal niet kenden. De Portugezen hadden het gebruikt als godsdiensttaal en onderwijstaal, en onder de Nederlanders zou het Maleis deze functies behouden.
De Nederlanders troffen echter nog een andere lingua franca aan in de Indonesische archipel en dat was het vrijwel overal in Azië bekende en als tweede lingua franca gehanteerde Portugees. En evenals er bij het Maleis een onderscheid gemaakt wordt tussen Laag- en Hoog-Maleis, is dit het geval bij het Portugees, waar sprake is van Hoog-Portugees, dat in de hogere sociale kringen in Portugal werd gehanteerd en dat vooral als schrijftaal - het was de literaire taal en de taal van de Bijbel - ook buiten Portugal in de Portugese koloniën als bestuurlijke taal verspreid was geraakt, en van een vereenvoudigde vorm van het Portugees, het Laag-Portugees16, dat overal
gesproken wordt - eveneens met variatie naar streek, volk en moedertaal - in de gebieden waar de Portugezen als kolonisators zijn opgetreden. De expansie van het Portugees in Azië is in de kleine anderhalve eeuw waarin Portugal vele gebieden in Azië koloniseerde, enorm te noemen. Voor Dalgado (1936) is de geschiedenis van deze expansie tevens de geschiedenis van de Portugese missie: ‘In those early days Portuguese was regarded as the language of Christianity par excellence and a knowledge of it was looked upon as an index of European culture’ (Dalgado 1936:xxxiii). Dit Portugees was - evenals het Maleis - zeer wijd verspreid als lingua franca in gebruik17, niet alleen voor de contacten tussen de Europeanen en de Aziaten, maar ook tussen de Europeanen onderling18, en zelfs af en toe tussen Aziaten onderling, als ze elkaars taal niet kenden.
‘Portuguese was spoken in its pure or corrupt form throughout the whole of India, in Malaysia, Pegu, Burma, Siam, Tonquin, Cochin-China, China, in Kamaran in Persia, in Basra of the Turkisch Vilayet, and in Mecca in Arabia. And it was spoken not only by the Portuguese and their descendents but by Hindus, Mahommedans, Jews, Malays, and by Europeans of other nationalities in their intercourse with one another or with the indigenous people. [...] It was therefore for a long time the lingua franca of the East.’ (Dalgado 1936:xxxiii.)
Het zogenaamde Laag-Portugees kende, evenals het Laag-Maleis, afhankelijk van streek, volk en moedertaal veel variatie.19 Het werd hier en daar door dit Maleis beïnvloed in die zin dat het veel woorden aan het Maleis ontleende.20 Vooral in Batavia zou dit het geval zijn geweest, waardoor er een variant ontstaan is die door Schuchardt (1891) het ‘Maleis-Portugees’ is gedoopt, maar ook wel is aangeduid als ‘Indo-Portugees’ of ‘Asio-Portugees’ (Lopes 1969:34; Valkhoff 1972:8). Omgekeerd werd het Maleis beïnvloed door
het Portugees, waaraan het veel woorden ontleende21, waardoor er wel wordt gesproken van ‘Portugees-Maleis’ (Van den Berg 1990:41; Kalff 1915:18). De termen ‘Maleis-Portugees’ en ‘Portugees-Maleis’ zijn echter nogal verwarrend. Zo is de aanduiding ‘Maleis-Portugees’ door Hesseling (1897) opgevat als zou het hier gaan om een afzonderlijke mengtaal die zou zijn gesproken in heel Oost-Indië tot Kaap de Goede Hoop aan toe.22 Dit laatste is echter nimmer aangetoond en juister is het dan ook te stellen dat het hier gaat om een door het Laag-Maleis beïnvloede variant van het gecreoliseerde Portugees, dat in allerlei varianten als lingua franca heeft bestaan naast de varianten van het Laag-Maleis. De taalkundige Ph.S. van Ronkel formuleert dit onderscheid zeer helder als volgt: ‘Waar zij [de Nederlanders] de Portugeezen vervingen, namen ze het min of meer verportugeeschte Maleisch als bemiddelingstaal over, evenals het min of meer vermaleischte Portugeesch de verkeerstaal werd in het dagelijksche leven’ (Van Ronkel 1918:654). Om terminologische verwarring te voorkomen zal in deze studie steeds gesproken worden van Portugees en Maleis, waarmee zonder nadere
aanduiding steeds de varianten worden bedoeld die ook wel aangeduid worden met Laag-Portugees en Laag-Maleis.
Het is het gecreoliseerde Portugees, het Laag-Portugees of Indo-Portugees, in al zijn variatie, dat de Nederlanders bij hun komst in Oost-Azië als wijdverbreide lingua franca aantroffen. Het was al ruim een eeuw lang de contacttaal tussen de Portugezen en Aziaten uit Voor- en Oost-Indië, en tussen Europeanen die elkaars taal niet kenden. En de Nederlanders zouden het vooral gaan gebruiken in de contacten met Indo-Europeanen en met niet-Indonesische Aziaten en in de op deze groepen gerichte kerkelijke en onderwijsactiviteiten.
Samengevat komt het volgende beeld naar voren:
Het Maleis als lingua franca wordt relatief meer in het oostelijk deel van het reusachtige gebied van Oost-Indië gebruikt. Het wordt geassocieerd met de Islam. Het wordt gebruikt als omgangstaal - tussen Europeanen en Inheemsen in de Indonesische archipel, - tussen Inheemsen met verschillende moedertalen, - en (voornamelijk in het oostelijke deel van Azië) tussen (niet-Indonesische) Aziaten met verschillende moedertalen.
Het Portugees als lingua franca wordt relatief meer in het westen van Oost-Indië gebruikt. Het wordt wel geassocieerd met het Christendom. Het wordt gebruikt als omgangstaal - tussen Europeanen met verschillende moedertalen, - tussen Europeanen en Indo-Europeanen, - tussen Europeanen en niet-Indonesische Aziaten, - en (voornamelijk in het westelijk deel van Azië) tussen niet-Indonesische Aziaten met verschillende moedertalen.
Zoals we zullen zien, ontwikkelen zich uit beide talen op den duur creoolvarianten, zoals het Ambons-Maleis en het Portugees van Ceylon of van Batavia.
In de verschillende hoofdvestigingen van de VOC heeft men (in elk geval aanvankelijk) steeds geprobeerd het Nederlands in zekere mate ingang te laten vinden, het althans de huiselijke omgangstaal te maken van Europeanen en Indo-Europeanen, en ook de tot het Christendom bekeerde slaven, Mardijkers en Inheemsen kennis van het Nederlands bij te brengen. Om dit doel te bereiken zijn door de leiding van de VOC in Oost-Indië in de loop van de tijd diverse maatregelen genomen. Deze taalpolitieke maatregelen betroffen vooral de voertaal in de kerkdiensten en in de scholen, maar soms ook werden er maatregelen van algemener aard genomen. Steeds weer echter blijkt de concurrentie met het Portugees, en later - in de achttiende eeuw - vooral met het Maleis, zeer groot. We zullen dan ook zien dat het Nederlands keer op keer de strijd verliest en dat zijn rol ten slotte - aan het einde van het VOC-tijdperk - vrijwel volledig is uitgespeeld.
Het Nederlands had al vanaf het begin van de zeventiende eeuw een geduchte concurrent aan het als lingua franca aangetroffen Portugees. Deze lingua franca werd nu ook de contacttaal tussen de Nederlanders en de verschillende (vooral niet-Indonesische) Aziaten. En dat niet alleen: het werd in hoge mate zelfs de omgangstaal tussen de uit vele landen afkomstige Europeanen (zie II, noot 2) zelf. Voor de meeste niet-Nederlandse Europeanen was dit vereenvoudigde Portugees veel gemakkelijker te leren dan het moeilijke Nederlands, en ook was het voor hen als Europese taal gemakkelijker dan het Maleis. Het grote aantal uit Voor-Indië en Ceylon geïmporteerde slaven in Batavia dat vanwege de verschillende moedertalen eveneens het Portugees als omgangstaal gebruikte, bevorderde de verspreiding van het Portugees enorm, zo zelfs dat het voor veel kinderen van Aziaten, maar ook voor de kinderen van een Europese vader en een Aziatische moeder, de moedertaal was geworden.
Uit angst dat het Nederlands geheel zou verdwijnen, vaardigde de regering onder Gouverneur-Generaal Anthony van Diemen (1636-45) in 1641 een plakkaat (ordonnantie) uit, teneinde te voorkomen dat het Portugeesch ‘eyndelyck d'overhant nemen ende onse vaderlantse tale t'eenmael onderdrucken soude, dat om vele ende gewichtige polytycque consideratien soodanich niet en behoort’ (NIP I:459). Een viertal beperkende maatregelen werd daarom afgekondigd. Zo werd aan slaven slechts toegestaan hoeden en mutsen te dragen, als ze de Nederlandse taal ‘redelyck verstaen ende spreecken’ konden en daarvan een schriftelijk bewijs konden overleggen. Anders zou hun muts of hoed verbeurd worden verklaard en liepen de slaven kans ‘strengelyck gegeesseld’ te worden. Aan slaven van Christelijke eigenaren mocht alleen een vrijbrief worden verleend, als ze bewezen hadden redelijk Nederlands te kunnen spreken. ‘Inlandsche vrouwen’, ‘die onse Nederlantse tale niet redelyck verstaen ende spreecken’ konden, mochten niet met ‘Nederlanderen’ trouwen. En ten slotte moest er op worden gelet dat bij de verkiezing van officieren van de schutterij ‘onder de Mardykers geene g'eligeert en werden, als die matelyck Nederlantsch connen spreecken’ (NIP I:459-60). Deze maatregelen werden eveneens opgenomen in de onder Van Diemen in 1642 vastgestelde Statuten van Batavia.23
Het resultaat van de afgekondigde maatregelen blijft onduidelijk. ‘Denkelijk zal die hoed wel nooit aangevraagd zijn’, meent De Haan (1922, I:467), een halve eeuw later liepen de slaven in elk geval nog steeds blootshoofds. Hoe deze categorieën mensen - slaven, ‘Inlandse vrouwen’, en Mardijkers - zich het Nederlands zouden moeten eigen maken, wordt niet aangegeven. Wel waren er in die tijd een vijftal Compagniescholen in Batavia waar kinderen uit de verschillende bevolkingsgroepen onderwijs - voornamelijk godsdienstonderwijs - kregen. Volgens de eveneens onder Van Diemen uitgevaardigde ‘Kerk-ordening voor de Bataviasche gemeente’ en het daarin opgenomen schoolreglement van 1643, was officieel het Nederlands als voertaal voorgeschreven:
‘Het ampt vande schoolmeesters is voor eerst de jonge jeucht de vreese des Heeren in te scherpen, haer t'onderwysen inde fundamenten vande Christelycke religie, haer te leeren bidden, singen, met haer te kerck te gaen, te catechiseeren; ten anderen haer te leeren haere ouders, overheeden ende meesters te gehoorsaemen; ten derden haer te leeren lesen, schryven ende cyfferen; ten vierden haer te leeren alderley goede seeden ende manieren ende eyndelyck te betrachten dat inde schoolen geen andere, als de Nederlantse taele, gebruyckt werde’ (NIP II:52).
Uit dit voorschrift blijkt duidelijk hoe zeer onderwijs in de eerste plaats onderwijs in de Christelijke leer was. En hoewel op de vijfde - en denkelijk niet toevallig de laatste - plaats het Nederlands als voertaal werd (aan)-bevolen (er wordt gesproken over ‘betrachten’), komt in hetzelfde schoolreglement tot uiting dat het Nederlands op de verschillende scholen zeker niet de enige voertaal was; op twee van de vijf scholen was het Portugees in elk geval een hulptaal bij het godsdienstonderwijs, en op een andere het Maleis, maar in de praktijk waren het Portugees en het Maleis op de desbetreffende scholen de voertaal. Kennelijk ging toch de verspreiding van ‘Godts woort’ in een voor de kinderen begrijpelijke taal, vóór het voorschrift ‘geen andere als de Nederlantse taele’ te gebruiken. Zo moest de ‘schoolmeester aende westsyde [...] des avonts voor d'Inlantse Christenen een capittel uyt het Portugees testament voor lesen’ en ‘een vaers off twee uyt de psalmen Davits in't Portugees voor te singen’. Die in het Bandanees kwartier moest 's morgens en 's avonds ‘Godts Woort in het maleyts’ voorlesen. In het ‘Mallabaers kwartier’ moesten de slaven voordat ze naar hun werk gingen ‘hetsy in't Portugees, Bengaels ofte Mallabaers, vande meesters inde hooftstucken vande Christelycke religie onderwesen werden’. En als dat gebeurd was, moest de klok worden geluid om alle vrouwen en kin-
deren uit de wijk bijeen te roepen om ze ‘een capittel in het Portugees’ voor te lezen, te bidden en te zingen (NIP II:53-4).
Duidelijk blijkt dus uit deze voorschriften het belang van de eigen omgangstalen bij het godsdienstonderricht. Het Evangelie kon immers het beste worden verspreid in de eigen landstalen. Aanvankelijk was dit nog niet erg goed mogelijk geweest, omdat het de meeste Europeanen ten enenmale ontbrak aan kennis van de verschillende landstalen. Vandaar ook het voorschrift in de onder Gouverneur-Generaal Jan Pieterszoon Coen (1616-23, 1627-29) vastgestelde ‘Kerk-ordening voor Batavia’ van 1620, dat
‘Tot het Avontmael der Heeren en sal voor eerst noch niemant toegelaten worden, dan alleen die gene die kennisse hebben van de Duijtsche tale [...], de resteerende, van wat geslachte, lant off conditie sij sijn, sullen werden opgehouden tot datse de Duijtsche spraecke zullen hebben geleert, ofte het woort Gods in hare tale sal worden gepredickt’ (NIP I:84).
Een jaar later, in 1621, wordt er voor het eerst ook in het Maleis24 gepredikt en vanaf 1634 ook in het Portugees.25 Dit laatste stuitte aanvankelijk op verzet bij de regering, omdat deze er nu juist op uit was het Portugese element in de koloniën zo veel mogelijk tegen te gaan. In 1633 wordt een verzoek om in het Portugees te mogen preken nog door de regering afgewezen, met als argument dat de Maleise gemeente daaronder zou lijden. Maar in 1634 erkent de regering toch dat ‘het Portugees te Batavia “onder de Indiaense vrije luijden ende des Compagnies lijffeijgenen” meer wordt gebruikt dan het Maleisch’ (De Haan 1922, I:523). Het Portugees wordt daarop als kerktaal toegestaan, omdat dit nuttig zou kunnen zijn tot ‘“stichtinge van de inlantsche mardijckers alsmede van de lijfeijgenen van de Comp. ende borgers, die geboortigh zijn van Manilha, Goa, Macao, Cochin, Ceylon, Malacca ende St. Thome” en die van de kust van Cormandel’ (De Haan 1922, II:249), kortom voor de door de Compagnie in de
verschillende voormalige Portugese gebieden gevangengenomen Portugees-sprekende slaven.
Het uitgangspunt van Evangelieverkondiging in de eigen landstaal was overigens gefundeerd op de Bijbel zelf, zoals eveneens blijkt uit de reeds vermelde ‘Kerk-ordening voor de Bataviasche gemeente’ van Van Diemen uit 1643, waarin bij de ‘Middelen om de bekeeringe der heydenen te bevordenen’ als eerste middel wordt vermeld dat
‘Dewijle nae de leere des Apostels Pauli, Rom. 10, het gehoor van Godes Woort het begin ende fondament van het gelooff is ende het fondament van soodaenigen gehoor, 't welck met eenige vrucht vermencht wesen can, de kennisse vande taele, in welcke het Woort gepredickt wordt, 1 Cor. 14, soo sullen de praedicanten ende cranckbesoeckers haer benaerstigen, datse inde taele, welcke de Heydenen, waarmede ons de meeste conversatie is, verstaen, insonderheyt in het Portugees, Maleys ende Chinees gestilleert werden, om een yegelycke natie nae haer begryp ende verstandt inde fondamenten vande Christelycke religie t'onderwysen ende het Woort Godts toe te deylen’ (NIP II:54-5).
Een dergelijk voorschrift was natuurlijk moeilijk in overeenstemming te brengen met het in dezelfde ‘Kerk-ordening’ opgenomen voorschrift voor de schoolmeesters om te ‘betrachten dat in de schoolen geen andere als de Nederlantse taele gebruyckt werde’. Van dit laatste is dan ook niet veel terechtgekomen.
In 1607 wordt de eerste school geopend op Ambon door de VOC-admiraal Cornelis Matelieff de Jonge (1606-08), die voor ogen staat van het eiland een ware Nederlandse kolonie te maken met het Nederlands als voertaal (Valentijn 1726, III-2:35). De school, met als eerste Indische schoolmeester de scheepsdokter Johannes Wogma, is in de eerste plaats bedoeld voor de kinderen van die Ambonezen, die door de Portugezen met behulp van het Portugees26 tot het Katholicisme zijn bekeerd, en nu met behulp van de Nederlandse taal geïnstrueerd moeten worden in de beginselen van de Hervormde Kerk. De vijftien schoolgaande kinderen leren er het Onze Vader, de Tien Geboden en de Geloofsartikelen in twee voor hen vreemde talen, Nederlands en Maleis (Brief Wogma aan Heren Zeventien 14-8-1608, in Grothe 1890:7). Met de school gaat het aanvankelijk niet best en er is sprake van een enorm schoolverzuim. Om de Nederlandse taal toch ingang te doen vinden, stelt de VOC-koopman Steven Coteels voor om een flink aantal Inheemse jongens van een jaar of tien oud aan te kopen en ze binnen
de op Ambon aanwezige forten te laten opgroeien ‘naer onse manieren’. Alleen op die manier zou kunnen worden voorkomen dat ze hun eigen taal en Maleis - of soms ook wel Portugees - blijven spreken (Brief Coteels aan Heren Zeventien 24-7-1614, in Grothe 1890:41).
Voor de eerste scholen in de Molukse archipel, moet het in 1611 in Amsterdam door de VOC uitgegeven AB boeck bedoeld zijn. Dit boekje van veertien bladzijden, waarvan de volledige titel luidt Sourat. ABC. Akan meng ayd'jer anack boudack / seperti deayd'jern'ja capada segala manusia Nassarany: daen berbagy sombahayang Christaan [Boekje. Om het ABC te onderwijzen aan de jongens, zoals het wordt onderwezen aan alle Christenen, met enkele Christelijke gebeden], was door de VOC-koopman Albert Corneliszn Ruyll speciaal voor de Indische situatie ‘gestelt inde Malaysche Tale [...] om voor eerst de Indiaensche Ieuchd te scherpen inde Forma van onse Nederduytsche Letteren’. Een vervolg hierop, eveneens van de hand van Ruyll, is het in 1612 door de VOC uitgegeven boek Spieghel vande Maleysche tale, gedrukt te ‘Amstelredam, bij Dirrick Piettersz op 't Water in de witte persse’. Ondanks de titel die anders doet verwachten, kan dit boek beschouwd worden als het oudste bewaard gebleven leerboek voor het Nederlands als vreemde taal, hoewel er van een echte leermethode geen sprake is, en het niet alleen bedoeld is geweest om het Nederlands bij te brengen, maar vooral om via het Nederlands - als de sleutel tot het ware Christendom - de kinderen te stichten en te moraliseren. De volledige titel luidt dan ook: Spieghel vande Maleysche tale, inde welcke sich die Indiaensche ieugt Christlijck ende vermaeckelijck kunnen oeffenen; Voleerlijcke t'samenspraecken ende onderwijsinghen in de ware Godt-saligheyt tot voorstandt vande Christelijcke religie; Met een vocabularium van de Duytsche ende Maleysche tale dienstich voor alle lief-hebbers der selver (60 + 80 blz.). De inhoud van dit boek is volgens het voorwoord een bewerking van het ‘vraegh-boecxken van Sa: Aldegonde’ (zie II, noot 31) en bestaat uit een verzameling stichtelijke dialogen, versjes en verhaaltjes, steeds met de Nederlandse tekst op de linkerkant en de Maleise tekst op de rechterkant van de bladzijden27 Het bijgevoegde vocabularium Nederlands-Maleis is


Titelpagina's van de twee oudste taalboekjes: A.C. Ruyll, Sourat ABC (1611) en Spieghel (1612)
een bewerking van het ‘Spraeck ende woord-boeck van Frederick Houdtman’ uit 160328, dat aanvankelijk ook werd gebruikt als leermiddel Nederlandse taal (Grothe 1890:7).
Bij zijn komst in 1615 probeert de eerste predikant op Ambon, Ds. Caspar Wiltens (1615-19), eveneens het Nederlands op de Ambonese scholen te stimuleren, maar ‘het wilde met den botten en luyen Amboinees niet gaan’ (Citaat in Valentijn 1726, IV-2:36). Een reden voor de onvruchtbaarheid van het onderwijs ziet Wiltens in de tegenzin bij de Ambonezen tegen het gebruik op school van de Nederlandse taal, een taal die immers nog moeilijker te leren is dan Latijn. Zij moesten het leren van het Nederlands trouwens wel nutteloos vinden, omdat zij de weinige keren dat zij met Nederlandse soldaten in aanraking kwamen, met hen Maleis spraken (Brief Wiltens aan Kerkeraad Amsterdam 1616, in Grothe 1890:73). Wiltens gaat dan ook al spoedig over op het Maleis - bij gebrek aan een algemene Ambonese taal - als voertaal, op school en in de kerk.
In 1617 wordt echter gemeld dat de school al geruime tijd gesloten is. De voormalige Gouverneur van Ambon Adriaen Block Martensz. (1614-17) stelt daarom aan zijn opvolger Steven van der Haghen (1617-18) voor de gehele school van meester Jan van den Brouck te Jacatra, waar hij tot zijn grote verwondering had geconstateerd dat de Inheemse jongens even perfekt Hollands lazen en schreven als de Nederlandse, over te brengen naar Ambon. Bovendien stelt hij voor om jaarlijks 30 tot 50 jongens uit Nederland naar Ambon te zenden om daar samen met de Ambonse jongens op school te gaan. Op die manier zou de Nederlandse taal het beste


Fragmenten uit A.C. Ruyll, Spieghel (1612)
ingevoerd kunnen worden, een Nederlandse kolonie worden gesticht en de Christelijke religie ingang kunnen vinden (Brief Block aan Van der Haghen 6-11-1617, in Grothe 1890:92).
Ds. Sebastiaan Danckaerts, die in de jaren 1618-22 als tweede predikant op Ambon verblijft, betreurt het besluit van zijn collega Wiltens om het Maleis de voertaal te maken in het onderwijs en probeert opnieuw het Nederlands als voertaal in te voeren. Over het resultaat van dit onderwijs, dat gegeven werd door de schoolmeester Thieleman Teunisz., meldt hij dat ‘alreede in desen korten tijt van drie Maenden door naersticheyt ende grondich onderwijs, in haer bevonden soodanighen veranderinghe ende toeneminghe, voornementlijck int schrijven, dat nauwlijcx sulcx van haer en hadde dorven hoopen [...] al geschiet het met kromtonghen ende imperfecktelijck’ (Danckaerts 1859:131). De Gouverneur van Ambon Herman van Speult (1618-24) is over dit Nederlandstalig onderwijs zeer te spreken. De Maleise taal die op Ambon wordt gesproken is naar zijn mening een te arme taal om er de Christelijke godsdienst in te kunnen verkondigen en daarom moet voor dat doel het Nederlands worden onderwezen (Brief aan Heren Zeventien 4-6-1618, in Grothe 1890:96). Het streven was ‘om zoo metter tijd het Duitsch alomme onder de jeugd in te voeren’, en op die manier de eilandbewoners aan de Nederlanders te verbinden en de invloed der Islamieten te breken (Mooy 1923:301). Of dit werkelijk het streven was, is echter de vraag. De bedoeling die Ds. Danckaerts met het Nederlandstalige onderwijs had, was om de schoolkinderen - bij gebrek aan Maleistalige godsdienstige geschriften - via dat Nederlands een gedegen kennis van de Hervormde godsdienst te geven, met de uiteindelijke bedoeling dat deze ‘sullen oock de Amboinesen in hare Moederlijcke tale, konnen onderrichten ende leeren, naer de mate harer kennisse, 't ghene den Gods-dienst aengaet’. Met het oog daarop werden ze aangemoedigd ‘de Maleysche tale soo veel [te] oeffenen, als doenlijck sal zijn [...], want alle de onderrichtinghen, die sij van ons konnen ontfanghen, 't sy schriftelijck ofte mondelinghe int Maleys gheschieden moeten.’ (Danckaerts 1859:132-3.). Hieruit kan geconcludeerd worden dat het onderwijs plaatsvond met het Maleis als voertaal, en het Nederlands als vreemde taal slechts een plaats had als de taal van de Bijbel. Het ging er in de eerste plaats om de Inheemse Christenen onderwijs te geven in de ware Hervormde godsdienst, en ze daarmee ‘aan de Nederlanders te verbinden’. Het Nederlands was daar slechts een instrument voor. De godsdienst was het ‘bindmiddel’ en niet de Nederlandse taal.
Het Nederlands blijkt niet erg aan te slaan. Weliswaar wordt in 1627 gemeld dat de school bij het Kasteel van Ambon ruim 60 leerlingen telt, die redelijk Nederlands begrijpen, hoewel de uitspraak nog wel problemen geeft, maar op de andere inmiddels opgerichte scholen - in 1627 waren er 16 op Ambon en 18 op de omliggende eilanden, met in totaal 1.300 scholieren -
wordt veel minder in het Nederlands onderwijs gegeven en meestal gebruik gemaakt van het Maleis. Ds. Danckaerts meldt na een inspectie in 1631 dat slechts op enkele scholen de leerlingen redelijk goed Nederlands kunnen lezen en hun gebeden in het Nederlands kunnen opzeggen: ‘Aan 't Kasteel wierden zy alle in 't Nederduitsch onderwezen; dog in de meeste andere Schoolen in 't Maleitsch, hoewel vele zeer veerdig het Duitsch lazen. Ook wierd'er noodig geoordeeld, hen beide die Taalen te zamen te laten leeren, om zoo metter tyd het Duitsch alomme onder de jeugd in te voeren’ (Valentijn 1726, III-1:46). Van de 590 schoolkinderen op Ambon in 1631, krijgen er 110 op twee scholen bij het Kasteel onderwijs in de Nederlandse taal - dat wil zeggen de kinderen leren er de Christelijke gebeden en geloofsartikelen eerst in het Maleis van buiten en vervolgens in het Nederlands -, de rest van de kinderen krijgt onderwijs met het Maleis als voertaal (Grothe 1891:144-5). Ds. Helmichius Helmichsz (1630-34) meldt in 1633 dat het onderwijs groeit en dat er ruim 1.200 kinderen les krijgen met Maleis als voertaal. Het leren van Nederlands wordt niet langer nuttig geacht, maar ook worden er nu twijfels geuit over het Maleis als voertaal. Het Maleis is immers niet de dagelijkse omgangstaal in de Molukken. Helmichius en zijn Ambonse collega Justus Heurnius (1633-38) pleiten daarom voor (godsdienst)onderwijs met de Molukse Inheemse talen als voertaal (Grothe 1891:240, 253, 265). Omdat het Maleis echter wel al een wijd verspreide taal is in de Molukken, wordt in 1634 besloten op de scholen zowel het Maleis als een Inheemse taal als voertaal te gebruiken (Heurnius aan Heren Zeventien 30-8-1634, in Grothe 1891:291-3).
Het Nederlandstalige onderwijs op Ambon en omliggende eilanden is hiermee verder van de baan. Het aantal leden van de ‘duytsche gemeynte’ te Ambon bedraagt in 1635 vierendertig en men verwacht niet dat dit aantal zal stijgen (Grothe 1891:316). In 1660 zou er sprake zijn van een sterke invoering van het Maleis op de Ambonse scholen, ‘alzoo de Inlanders het Duitsch niet konden leeren’ (Valentijn 1726, III-1:60). En nog maar één keer wordt er daarna melding gemaakt van Nederlandstalig onderwijs, namelijk op de in 1662 te Ambon geopende ‘Nederduitsche school’ onder meester Arnold Bertrand (Valentijn 1726, III-1:62). Op 25 november 1665 wordt echter door de bewindhebbers formeel besloten het invoeren van het Nederlands op de Molukken verder achterwege te laten (Realia 1882, I:25). Niet alleen werd het Nederlands te moeilijk geacht, maar het zou ook veel te duur worden om overal Nederlandstalig onderwijs te geven, zo schrijft althans in 1672 Philippus Baldaeus in zijn Beschryvinge van het machtige Eyland Ceylon:
‘'t Is zeker en gewis, dat het beste middel om de godsdienst voort te zetten, hier in bestaat, niet dat men het volk laat leeren de Nederlandsche taal, maar dat de
leeraars hunne taal leeren: want het eerste zoude langzaam voortgaan, en zeer kostelijk vallen, gelijk almede de ervaring op andere plaatsen geleerd heeft; nu is 't betamelijker, dat een man of leeraar aanleere de taal van al zijn volk, dan dat al het volk leere de taal van den leeraar’ (Citaat in Neurdenburg 1858:288).
Op de Banda-eilanden (Zuidelijke Molukken) werd de eerste school in 1622 geopend op het eilandje Ai, met daaraan verbonden een internaat voor de leerlingen die van de andere Banda-eilanden kwamen. In 1623 volgde de oprichting van een school op het eiland Lontor (Groot Banda) en in 1624 op het eiland Roen. In augustus 1624 waren er aldus drie scholen op Banda met in totaal bijna 300 kinderen - veertig procent ‘Companjies kinderen’ en zestig procent kinderen van ‘Mardijkers’ -: de school op Ai telde 100 interne en 40 externe leerlingen, die op Lontor had 100, en die op Roen 45 leerlingen. De voertaal op deze scholen was Nederlands, in de hoop dat op Banda ‘de maleysche tale, die heel sober is, om twoort Godts daer in te vercondigen, mettertijt heel uytgeroyt sal worden’ (Verslag Kerkeraad van Banda 20-8-1624, in Grothe 1890:212). Niet geheel in overeenstemming daarmee is echter het een jaar later, in 1625, opgestelde schoolreglement waarin wordt voorgeschreven dat de Maleise kinderen onderwijs moeten ontvangen in de Nederlandse taal, en daarnaast de hoofdstukken der Christelijke religie in het Maleis moeten leren en in die taal opzeggen (Grothe 1891:23). Hierdoor ontstaat de indruk dat het Nederlands niet de enige voertaal op de scholen is geweest en dat het Maleis tenminste als hulptaal werd gebruikt. Een indruk die wordt bevestigd door het feit dat de Kerkeraad van Banda zich in 1625 beklaagt over het gebrek aan schoolboeken; van het door Ds. Danckaerts in het Maleis vertaalde ‘vraech-boeckxken van Aldegonde’ en van zijn Maleise woordenboek had men pas één exemplaar ontvangen, terwijl er voor de scholen zo veel nodig waren (Grothe 1891:32)29 In 1635 blijkt trouwens het aantal schoolkinderen op Banda met de helft afgenomen en wordt een aantal van 157 kinderen gemeld, 103 jongens en 54 meisjes (Grothe 1891:309).
Na verloop van tijd werd - evenals dat op Ambon en de omliggende eilanden was gebeurd - het Nederlands op de scholen steeds vaker vervangen door het Maleis als voertaal, vooral na het meer beschikbaar komen van schoolboekjes in de Maleise taal. Ook was de aanvankelijke weerstand tegen het Maleis bij veel Europeanen na verloop van tijd sterk verminderd, hetgeen wel eens zou kunnen samenhangen met een betere beheersing van die taal in Europese kringen. Maar meer dan op de overige Molukse eilanden bleef op de Banda-eilanden naast het Maleis ook het Nederlands een zekere rol spelen, hetgeen waarschijnlijk te maken heeft met het relatief
grote aantal Europeanen op deze eilanden, de zogenaamde ‘perkeniers’. Valentijn meldt in 1726 hierover dat ‘het beste, dat ons van de tegenwoordige bandasche ingezetenen voorkomt, is, dat zij, 't zij zwarten, 't zij mixtisen, meest alle, goed Duitsch spreken, zoo dat zij 's zondags ook de Psalmen in die taal gewoon zijn te zingen’ (Citaat in Neurdenburg 1858:288-9).
De keuze voor het Maleis30 als voertaal op de Molukse scholen was een praktische geweest en heeft niet zo veel te maken gehad met het op de Bijbel zelf gebaseerde principe het Evangelie in de landstalen te willen verkondigen. Valentijn schrijft hierover ‘En wat de Taal aangaat, die men behoord te gebruiken, dat leerde [...] Paulus I Cor. XIV: 2,4,9,14, en voor al vers 19, dat men in geen vreemde, maar in een Taal, die de gemeinte verstaat, Prediken moet’ (Valentijn 1726, III-1:37). Temidden van een veelheid van volkstalen - de situatie werd nog eens bemoeilijkt door grote etnische verplaatsingen in het begin van de zeventiende eeuw -, werd het Maleis, dat op de Molukken reeds enige verspreiding had als lingua franca, gekozen uit praktische overwegingen. Het heeft als taal van het Christendom en van de school op de Molukken een enorme verspreiding ondergaan en heeft uiteindelijk zelfs de Inheemse talen op Ambon doen uitsterven. Het op Ambon gesproken. Ambons-Maleis - een creooltaal die zich heeft ontwikkeld uit de op Ambon gesproken lingua franca - is dan ook in zekere zin het resultaat van de taalpolitiek van de VOC: ‘Schools, sermons, company directives reinforced the development of Malay, one might say, the expansion of Malay, a lingua franca, into the mother tongue of the Christian Ambonese’ (Collins 1980:13). Het was de taalpolitiek van de VOC die ervoor had gezorgd dat het Maleis als lingua franca de moedertaal kon worden van grote bevolkingsgroepen en voor het ontstaan van een creooltaal, het Ambons-Maleis. De VOC heeft daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan de expansie van het Maleis. En deze bijdrage is al in gang gezet in de eerste decennia van Nederlandse aanwezigheid in de archipel. In deze beginperiode heeft de Indische kerk ‘door de school de Maleische taal binnen het gebied der Compagnie algemeen gemaakt, zoodat zij meer nog door den godsdienst dan door den handel een band der vereeniging kon worden’ (Mooy 1923:319). Het Nederlands werd daarentegen vanaf deze beginperiode op de Molukken nog slechts gebruikt op de VOC-kantoren en vestingen door de ambtenaren, soldaten en matrozen die deze taal meester waren - en dan nog voornamelijk als schrijftaal.
Evenals op de Molukken wordt te Batavia aanvankelijk het Nederlands als voertaal op de scholen gebruikt. Al voor de stichting van Batavia, was er bij de VOC-loge te Jacatra een school, ‘waar meester Jan van den Brouck in het Nederlandsch les gaf aan een kuddeke scheepsjongens en inlandsche kinderen’ (De Haan 1922, I:19, 50). De na de stichting van Batavia opgerichte ‘Bataviasche school’ telde in 1622 92 jongens en 45 meisjes die onderwijs in de Nederlandse taal kregen, maar werd in 1632 weer gesloten (De Haan 1922, II:255). In 1625 wordt in het ‘Malabaers kwartier’ een school geopend voor kinderen van Compagnieslaven, voornamelijk afkomstig uit Voor-Indië en Ceylon. In 1629 zouden daar vier Malabaarse meesters werkzaam zijn om het Evangelie te verkondigen in de eigen landstalen en daarnaast de Malabaarse kinderen te leren spellen en lezen in het Nederlands, ‘natuurlijk zonder daar een woord van te begrijpen’, zo voegt De Haan (1922, I:123) daaraan toe. In 1635 is er sprake van drie scholen: een school verbonden aan het in 1629 geopende Armenhuis onder krankbezoeker Isaac Minne, een school in het Malabaars kwartier, en een school in het Bandanees kwartier. Deze laatste stond onder leiding van de van Lontor (Groot-Banda) afkomstige meester Cornelis Senen, die de beginselen van de Christelijke religie onderwees in het Maleis, maar later ook in het Portugees (De Haan 1922, II:255-6). In 1643 is er sprake van een vijftal scholen, en is er naast de reeds genoemde drie scholen sprake van een school aan de ‘westzyde’ voor ‘Inlantse kinderen’, en een school verbonden aan het in 1635 geopende Weeshuis (NIP II:52-4).31

De schoolbevolking bestond uit ‘nederlantse, mestice en swarte’ kinderen, maar in feite was het aantal Europese kinderen op deze scholen van het begin af aan zeer gering. Waarschijnlijk zorgden veel Europeanen
er voor dat hun kinderen particulier huisonderwijs kregen; de gegoede Europeanen stuurden hun kinderen zelfs naar Europa voor een goede
opleiding.32 De Haan (1922, II:255) vermoedt dat vooral de taalkwestie de ouders deed besluiten hun kinderen niet naar de gemengde Compagnie-scholen te sturen. De schoolbevolking bestond derhalve voor het merendeel uit ‘mestice en swarte’ kinderen, dat wil zeggen de kinderen van Europese vaders en (al dan niet Indonesische) Aziatische moeders en de kinderen van Mardijkers. Deze kinderen spraken van huis uit de eigen landstalen: de kinderen van niet-Indonesische Aziaten Bengaals, Malabaars (Tamil), Singalees, maar ook vaak een onder invloed van deze talen ‘verbasterd’ Portugees als moedertaal; en de kinderen van Indonesische slaven Balinees, Makassaars, maar vaak ook Maleis. De genoemde ‘school-orde’ van 1643 (zie II.2) geeft de bestaande taalsituatie dan ook eerder weer, dan dat daadwerkelijk geprobeerd wordt aan deze situatie iets te veranderen.
Omstreeks 1650 werd er op de scholen in elk geval voornamelijk lesgegeven in het Portugees en Maleis.33 Alleen op de school van het Armenhuis en die van het Weeshuis gebeurde dit in het Nederlands, hoewel de kinderen van huis uit slechts Portugees verstonden (De Haan 1922, I:125). Ook op de onder Gouverneur-Generaal Van Diemen in 1642 opgerichte ‘Latijnsche School’ werd onderwijs in de Nederlandse taal gegeven.
Hoewel er enerzijds naar gestreefd werd het Nederlands als voertaal in het onderwijs te bevorderen, stond anderzijds het belang van de kerk altijd voorop, met vanaf het begin het principe dat de Christelijke religie het beste via de eigen landstalen verspreid kon worden. Hierdoor heeft het Portugees in de zeventiende eeuw te Batavia een enorme vlucht kunnen nemen.
Het Portugees was reeds aan het begin van de zeventiende eeuw naar Batavia gebracht. De Portugezen hadden zich op Java nimmer gevestigd, maar met de slaven uit ‘de landen “om de West” kwam het basterd-Portugeesch naar Batavia, dat overal aan de zeekusten min of meer verstaan en gesproken werd en de natuurlijke tusschentaal vormde van den Hollandschen meester tot den Voor-Indische slaaf, een taaltje dat zich door zijn gebrek aan spraakkunstige vormen even goed daartoe leende als het straat-Maleisch of het Pidgin-English’ (De Haan 1922, I:452). In het begin moet dit
Portugees de belangrijkste omgangstaal geweest zijn te Batavia, want pas in een later stadium begon men zijn slaven uit de archipel zelf te betrekken, vooral uit Bali en Zuid-Celebes. De Inheemse bevolking van Java mocht geen slaaf zijn en zich aanvankelijk ook niet in Batavia vestigen; dit om te voorkomen dat er een te grote groep slaven van één bepaalde landaard een bedreiging zou kunnen gaan vormen voor de maatschappelijke orde (De Haan 1922, I:452). Hierdoor was toentertijd noch het Javaans noch het Soendanees een factor van belang in Batavia.
Aan te nemen is dan ook dat al in het begin van de zeventiende eeuw het Portugees veel meer als omgangstaal werd gebruikt dan het Maleis. Het ontstaan van de Portugese gemeente in 1634 heeft zeker veel bijgedragen aan de bestendiging van het Portugees, evenals het gebruik ervan op de scholen bij het godsdienstonderwijs. Behalve op de genoemde Compagnie-scholen werd het Portugees ook gebruikt in het onderwijs dat op particuliere basis gegeven werd door de zogenaamde ‘mèstèr koeliling’, de rondgaande schoolmeesters. De meesten van hen - in 1638 waren er reeds tien - gaven les in het Portugees, een enkeling ook in het Maleis, en verstonden geen woord Nederlands. Zij hebben volgens De Haan (1922, I:124) een belangrijke rol gespeeld bij de uitbreiding van de Portugese gemeente en aldus bij de verspreiding van het Portugees.
Het reeds genoemde plakkaat van Gouverneur-Generaal Van Diemen uit 1641 (zie II.2) was een poging om de opmars van het Portugees te stoppen en er voor te zorgen dat deze niet ‘eyndelyck d'overhant nemen’ zou en de Nederlandse taal geheel en al zou ‘onderdrucken’, hetgeen ‘om polytycque consideratien’ niet wenselijk zou zijn. Vermoedelijk was de uitvaardiging van dit plakkaat mede te danken aan de juist in dat jaar 1641 ongekende instroom van Portugeessprekenden in Batavia, als gevolg van de overname van Malaka door de Nederlanders en de daardoor veroorzaakte gedwongen overplaatsing van groepen Portugezen, Portugese afstammelingen en hun slaven naar met name Batavia (Hoffman 1979:68; Lekkerkerker 1902:486). Het lijkt mij dat dit plakkaat veel te laat is gekomen om nog iets aan de positie van het Portugees te kunnen veranderen. Politiek gezien was het uiteraard niet gewenst dat de taal van de vijand de eigen taal volledig dreigde te verdringen. Vandaar de door Van Diemen - de Gouverneur-Generaal die het meest met de Portugezen oorlog heeft gevoerd - afgekondigde maatregelen ter bevordering van de Nederlandse taal. Dit was volgens hem van staatsbelang:
‘soo lange niet bevorderen de Nederlantse tale de kinderen in de scholen worde geleert ende 't exempel der Portugesen int werck stellen, dat is de Nederlantse tale alerwegen onder ons gebiet invoeren, sullen niet stabils uytwercken noch d'inhabitanten aan ons verbinden, gelyck de Portugesen allenthalven doen daer gesach hebben, alwaer men niet als Portugese tale hoort spreecken ende soodanich (willen
wy deegh van 't volk hebben) moet onse spraecke oock ingevoert werden’ (Brief Van Diemen aan Gouverneur van Ambon Gerard Demmer (1642-47) 3-2-1645, in Neerlandia 1902:80).
Toen er van de Portugezen geen mededinging meer was te vrezen - in 1663 werd er vrede gesloten - verminderde kennelijk ook de afkeer van de Portugese taal en legde men zich neer bij de overheersende rol daarvan. In 1664 werd voor het eerst toegestaan dat ook de Avondmaalsdienst in de Portugese gemeente in het Portugees mocht worden gehouden; tot dan toe was dit altijd in het Nederlands gebeurd (De Haan 1922, I:523).
Voor grote groepen in de Bataviase samenleving was het Portugees al lang niet meer alleen een lingua franca. Voor hele groepen slaven uit Voor-Indië, Ceylon, en uit de andere voormalige Portugese gebieden, en ook voor de Mardijkers, was het de moedertaal geworden. Voor hen was het Portugees een op de lingua franca gebaseerde, en met eigen en andermans taalelementen vermengde, creooltaal geworden. De rol van de kerk en van de scholen valt hierbij niet te onderschatten. Zij hebben - aanvankelijk misschien met enige tegenzin - in hoge mate meegewerkt aan de verspreiding van het Portugees. De enorme vlucht die het Portugees in Batavia kon nemen, is dan ook indirect het gevolg van de taalpolitiek van de VOC. Deze bevorderde immers het Portugees als middel om het Christendom te verkondigen - en aanvankelijk om het Katholicisme uit te bannen dat immers eveneens in het Portugees was verspreid -, zowel in de kerkdienst als op de scholen. De taalpolitieke maatregelen tegen het Portugees, die om staatkundige redenen werden genomen, konden daardoor geen resultaat hebben. De godsdienst ging niet alleen in de onderwijspolitiek maar ook in de taalpolitiek altijd voor.
De rol die het Nederlands als omgangstaal speelde, kan wellicht ook worden afgeleid uit de plaats die het Nederlands als kerkelijke voertaal innam. In 1673 wordt bijvoorbeeld vastgesteld dat in de ‘nieuwe, steene, inlandsche kerk’ te Batavia per week één maal in het Nederlands gepreekt zou worden, tegen twee keer in het Portugees en twee keer in het Maleis (NIP II:562).
Voor het Nederlands leek de situatie vrij hopeloos. Gouverneur-Generaal Joan Maetsuyker (1653-78) verzucht in 1674 dan ook dat:
‘Het voortsetten van de Nederlantse tale, soo hier als in andere plaatsen van Comps. gebiet, hebben wy doorgaens behertigt, als wetende, hoeveel de vastigheyt van den staat daaraan gelegen zy, dogh tot nogh toe, soo het schynt, alles te vergeefs, alsoo de Portugese tale daartegen aangroeyt ende genougsaam de overhandt behout, meest door een dwaasheyt van onse eijgen Nederlanders, die het voor soo groote eere houden een vremde taal te connen spreken, hoe vuyl en corrupt die oock zy, dat geen interest van staat nogh eere van onse natie daartegen in consideratie connen comen en daarom met hare lyfeygenen geen andere tale en spreken dan Portugees; ofschoon de meesten derselve van de Oost comen en die spraak
Preekbeurten te Batavia, 17 juli 1791 (De Haan 1923, III:H11)
nooyt gehoort en hebben, soodat wy wel sullen genootsaact worden, om dat soo nodige ooghmerk te bereyken en ons van de getrouwigheyt van de inlantse onderdanen wat meer te connen versekeren op efficacer middelen te denken, dan tot nogh daertoe syn gebruyct.’ (G.G. aan Heren Zeventien 17-11-1674, in De Jonge 1862-88, VI:125-6.)
Evenals Van Diemen benadrukt Maetsuyker hier het politieke belang van invoering van het Nederlands in de kolonie, het zou immers ‘de getrouwigheyt van de inlantse onderdanen’ aan het Nederlands gezag ‘versekeren’ en voor de kolonie aldus ‘stabils uytwercken’. In 1676 schrijft Maetsuyker nogmaals ‘Dat het gebruyck van de Nederlantsche in plaets van de Portugeese taale, alhier veel tot te meer vasticheyt van onsen staat soude geven is buyten twyfel; maar daer schynt weynich kans toe gesien te worden’, omdat het Portugees ‘te diep ingewortelt, en by de meesten self van onse eygen natie te seer bemint zynde’ (G.G. aan Heren Zeventien, 28-11-1676, in De Jonge 1862-88, VI:157). En hoewel Maetsuyker opnieuw toezegt ‘te gebruycken alle sortabele middelen, die uyt te vinden sullen wesen’ om in deze situatie verandering te brengen, vernemen we onder zijn bewind niets over concrete maatregelen hiervoor.
Maetsuykers opvolger Gouverneur-Generaal Rijckloff van Goens (1678-81) meldt dat er in 1679 ruim 35.000 Mardijkers en nog eens ruim 16.000 slaven zijn,
‘En dit volck spreeckt, wynige uitgesondert alle Portugees, en heeft men tot noch soo veel werck daervan gemaact, dat men expresse predicanten wil houden om haer in de Portugese tale te predicken. Hier heeft d'Heer generael Maetsuycker sich altyt seer sterck tegen gestelt, die oordeelde dat men dese menschen moet Nederlandts leeren en oock in die tael prediken laten’.
Van Goens acht dit prediken in het Portugees niet nodig, catechiseren in die taal is nog tot daar aantoe, ‘om alsoo onse tale te doen doorbreecken ende het Portugees allengs volgens de Batavise ordonnantie uytteroeyen’ (G.G. aan Heren Zeventien 31-1-1679, in De Jonge 1862-88, VII:4-5). Geen gemakkelijk werk in Batavia, waar op dat moment binnen de muren meer dan vijfenzeventig procent van de mensen Portugees of Maleissprekend was, tien procent Chineessprekend, en minder dan vier procent Nederlands-sprekend.34
Toch wordt kennelijk de moed niet helemaal opgegeven en probeert men het Nederlands in elk geval voor de algehele ondergang te behoeden, want in het onder Gouverneur-Generaal Johannes Camphuijs (1684-91) vastgestelde schoolreglement van 4 april 1684 wordt opnieuw verordend dat ‘De schoolkinderen sullen geen andere als de Nederlandse tale in de schoole mogen spreecken, op straffe daartoe te stellen’ (NIP III:128). Veel geholpen heeft het echter niet. Het Nederlands heeft zijn positie niet meer kunnen verbeteren.
Het werd als een teken van staatkundige zwakte gezien dat de kolonisator niet eens in staat was de eigen taal ingang te doen vinden in de door hem gekoloniseerde gebieden, en deze taal zelfs niet aan de eigen afstammelingen wist over te dragen. Vandaar dat VOC-functionarissen er steeds weer voor pleitten het Nederlands de dagelijkse omgangstaal te maken, niet alleen voor de in Nederland geboren Europeanen, maar ook voor de in Indië geboren Europeanen, voor de Indo-Europeanen en voor de Aziatische Christenen. Dit te bereiken werd door hen gezien als blijk van trouw aan de Nederlandse staat en cultuur, evenals het belijden van het Protestantse geloof hier een blijk van was. Ook Inheemse Christenen zouden daarom dus Nederlands moeten leren, maar dit gold bepaald niet voor de nog ‘heidense’ of ‘Mohammedaanse’ Inheemse bevolking. Deze Nederlands te laten leren zou zelfs staatsgevaarlijk kunnen zijn. Een duidelijk voorbeeld hiervan geeft Valentijn. In zijn beschrijving van de Molukken maakt hij melding van de Tidorese staatsdienaar Naja Taroena, die circa 1708 van de heer Kloek, kapitein te Ternate, vloeiend Nederlands had leren spreken en schrijven,
‘dog dit was (mynes oordeels) een grove misslag, die tegen de maat-regels van een goede staatskunde aanliep, aangezien hy daar door in staat geraakt was, om zyn Koning zeer grooten dienst tot nadeel der E. Maatschappy te doen, en om meer zaaken, dan wy geraden vonden, of ons dienstig oordeelden, uit en door zich zelven grondig te weten, waarom hy van dezen Koning ook in alle voorname Comissien gebruikt is, en hem tot het doorgronden van veel zaaken, waar na hy vorschte, gebracht heeft, die hy anders noit geweten zou hebben’ (Valentijn 1724, I-2:112).
Om te bereiken dat in elk geval bij de Europese bevolkingsgroep het Nederlands de dagelijkse omgangstaal zou zijn, meende men er goed aan te doen ook de slavenbedienden thuis Nederlands te leren, opdat het Neder-
lands het Portugees als huiselijke omgangstaal zou kunnen vervangen. Dit is ook de achtergrond van het genoemde plakkaat van Van Diemen voor Batavia uit 1641, maar ook van een soortgelijk plakkaat dat Rijckloff van Goens in 1658 voor Kaap de Goede Hoop uitvaardigde (zie II, noot 56) en een jaar later in 1659 voor Ceylon (zie II.2.4). Deze plakaten richtten zich in de eerste plaats op de slaven. Zij waren het immers die de kinderen - de creoolse en mestiese - opvoedden. Zij werden als ‘hoofdschuldigen’ aangewezen.
Hoe het in die tijd met het Nederlands in huiselijke kring gesteld was, heeft Nicolaus de Graaff in zijn Oost-Indise Spiegel (1703) beschreven, waarin hij een beschrijving geeft van de (Indo-)Europese vrouwen:
‘Dese Vrouwtjes, dan in 't generaal aangemerkt, soo Hollandse, als ook Kastice en Mistise, in sonderheit op Batavia, sijn 't meestendeel so pragtig en hovaardig, [...] sy laten haar dienen, als princesse, en hebben sommige veel slaven en slavinnen tot haren dienst [...] en sy sijn selfs so luy, datse niet een hant naar eenig ding sullen uitsteken [...] of roepen terstont een van haar slave of slavinnen daar toe, en so sy niet geswint voortgaan voor een poete rastade, poete de negre, of fili de poete, of fili de katsjor uitschelden, (dat is) te seggen geraffineerde, of allemans hoer, slave hoer, hoere kint of honde kint, en somtijds nog erger [...]. In sonderheid die in Indie geboren sijn, ja, sijn niet bequaam; of om beter te seggen, te luy om haar eygen kindere op te voeden: maar bevelen deselve so haast alsse ter werelt komen aan een Swarte min, een slaven hoer, of aan ymant van haar onder slavinne, diese sogen en op queeken, also dat sy haer met haar eygen kinderen weynig komen te bemoyen; 't welk ook de oorsaak is, dat de kindere liever by haar Swarte min, en by de slaven en slavinnen willen sijn, als by haer eygen ouders, vermits sy haar hebben opgevoet, en ook al haar maniere, ende haar ganse aart en natuer hebben ingesogen en aangenomen, daarom datse ook so goet, Mallebaars, Singilees, Bengaels en Tyolijs Bastert Portugees spreeken als de slaven en slavinne selfs, ende als sy dan tot haar jaren komen, qualijk een opregt duyts woort konnen spreken, nog veel min een fatsoenelijke reden konnen voortbrengen, of het is met een lispse Tiolyse, of bastert Portugese taal vermengt. En behalven dat, so sprekense niet gaarn duyts, of Hollands met ymand, vermits sy vresen, dat sy om haar kromme woorden sullen belagt, of bespot worden, gelijk 't veelmaal gebeurt; daarom alsser ymand wat vraagt, of met haar eenige reden willen spreken, en sy daar niet konnen door komen, leggen sy 't gemeen, met een grimlag, of Nokke save af, dat is te seggen, ik weet of verstaat niet, daar mede hebje dan alder wijsheyd die'er in steekt.’ (De Graaff 1930:13-5.)35
Zo was de situatie aan het einde van de zeventiende eeuw en die situatie veranderde tot aan de negentiende eeuw nog slechts in zoverre dat de rol die het Portugees had verworven in de loop van de achttiende eeuw overgenomen werd door het Maleis, niet door het Nederlands.

Tussen het Portugees en het Maleis bestond een soort concurrentieverhouding. Hoewel aan het begin van de achttiende eeuw het Portugees veruit dominant was boven het Maleis (zie II, noot 34, 38, 46), doen - aldus Valentijn (1726, IV-2:100-4) - in 1708 de Maleise predikanten het voorstel om de Portugese en de Maleise gemeente samen te voegen tot één gemeente, met het Maleis als voertaal. Volgens de Maleise predikanten zou tweederde deel van de Portugese gemeente bestaan uit Maleissprekende mensen ‘als zijnde van Java, Baly, Macassar, Boegis, van Sumatra, enz.’, die weliswaar wat Portugees hebben geleerd in de omgang met slaven van Voor-Indië en Ceylon, ‘zy dog het Maleits niet minder moeten onthouden, en oefenen, by aldien zy met iemand van de bovengenoemde Oostersche Natien hunne nabuuren nodig hebben, of willen verkeeren’. Deze mensen zouden de Bijbel veel beter begrijpen in ‘'t Maleyts, als een taal haar gemeen [...] dewyl hier de Maleitse taal aan alle deze Natien gemeen is, en gebruikt werd, en geenszins zoodanig de Portugeese taal’. De Portugese predikanten bestrijden echter deze denkbeelden van hun Maleise collega's fel en uitvoerig. Slechts een kwart van de gemeente zou uit mensen bestaan uit de genoemde streken, de rest uit Portugeessprekenden:
‘De dagelijkse Portugeese taal wordt niet alleen in den ommegang, en dat onder de slaven in de Familien gesproken, die van Ceylon en de Kust overkomen, maar 1. Universeel van de lyfheeren en hare kinderen omtrent de Slaven en vrije Inlandse Christenen; 2. In de Familien of menschen, die van Siam, Malacka, Bengale, de Kust van Chormandel, 't Eiland Ceylon, de Kust Malabaar, Suratte, ja Persien, koomen, die niet benodigd hebben 't Maleyts te onderhouden, of te oeffenen om met ander Oosterlingen om te gaan, om dat het Maleyts zoo gemeen niet is, als 't Portugees.’ (Valentijn 1726, IV-2:102.)
Ook is het volgens hen onwaar dat ze zouden prediken in een Hoog-Portugees dat voor de gewone mensen onbegrijpelijk zou zijn: ‘Geen een woort Portugees is 'er in de gemeene Straattaal die ook van ons niet gepredikt wort, alleen verschillende (datze na de Letterkonst geschikt is) van 't eerste, in terminatien van Numerus, Genus personen, modus en tempora, als alle letterkonstige talen’. Kennelijk gebruikten ze een soort van aangepast Laag-Portugees, dat toch wel erg dicht in de buurt kwam van Hoog-Portugees. Mocht het trouwens al nodig zijn om een andere taal in de Portugese kerkdienst in te voeren, dan achten de Portugese predikanten
‘de Nederduitsche nuttiger, als de Maleytse, 1. Om datze de predominerende taal is. 2. De meesten van die menschen zijn uit de huizen der Nederlanders als vrijgegevene voortgekomen. 3. Haar nazaaten hebben geleert in de Schoolen, 't Vader ons, de 12 geloofs artikelen, de tien Geboden, 't morgen- en avondgebedt, voor en na den eten, de Catechismusvragen, 't lezen in den Bybel, Psalmzingen en schrijven, en alles in 't duits. 4. Zij spreken ook met Nederlanders, de leesgierigen leezen somtijds in Nederduitsche boeken. 5. En by aldien die zaak na een welgestelde ordre met de schoolen
begon, is 'er verwagting, dat twee derde of de helft van 't inlands christendom in 15 a 16 Jaren, en eerder, Nederduits spreken en verstaan zullen.’ (Valentijn 1726, IV-2:104.)
En zo wordt de verdediging van het Portugees tegenover het Maleis uiteindelijk een pleidooi voor het Nederlands.
In de achttiende eeuw heeft het Nederlands niet veel voet meer aan de grond weten te krijgen. Het bleef de huiselijke omgangstaal van de weinige families, waar zowel man als vrouw van Nederlandse afkomst waren, het bleef de voertaal op de VOC-kantoren, van de Hollandse gemeente, en het werd geleerd op de paar VOC-scholen die er te Batavia bestonden; het werd kortom gebruikt door een heel kleine groep binnen een voornamelijk Portugeessprekende samenleving. Het verschijnen van volledige Bijbelvertalingen in het Portugees en in het Maleis deed het bestaansrecht van het Nederlands alleen nog maar verminderen. In 1681 werd te Amsterdam de Portugese Bijbelvertaling van de predikant van de Portugese kerk te Batavia P. João Ferreira A. d'Almeida gedrukt, maar deze werd te slecht bevonden om op grote schaal te verspreiden. Het zou tot 1745 duren voordat een verbeterde versie van het Nieuwe Testament in het Portugees zou verschijnen, en pas in 1753 werd ook het Oude Testament in opdracht van de VOC te Batavia gedrukt. De Maleise vertaling van het Nieuwe Testament van Ds. Melchior Leydecker verscheen in 1731 en de complete Bijbel in 1733 te Amsterdam (Swellengrebel 1974:9-10, 13-20).36 Op de scholen was het Nederlands tot die tijd voornamelijk onderwezen als weg tot de ware godsdienst - de idee van het Nederlands als de weg naar het verwerven van bepaalde vaardigheden en kennis zou pas aan het einde van de achttiende eeuw ontstaan -, en deze reden viel, nu er een Portugees of Maleis alternatief voorhanden was, grotendeels weg.
Toch blijft het godsdienstige argument ook na die tijd nog wel gehanteerd worden. In het onder Gouverneur-Generaal Jacob Mossel (1750-61) op 23 mei 1752 vastgestelde zeer gedetailleerde ‘Reglement voor het weeshuis te Batavia’ wordt als taak van de ‘binnenmoeder’ aangewezen er voor te zorgen ‘dat de gesamentlyke weeskinderen van jongs af aan gewend werden de Neederduytsche taale te spreeken, ten eynde des te bequamer te syn tot het bywoonen van den godsdienst en de weeckelykse cathechisatie, omme
een begrip te krygen van de goddelyke waarheeden’, terwijl de schoolmeester als taak toebedeeld kreeg de kinderen ‘van jongs af de gronden en eerste beginselen van de Christelyke religie in te scherpen, waartoe een grondig onderwys van de Nederduytsche taale veel sal kunne te weegen brengen’ (NIP VI:218-20). Onder Gouverneur-Generaal Reinier de Klerk (1777-80) worden deze instructies in 1778 nog eens herhaald (NIP X:199, 204). Ook moesten de schoolmeesters er op toezien dat tijdens het speelkwartier ‘zy gedurende die uitspanning althans voor al geene andere dan de Nederduitsche taal mogen speeken en, dat niet doende, aanstonds van dit voorregt berooft worden’ (NIP X:427).
In het op 10 april 1778 vastgestelde ‘Schoolreglement voor de stad Batavia’ wordt overigens tevens de te hanteren didactiek bij het taalonderwijs vermeld: De schoolmeesters ‘sullen alle de kinderen en slaven van Christenen de Nederduitsche taal laaten aanleeren, hen in het eerst de Maleitsche en Portugeesche woorden, door dezelve gebruikt, in het Nederduitsch en de Nederduitsche woorden, die zy leezen, in het Maleitsch of Portugeesch vertolken en daar na beletten, dat ‘er geen andere taal dan de Nederduitsche van dezelve gesproken worde’ (NIP X:243).
De enkele scholen met Nederlands bleven gedurende de achttiende eeuw bestaan; van uitbreiding van het onderwijssysteem was echter geen sprake. Het Nederlands, bleef er de voorgeschreven voertaal, maar in de praktijk zal daar vaak niet veel van terecht gekomen zijn37, mede door het in 1758 in Nederland genomen besluit geen onderwijzers meer naar Indië te sturen (Grondijs 1896:40-1). Aan kennis van het Nederlands bij de schoolmeesters bleek het nogal te schorten - zij kenden vaak slechts Portugees of Maleis -, zodat in 1777 de Kerkeraad te Batavia verordent ‘de inlandsche leermeesters de Nederduitsche taal te doen aanleeren en geene andere persoonen tot inlandsche leermeesters of krankbezoekers voor te dragen, dan die goed Nederduitsch spreken’ (NIP X:106). Twee predikanten krijgen de taak om elke week te controleren ‘hoe verre de schoolmeesters in de Nederduitsche taal en in de Christelyke godsdienst zyn gevorderd’ (NIP X:124). In 1778 wordt zelfs vermeld dat de schoolmeesters ‘in den godsdienst en de Neder-
duitsche taal’ onderwezen worden (NIP X:246). Door hun gebrekkige kennis van het Nederlands waren deze schoolmeesters uiteraard gedwongen hun onderwijs in het Portugees of in het Maleis te geven. In 1779 blijken er te Batavia 639 scholieren te zijn, waarvan er 66 door de ‘mester koeliling’ worden bediend en de rest verdeeld is over de zes Compagniescholen en elf particuliere schooltjes.38 Was overigens het onderwijs tot dan toe slechts toegankelijk geweest voor de kinderen van Europeanen en Christelijke Mardijkers en slaven, nu worden kennelijk ook niet-Christelijke leerlingen toegelaten, gezien het voorschrift van 1780 dat ‘In alle de schoolen zullen de Christen-kinderen worden afgezondert van alle anderen; en inselvervoegen de Chineezen, Mahomedanen en slave-kinderen ieder afzonderlyk geplaatst worden’ (NIP X:425).
Onder het bewind van Gouverneur-Generaal De Klerk worden aldus een aantal concrete maatregelen getroffen om de positie van het Nederlands te versterken. Sedert Gouverneur-Generaal Van Goens een eeuw daarvoor, was er nooit weer zo veel aandacht aan het Nederlands besteed. Zo wordt er in 1780 een namiddagcursus geopend verplicht voor alle ‘jongelieden, die op één der comptoiren van de Edele Comp. alhier bescheiden zyn’, waar deze gratis ‘'s Woensdags en Saturdags namiddag van 4 tot 6 uuren, aan 't huis van den schoolmeester, Boterkoper [...] onderwys in de Nederduitse taal, 't cyfferen, enz. zal gegeeven worden’ (NIP X:427-8). De krankbezoekers worden ‘op boete van een halve maand gage’ verplicht twee keer per week de catechisatie bij te wonen ‘tot aanlering van den godsdienst in de Nederduitsche taal’ (NIP X:149). Kennelijk beheerste lang niet iedereen op de VOC-kantoren in voldoende mate het Nederlands. Onder het bewind van
De Klerk worden vervolgens nog in 1778 een particuliere meisjesschool ‘voor de dochters van fatsoenlijke lieden’ geopend, en in 1779 een kostschool ‘ter onderwijzing van de jeugd zonder onderscheid van stant of godsdienst’, waarschijnlijk beide mede bedoeld ter versterking van het Nederlandse element in de samenleving (Taylor 1988:133-4). Het is De Klerk kennelijk ernst met zijn poging het Nederlands in Indië te versterken en het op grotere schaal te introduceren bij de Inheemse bevolkingsgroepen. Daarbij lijkt men er zich goed van bewust dat het Nederlands alleen door middel van het Portugees of Maleis aan de Inheemsen geleerd kan worden. De Klerk schrijft eind 1778 over ‘de hoop, die er is, om door de vlyt en toeleg van dit Collegie [van Curatoren en Scholarchen], de Nederduitsche taal onder den inlander, met den waren godsdienst teffens, in te voeren, indien daartoe maar de noodige boeken konden worden bezorgd uit het Portugees en Maleitsch in het Nederduitsch’. De Klerk meldt dat met het oog hierop besloten is om in de ‘casteelsdrukkery voor rekening van de Comp.’ onder meer te laten drukken ‘een handleiding in de Nederduitsche spraakkunst, in het Nederduitsch, Maleidsch en Portugeesch, met een Latynsche en Arabische letter, mitsgaders herdrukken het woordenboek van Allewyn en Collé uit de Portugeesche in de Nederduitsche taal, desgelyks het woordenboek uit het Maleidsch in het Nederduitsch en uit het Nederduitsch in het Maleidsch’39 (Brief G.G. aan Heren Zeventien, 31-12-1778, in De Jonge 1862-


88, XI:356-7). Door het genoemde ‘collegie van curatoren en scholarchen’ was overigens in hetzelfde jaar, 1778, al het initiatief genomen tot het uitgeven van een Christelijk schoolboek - het eerste in ruim honderd jaar tijd (zie II, noot 31) - voor het (godsdienst)onderwijs in de Nederlandse taal.40
Hoe het intussen gesteld was met het Nederlands te Batavia, komt tot uitdrukking in de redevoering die de predikant Josua van Iperen in 1779 te Batavia hield bij wijze van inleiding ‘tot zijne openbare lessen, over de wijsbegeerte en fraaije letteren’. Hierin roept hij de inwoners van Batavia toe:
‘Batavia! Batavia!, gy hebt alom, in het Vaderland, den naam, dat er zeer goed Hollandsch, buiten en binnen uwe muuren gesprooken wordt: en dat getuigenisse heb ik, ten minste eenigzins, bewaarheid gevonden; inzonderheid met opzigt tot de uitsprake, en tot de taalleidinge der aanzienelykste mannen van dit voortreffelyk Wingewest. O mogt ik dat ook kunnen zeggen van uwe beminde vrouwen en van uwe lieve kinderen! O Batavia! mogt elk lid van onze burgery, die Maleitsch of Portugeesch, en dat nog zeer gebrekkig tegen de slaven brabbelt, en geene van die beide talen naar behooren, en volgens de regels spreekt: ten minste, die schoone, die zuivere tale, ik meene onze Nederlandsche Moedersprake, zich, volgens de regelen, eigen maken; gelyk in het Vaderland, onze kinderen, onze zoontjes en dochtertjes, vroeg, in de Fransche en Engelsche talen, onderweezen worden!’ (Van Iperen 1779:20-1.)
De hernieuwde aandacht voor het Nederlands in Indië gaat niet aan het moederland voorbij, want in 1781 wordt er door de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem een prijsvraag uitgeschreven over de vraag
‘Welke zijn de beste en vaardigste Middelen, om het gebruik der Nederduitsche Spraak onder de Maleiers, Javaanen, Cingaleezen en Malabaaren intevoeren, en meer en meer algemeen gebruikelijk te maken? Nademaal het ontegenzeggelyk is, dat het gebruik der Spraak eener Natie; haar meer genegenheid en yver voor die Natie inboezemt; ze geschikter maakt, zo het een nog onbeschaafde Natie is, tot betere begrippen van Godsdienst, Zedekunde en Natuurkundige Naspeuringen, om beschaafdheid van het Verstand te ontvangen, en dus bruikbaarer tot de Zeevaart, Wapenoeffening, en veele andere nuttige en noodzakelijke Konsten en Handwerken te worden?’ (Nieuw Nederlandsch Jaarboek 28 (1793), I:947.)


Deze prijsvraag is waarschijnlijk als een vervolg bedoeld op de reeds eerder op 1 januari 1775 door dit genootschap uitgeschreven prijsvraag ‘Welke zijn de beste middelen om de ware en zuivere leer van het Evangelie onder de bewoners der Colonien van den Staat meer te bevestigen, en in die landstreken voort te planten?’. In de drie inzendingen die op de laatstgenoemde prijsvraag waren binnengekomen werd ten zeerste gepleit voor het bevorderen van de kennis van de Nederlandse taal, in het belang van de verdere verspreiding van de Christelijke godsdienst.41 Volgens de Bataviase predikant Petrus Hofstede, die de eerste prijs had gekregen, wordt het vinden van geschikte predikanten voor Indië bemoeilijkt door de verplichting tot het aanleren van de Inheemse talen:
‘Dit staat velen, die anders nog wel trek tot den Indischen dienst zouden hebben zeer in den weg. De Portugezen, hierin naervolgers van de Staatkunde der oude Romeinen, wisten, te gelyk met de heerschappy, hunne spraak onder de overwonnene volkeren in te voeren. Had de Compagnie in de Landen van haar gebied de Nederduitsche taal in gebruik kunnen brengen, de verkondiging van het Evangelium zou daar door meer bevorderd en gemaklyker gemaakt zyn. “'t is naauwelyks te geloven (zegd de Bataviasche Kerkeraad, in deszelfs Advies over de drie bekroonde stukken, betreffende de bevestiging en voortplanting van den Christelyken Godsdienst, in de volkplantingen van den Staat) hoe ver de onkunde onzer Nederlandsche taal gaat, inzonderheid der Vrouwen, die zig de gemeene Maleitsche taal zoodanig eigen maken, dat de meesten onder haar volstrekt buiten staat zyn een aaneengeschakelde Kerkreden in 't Nederduitsch te verstaan, gelyk ook de kinders, die men in derzelver tederste jaren aan slavenmeiden toevertrouwt, onzer taal geheel onkundig zyn. Wat invloed dit op de kundigheden, gevoelens en betragtingen van den Godsdienst moet maken, is zeer ligt te beseffen.”’ (Hofstede 1780:78-9.)
Hoewel aldus ook aan het einde van de achttiende eeuw het denkbeeld van het Nederlands als de weg tot de Christelijke godsdienst nog niet verlaten is, wordt in elk geval in de Haarlemse prijsvraag van 1781 voor het eerst de invoering van het Nederlands bij Inheemsen anders gemotiveerd dan met argumenten van godsdienstige aard alleen. Een belangrijk argument is nu ook het voordeel dat de VOC zou kunnen hebben van Inheemsen die in de Nederlandse taal opgeleid worden voor allerlei functies en beroepen. Tevens wordt het argument gebruikt dat men de Inheemsen door middel van de Nederlandse taal meer aan zich kan binden. Het idee van het Nederlands als weg naar het ware Christelijke geloof, wordt zo aan het einde van de achttiende eeuw gaandeweg vervangen door het idee van het Nederlands als weg naar kennis, vaardigheden en wetenschap. De hernieuwde aandacht voor het Nederlands in deze jaren hangt
aldus samen met de in de achttiende eeuw ontwikkelde nieuwe denkbeelden der Verlichting, waarbij opvoeding en onderwijs niet meer alleen in dienst van de godsdienst staan, maar gebaseerd zijn op het ‘verbeteren’ van de mensen zelf door middel van kennisverwerving. Onderwijs is dan ook niet langer alleen maar godsdienstonderwijs en taalonderwijs is niet langer alleen maar gekoppeld aan godsdienstonderwijs.
Al in het midden van de achttiende eeuw is deze ontwikkeling in de sfeer van verlichtingsidealen waar te nemen in enkele door Gouverneur-Generaal Gustaaf Willem Baron van Imhoff (1743-50) getroffen maatregelen. Om iets te doen aan het voortdurende tekort aan gekwalificeerde godsdienstonderwijzers die in de landstalen het Evangelie konden verkondigen, richtte hij in 1745 het Seminarium Theologicum op, naar voorbeeld van het door hem hervormde Singalees Seminarie te Colombo op Ceylon dat al sinds 1696 bestond (zie II.2.4 en II, noot 71): ‘Zo zal Ceijlon genoegsame leeraren voor de West, en Batavia voor Java en de Oost, mitsgaders het geheele gedeelte van Indiën, alwaar de Maleijdsche taale gangbaar is, in der tijd uijt leveren’ (Consideratien Van Imhoff 24-11-1741, in Van der Chijs 1861:186). Het seminarie zou uit vier klassen bestaan die in ongeveer acht jaar tijd doorlopen zouden kunnen worden. In de eerste klas wordt Nederlands geleerd, maar ook Maleis en Portugees staan op het programma en voor elk van deze talen was een speciale onderwijzer nodig, ‘die pari passe leert in die taale wat haar teffens door den Nederduijtsche meester in deeze tale werd geleert’. In de tweede klas wordt Latijn geleerd, maar ook de Maleise en Portugese onderwijzers gaan door ‘om ook aan deeze discipulen in de inlandsche talen met gelijke schreeden te doen leeren, wat zij in het Latijn leeren [...] op dat haar d'eene taale soo familiair werde als de andere’. In de derde klas wordt ook nog Grieks en Hebreeuws aan het programma toegevoegd (Propositie tot het opregten van een Seminarium, Van Imhoff 25-6-1745, in Van der Chijs 1861:190-1). Het Seminarie van Batavia heeft echter slechts een tiental jaren bestaan en is in 1755 door Van Imhoffs opvolger Gouverneur-Generaal Jacob Mossel (1750-61) om bezuinigingsredenen gesloten, op het moment dat het aantal leerlingen gegroeid was tot 53 studenten.
Overigens had een dergelijk Collegium een eeuw eerder al eens bestaan, namelijk de onder Gouverneur-Generaal Van Diemen in 1642 opgerichte ‘Latijnsche School’ - de eerste instelling voor middelbaar onderwijs in de Indonesische archipel42 -, niet zozeer bedoeld als opleiding van godsdienstleraren, maar meer als voorbereiding voor de theologische studie op de
kweekschool van Professor Antonius Walaeus te Leiden, waar sinds 1622 een opleiding werd verzorgd voor de Indische kerkdienst. Uit het Weeshuis werden de twaalf ‘“gauwste ende goetaerdighste Nederlandsche en Mestice jongens” geselecteerd om in de Latijnse taal onderwezen’ te worden (Van der Chijs 1861:170). Het onderwijs was aldus bedoeld voor kinderen van zuiver Nederlandse of gemengde afkomst. In de ‘Ordre voor de Latijnse schole der stadt Batavia’ werd voorgeschreven dat ‘Onder d'schoolkinderen zal geen ander tale als d'Latijnse gebruijckt werden, uijtgenomen dat men den nieuwelingen in d'eerste beginselen der tale verserende, het gebruijck der Nederduijtsche spraecke moet toestaen ende anders gene’ (Van der Chijs 1861:176).
Kennelijk was niet iedereen even overtuigd van het nut van een dergelijke Latijnse school. Als namelijk de Gouverneur van Amboina Arnold de Vlamingh van Oudshoorn (1647-54) in 1651 een vijftal kinderen van Christelijke Inheemse hoofden naar Batavia stuurt om ze op te leiden tot godsdienstonderwijzers, deelt Gouverneur-Generaal Carel Reiniersz. (1650-53) aan de Heren Zeventien in Nederland mee dat deze met behulp van de Nederlandse taal in de ‘heijlige theologie’ geïnstrueerd zullen worden, ‘also het Latijn haer, in hare landen, niet ofte weijnig te passe can comen, ende het Duijts haer meer aan onsen staet verplichten ende eijgen maken sal, welcke tale sij seer beswaerlijck sullen leeren, bij aldien aen het Latijn gehouden worden’ (Citaat in Neerlandia 1902-2:21).
De school heeft dan ook slechts korte tijd bestaan. Hoewel het leerlingenaantal daar niet direct aanleiding toe gaf, werd hij onder het bewind van Gouverneur-Generaal Maetsuycker in 1656 opgeheven, meer uit ‘koude berekening van geldelijk verlies dan overwegingen omtrent het staatkundige en maatschappelijke belang eener Latijnsche school in Indië’, meent Van der Chijs (1861:181).43
In 1755, hetzelfde jaar waarin het door Van Imhoff opgerichte seminarie werd gesloten, werd eveneens opgeheven de in 1743 door hem opgerichte ‘Academie de Marine’44, waar vierentwintig jongens van Europese afkomst - ‘geen inlanders of slaven zullen in 't Academie-huys g'admitteert worden’ - Maleis, Malabaars en Perzisch leerden, ‘vooral ook in den vulgairen dialect van 't laatstgem., dewelke onder de Moorse matrosen gesproken word, om dat volk in haare tale te kunnen commanderen [...]; doch van voorsz. talen zal geen gebruik worden gemaakt in den dagelyksen

De Latijnse School omstreeks 1670 (Nieuhof 1682:208)
ommegang onder den anderen in de Academie, zonder speciale toestemminge van de Gouverneurs’ (NIP V:81-2). Om het spreken van de Inheemse talen op de school te voorkomen, mochten zelfs uitsluitend Europese bedienden worden aangesteld. Voor het eerst zien we op deze school dat talenstudie niet langer verbonden is met godsdienst, maar in dienst komt te staan van de handelsbelangen van de Compagnie.
In de tijd van Gouverneur-Generaal Van Imhoff (1743-50) waren dus al enkele tekenen te zien in de richting van de idealen der Verlichting. Deze tendens wordt echter, zoals we gezien hebben, vooral onder het bewind van Gouverneur-Generaal De Klerk goed zichtbaar. Juist onder zijn bewind wordt in 1778 het Bataviaas Genootschap van Kunsten en Wetenschappen opgericht.45 Door dit Genootschap wordt een soortgelijke prijsvraag als de in 1781 door de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem uitgeloofde prijsvraag uitgeschreven, ‘met eene praemie van één honderd gekartelde dukatons’, om voor december 1783 antwoord te geven op de vraag ‘welke middelen zijn het meest geschikt, ter verbetering, zoo van de natuurlijke als zedelijke opvoeding der kinderen in deeze Colonie? En welk is het beste middel, om, onder alle beletzelen, de kinderen hier te lande, de Nederduitsche taal, van hunne eerste jaaren af, als hunne moeder-taal, eigen te maaken?’ (Verhandelingen Bataviaasch Genootschap deel 4 (1786): 13). Deze laatste prijsvraag richtte zich daarmee op de kinderen van (Indo-) Europese afkomst en niet - zoals de Haarlemse prijsvraag - op de Inheemse kinderen. Op geen van beide prijsvragen zijn overigens reacties binnen gekomen, ondanks het feit dat de inzendingstermijn herhaaldelijk werd verlengd. De Haarlemse prijsvraag van 1781 was in elk geval in 1795 nog niet beantwoord (Nieuw Nederlandsch Jaarboek 30 (1795), IV:3137).
Maar de hernieuwde aandacht voor het Nederlands, die vooral onder het bewind van De Klerk naar voren kwam, blijkt voorlopig van korte duur te zijn. Op 28 juli 1786 wordt, onder zijn opvolger Gouverneur-Generaal Willem Arnold Alting (1780-96), besloten:
‘dat, ofschoon de ordre wel legt, dat alle ter school komende kinderen geene andere dan de Hollandsche taal mogen spreken, de ondervinding egter leert, dat het grootst gedeelte daar niet toe te houden is en vele, wier ouders die taal in 't geheel niet kundig zyn, van het onderwys in de scholen ook geen voordeel trekken en dus onwetend blyven opgroeyen; zo is goedgevonden en verstaan voortaan alleen de Hollandsche taal te laten aanleren in twee der vier Comps. scholen en in de twee andere, ieder afzonderlyk, alleen de Portugesche en Maleidse spraken’ (NIP X:849-50).
Twee jaar later, in 1788, wordt ook het Nederlands als voertaal op de school van het Armenhuis vervangen door het Portugees, omdat ‘de daar in
onderweezen wordende kinderen alle van Portugeesche ouders waaren en dus niet dan zeer moeielyk de Hollandsche taal leerden en, schoon zy daarin ook al goede vorderingen maakten, nogtans niet verstonden, wat zy leerden’ (NIP XI:35). Aan de ‘scholarchen’ wordt daarom toegestaan om op kosten van de compagnie 500 exemplaren van het Portugese A.B.C.-boekje te laten drukken (Van der Chijs 1879:34). Tevens wordt een einde gemaakt aan de in de Nederlandse taal gehouden catechisatie, nu immers ‘de schoolmeesters dier drie schoolen, het onderwys in de Nederduitsche taal, waartoe eigentlyk de eerstgemelde gehoudene catechisatien zijn ingericht geweest, zo zeer niet nodig hebben’ (NIP XI:54). En daarmee erkende de overheid uiteindelijk zelf dat het niet gelukt was om het Nederlandse element in de samenleving nog langer te handhaven. In 1797 wordt zelfs het aantal ‘Inlandsche leermeesters’ verminderd van twintig tot twaalf, namelijk acht voor de Portugese en vier voor de Maleise taal (NIP XII:350). Voor de Nederlandse taal is er dan niet één leermeester meer.
Zo is het Nederlands dan aan het einde van de achttiende eeuw, het einde ook van het VOC-tijdperk, op sterven na dood. Sprak in 1673 misschien zo'n vier procent van de bevolking van Batavia Nederlands, in 1699 is dit percentage gedaald tot minder dan vier procent, in 1739 tot twee procent, en aan het einde van de achttiende eeuw is dit percentage gedaald tot wellicht minder dan één procent van de stadsbevolking.46 Buiten de ambtelijke wereld van het VOC-bestuur en van de Nederlandse mannen die daarbij betrokken waren - de wereld van de schrijftaal dan nog voor-
namelijk -, werd het Nederlands nauwelijk gekend. En zelfs binnen deze ambtelijke wereld was het met de kennis van het Nederlands niet altijd even goed gesteld, zoals blijkt uit allerlei ambtelijke stukken (Kalff 1918). Het handjevol kinderen van Mardijkers, Inheemsen en slaven dat wat Nederlands had geleerd op een van de weinige Compagniescholen, kon hieraan niet veel veranderen.47 Veranderen zou de situatie voorlopig weinig meer. Tijdens het Engelse tussenbewind (1811-16) wordt dan ook vanuit Indië gemeld dat ‘Dutch is almost as foreign as English’ (Citaat in Prick van Wely 1906:20).
Ook in de andere hoofdvestigingen van de VOC in Oost-Indië werd aanvankelijk geprobeerd het Nederlands als voertaal op de scholen in te voeren. Gouverneur-Generaal Van Diemen schreef op 9 mei 1643 aan Gouverneur Maximiliaen le Maire (1643-44) van Formosa, dat ‘'t moet daer nae worden geschickt, dat [de Formosanen] de Nederlantse Spraecke aannemen’ (Citaat in Ginsel 1931:103). Pas dan zouden de Formosanen ware genegenheid gaan voelen voor de Hollanders. Juist omdat er op Formosa geen algemeen gebruikelijke omgangstaal bestond - er waren verscheidene Formosaanse ‘dorpsdialecten’ in zwang -, zou het Nederlands hiertoe kunnen worden ingevoerd. Le Maire antwoordt Van Diemen op 15 oktober 1643 dat ‘aangezien Formosa geen gemeenschappelijke taal heeft, maar bijna ieder dorp zijn eigen spraak, het wenschelijk is de inboorlingen in de Nederlandsche taal te onderrichten, zoals de Portugeezen zulks doen in hun koloniën’ (Citaat in Prick van Wely 1908:7). Op 4 juli 1644 herhaalt Van Diemen zijn voorstel in een instructie aan Gouverneur François Caron (1644-46) en stelt voor om het aantal op school gebruikte talen terug te brengen tot twee of drie en langzamerhand geheel over te gaan op het Nederlands.48 Hoewel Gouverneur Caron het extreem moeilijk acht om het

Formosa
Nederlands bij de Inheemse bevolking in te voeren (Campbell 1903:206-7; Daghregister 1645:165), blijkt dat er in 1648 op tenminste negen plaatsen met onderwijs in het Nederlands is begonnen, maar hier en daar verloopt het onderwijs nog wel wat moeizaam. Er zou zelfs sprake zijn van een grote drang tot ‘hollandiseren’ bij de Inheemse bevolking; gemeld wordt dat met ‘lust en vermaeck onse tale vande jonckheijt geleert wordt’, en zelfs wordt verzocht Hollandse namen te mogen aannemen, alsmede Hollandse klederdracht te mogen dragen (Ginsel 1931:103-4). Gouverneur Pieter Antonisz. Over't Water (1646-50) trekt hieruit de conclusie dat de Inheemse bevolking kennelijk volkomen tevreden is met het Nederlandse bewind (Brief aan G.G. C. van der Lijn 2-11-1648, in Grothe 1887:67). Enthousiast wordt op 3 november 1648 door de Kerkeraad van Tayouan bericht dat het Nederlands een goede toekomst heeft, omdat de Formosanen ‘stercke memoriën hebben, datse onse tale tot verwonderens toe promptelyck uytspreecken’ (Citaat in Grothe 1887:83).49


Aangemoedigd door de goede resultaten met het Nederlands op de scholen, wordt in 1656 door enkele predikanten voorgesteld ook aan de oudere Formosanen het Nederlands te leren. Gouverneur Cornelis Caesar (1653-56) vraagt zich echter met een aantal andere predikanten af of een algemene invoering van het Nederlands niet juist de kerstening aanmerkelijk zou doen vertragen. Zijn opvolger Gouverneur Frederik Coyett (1656-62) bericht Gouverneur-Generaal Maetsuyker op 30 november 1656 over de onenigheid onder de predikanten over deze zaak. De voorgestelde taalhervorming wordt daarop om genoemde reden in 1657 door Maetsuyker en de Raad van Indië te Batavia unaniem afgekeurd (Campbell 1903:232). In het onderwijs blijft het Nederlands ook daarna echter een grote rol spelen.50
Om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, werd in 1659 te Soelang een Collegium opgericht, dat tot doel had de opleiding van Formosaanse jongeren tot godsdienstleraar. Dertig Formosaanse jongens kregen er theologisch onderricht, eerst met het Formosaans (Sinkan) als voertaal, en later bij verdere studie met het Nederlands als voertaal. Elke middag werd er twee uur Nederlandse les gegeven met behulp van het Formosaans. De bedoeling was om langzamerhand geheel op het Nederlands als voertaal
over te stappen. Voor het onderwijzen van het Nederlands als vreemde taal werd gebruik gemaakt van het boek Deure off Portaal der Taalen, samengesteld door Joannes Amos Comenius (1592-1670), op basis waarvan enkele eenvoudige ‘samenspraken’ in het Formosaans (Sinkan) en het Nederlands waren samengesteld.51 Om het Nederlandsspreken aan te moedigen werd er in het reglement van het Collegium opgenomen dat ‘by beurte alle daagen twe custodes gestelt [sullen] worden, die gehouden sullen wesen op te teeckenen en aan te brengen aande Subregent alle die gene, die int collegie geen duytsch spreken, of in eenigerhande maniere haar misdraagen’ (Citaat in Grothe 1887:199-200). Het beoogde doel werd echter nimmer bereikt, doordat in 1662 Formosa veroverd werd door de Chinezen en voor de Nederlanders verloren ging.
De invoering van het Nederlands via het onderwijs lijkt op Formosa meer succes te hebben gehad dan in de Molukken en in Batavia.52 Dit is wellicht te verklaren uit het feit dat toen de Nederlanders in 1624 op Formosa kwamen daar geen Portugese voorganger was geweest, waardoor het Portugees er als lingua franca geen ingang had gevonden. Ook het Maleis als lingua franca was op Formosa niet of nauwelijks in gebruik geraakt. Bij hun komst troffen de Nederlanders dan ook slechts de lokale Formosaanse talen aan, die aanvankelijk als voertaal bij het onderwijs en bij de kerstening werden gebruikt, voor zover de zendelingen en schoolmeesters daar althans kennis van hadden.53 Bij gebrek aan een algemene omgangstaal werd echter
steeds meer het Nederlands als zodanig gepropageerd. Wellicht is Formosa het enige gebied in Oost-Indië geweest, waar het Nederlands daadwerkelijk de kans heeft gehad om op den duur de algemene omgangstaal te worden van kerk, onderwijs en bestuur. ‘Als de plannenmakers al hun dromen hadden kunnen verwezenlijken, had Formosa mogelijk een calvinistisch en Nederlandssprekend eiland kunnen worden’, meent Molewijk (1991:18) dan ook terecht. De taalpolitiek van de VOC ten gunste van het Nederlands lijkt op Formosa in elk geval meer succes te hebben gehad dan op de Molukken, in Batavia, en - zoals we in 2.4 zullen zien - op Ceylon.
Kort na de vestiging van het Nederlands gezag in Colombo op Ceylon (1656), vaardigde Gouverneur Ryckloff van Goens (1659-75)54 in 1659 een soortgelijk plakkaat uit als het in 1641 door Gouverneur-Generaal Van Diemen te Batavia uitgevaardigde (zie II.2 en 2.2), eveneens met als doel ‘de voortsettingh ende vaststellingh der Nederduytse tale, daarentegen verdelinge ende abolitie der Portugese spraacke, om met deser uytroeyngh ende investingh der onse den naam ende gedachtenisse onser vijanden mogen vergeten ende d'onse ingegriffet werden’ (Plakaat 14-11-1659, in Hovy 1991, I:49). Van Goens had Groot-Nederlandse plannen - zoals Matelieff een halve eeuw tevoren voor de Molukken voor ogen had gehad - en wilde van Ceylon een ‘Nieuw Nederland’ maken, en zelfs het bestuurlijk centrum van de VOC verplaatsen van Batavia naar Colombo (Van Goor 1978:16). Omdat de meeste kinderen grootgebracht werden door slaven - in het Portugees -, en opdat deze kinderen ‘die tale harer vaderen’ zuiver zullen leren, werd op straffe van geldboetes ‘ydere inwoonderen deses eylants gelast ende bevolen hare slaven (wel verstaande jongens ofte mannen), alle die de Duytse tale niet spreecken konnen, het haar van den hoofde kort doen affsnijden ende soodanich sonder hoeden dragen laten totdat sij Duyts connen’55 (Plakaat 14-11-1659, in Hovy 1991, I:49-50).56 Wat
dit plakkaat heeft uitgericht is niet bekend, maar kennelijk achtte men het nodig om het plakkaat bij resolutie van 13 maart tot 3 april 1668 te hernieuwen (Hovy 1991,I:49). Op 28 maart 1668 werd er door de Kerkeraad te Colombo ‘over de Talen gesproken, en een middel beraamd, om het Portugeesch, volgens 't Plakaat Anno 1659 afgekondigd, niet in te voeren, en de Landaard van 't Portugeesch af te wenden’ (Valentijn 1726, V-2:416). En in een later plakkaat van 22 november 1690 werd door de regering afgekondigd dat ‘er na verloop van 15 jaaren onder het gantsche Cooninkrijk van Jaffanapatnam niemand in den dienst van d'edele Compagnie eenige bedieningen van 't land zal ontvangen, hetzij van cannecappels, ontvangers, majoraals, schoolmeesters, araatchies, canganes, pattangatijns57 ofte diergelijke dan die de Nederduytse tale volkomen verstaan, spreken, lesen en schrijven kan’ (Hovy 1991, I:250; zie ook P. van Dam 1954:246; Van Goor 1978:46).
Het gebrek aan schoolmeesters die onderwijs in de Nederlandse taal kunnen geven, doet Van Goens in 1670 voorstellen dat om goede schoolmeesters op te leiden in elk district ‘een schole wierde opgereght van gaeuwe Mallabaerse en Nederlantsche jongens, die alhier uyt Nederlantsche ouders geteelt waeren, welcke dan, behalven de beginselen der Christelijcke religie, door malkanderen Nederduytsch en Malabaersch leeren soude’ (Consideratien Simon Cath 6-8-1690, in P. van Dam 1954:49).
Op dat moment, in 1671, zouden er in het district Jaffnapatnam (in het noorden van Ceylon) 105.000 Christenen onder wie 20.424 schoolkinderen zijn, en in het district Colombo (in het westen) en het district Galle (in het zuiden) samen omtrent 20.000 Christenen en 14.000 schoolkinderen (Van Goor 1978:113). Om al deze schoolkinderen goed onderwijs te kunnen geven en hen ‘nevens de fondamenten van de christelijcke religie oock die van de Duytsche tale te doen leeren’, waren goede schoolmeesters noodzakelijk, ‘die de bequaemheyt hebben om de kinderen na behoren te instrueren en haar de Duytsche taal grondigh te doen vatten, immers haar tot die
bequaemheyt te brengen om andere weder te kunnen onderwijsen’ (Haagse Verbaal 11-3-1671, in P. van Dam 1954:190-1). Daarom werd aan Nederland verzocht om drie of vier ‘bequame mannen, om tot Colombo, Gale en in 't rijck van Jaffnapatnam bij verdeelinge geplaatst te worden’. Hun taak zou zijn om toezicht te houden op de Inheemse schoolmeesters en tevens aan de reeds gevorderde leerlingen ‘de gronden van onse Duytsche tael te doen vatten, een goet autheur met verstant te leren lesen, en sulcx daardoor een redelijcke stijl van schrijven te krijgen en overigens mede verder in de christelijcke religie onderwesen te worden’ (Haagse Verbaal 11-3-1671, in P. van Dam 1954:191). Aan dit verzoek wordt door de Heren Zeventien echter geen gevolg gegeven. Men vindt dat ‘sij haar souden hebben te bedienen van luyden onder de militie overkomende of oock wel vrije luyden, die daartoe de beqaeumheyt souden mogen hebben’ (Resolutie, 17-8-1676, in P. van Dam 1954:19). Vanwege het grote gebrek aan geschikte schoolmeesters en de slechte ervaringen die waren opgedaan met het daartoe aanstellen van soldaten, die ‘in 't gemeyn luyden sijn niet al te stightelyck van leven’ en als schoolmeester ‘veeltijts uytspatten en grote ergernissen geven’, werden plannen-gemaakt om een seminarium op te richten, zoals destijds op Formosa had bestaan, ter opleiding van schoolmeesters, catechisten, tolken en schrijvers (P. van Dam 1954:19).
Een eerste seminarium wordt in 1690 geopend te Nalloer, ‘een kleyn uyr gaans van het casteel’ van Jaffnapatnam58, waar 27 kinderen heen worden gebracht ‘om in de Nederlantsche en Mallabaerse taal [...] onderwesen, in de vrese Godes opgevoet en tot de kennisse van de ware Christelijcke religie gebragt te worden’. Aan het seminarie verbonden wordt een openbare lagere school, waar aan Inheemse Christenkinderen eveneens de gelegenheid wordt geboden Nederlands te leren. Dergelijke scholen worden in het district ook op vier andere plaatsen opgericht en van Nederlandse schoolmeesters voorzien (P. van Dam 1954:21-2). Deze maatregelen werden getroffen, ‘omdat er veele honderden van menschen ons gebeden hebbende hare kinderen in het queekschool te besteden en afgewesen zijnde niet despereeren mogten’. Nu immers de regering had aangekondigd na verloop van tijd nog slechts Inheemse dienaren te zullen benoemen die voldoende kennis hadden van het Nederlands, was aan te nemen ‘dat alle inwoonders van dit Koninkrijk, voornamentlijck de hoogste geslagten, haer devoir zullen doen om de Duytsche taal te leeren’ (Reglement Malabaars Seminarie 2-12-1690, in Hovy 1991, I:258-9; zie ook: P. van Dam 1954:246-7).
In het Reglement en ordre van het Malabaars Seminarie te Nalloer van 2

India

Ceylon
december 1690, vastgesteld door de commissaris van de VOC Hendrik Adriaan van Rheede tot Drakesteyn (1685-91), wordt uitvoerig beschreven hoe het onderwijs in het Nederlands dient te worden gegeven, hoe men het Nederlandse A.B.C. - met behulp van een soort letterplankje59 - moet onderwijzen en de Nederlandse uitspraak moet oefenen. Dit Reglement is dan ook niet zo zeer een reglement zoals men zou verwachten, maar vormt een soort van handleiding voor het onderwijzen van het Nederlands als vreemde taal en is wellicht de oudste didactische handleiding op dit gebied. Een van de uitgangspunten is dat er contrastief moet worden gewerkt, in die zin dat ‘deselve letters, syllaben en woorden die voor de middag in de Nederduytsche tale geleerd werden, na de middag in de Mallabaarse tale moeten werden voorgelesen, uytgesproken en geschreven, ten eynde de kinderen daardoor de cragt en translatie van beyde ten regten mogen leeren begrijpen’. Grote aandacht wordt geschonken aan de uitspraak van het Nederlands, ‘omdat het kenbaar is dat de tong der inlanders g'appliceerd en gewend is aen een gantsch andere uytspraek als d'onse, oversulcks veele woorden, ja syllaben en letters seer crom en niet dan met groote moeyte ondervonden door de inlanders voormelt ons konnen werden nagesegt, soo moet den schoolmeester hiervan sijn voornaemste werk maken en niet ophouden voor en aleer hem alles sonder eenige berispelijkheyd door de kinderen nagesproken werd’ (Reglement Malabaars Seminarie 2-12-1690, in Hovy 1991, I:252-3; zie ook P. van Dam 1954:240-1).
Het voorbeeld van Jaffnapatnam wordt gevolgd bij de oprichting van het Singalees Seminarium te Colombo in 1696.60 De behoefte daar aan een seminarie voor de opleiding van catechisten, predikanten, schoolmeesters, schrijvers en tolken zou groot zijn, want alleen al in het district Colombo waren op dat moment 34 Christelijke scholen met 3.417 scholieren. Enthousiast wordt in 1699 gemeld dat het met het onderwijs behoorlijk gesteld is ‘verstaande de discipulen al het grootste gedeelte de Nederduytsche spraeck als oock de voorname gronden van de christelijke religie, niet soo als sij
deselve uyt een boeck hebben van buyten geleert en dat soo kunnen reciteren, maar dat een goede en onderscheyde bevattingh daarvan hebben’ (Brief Ds. J. Ruël, 22-11-1699, in P. van Dam 1954:273).61 Bij de examens bleek in het Singalees én in het Nederlands geantwoord te kunnen worden.