terug  begin  verder
[p. 465]

Samenvatting

De taalpolitiek van de VOC wordt vooral gekenmerkt door pragmatisme. Men probeert - in ieder geval aanvankelijk - het Nederlands in zekere mate ingang te laten vinden, het althans de huiselijke omgangstaal te maken van Europeanen en Indo-Europeanen. Daarnaast wordt gepoogd de tot het Christendom bekeerde slaven, Mardijkers en Inheemsen kennis van het Nederlands bij te brengen. Veel moeite om dit ideaal ook daadwerkelijk te bereiken heeft men zich echter in het algemeen niet getroost. De taalpolitieke maatregelen, die worden getroffen om de positie van het Nederlands te versterken en het de voertaal te maken in de kerkdiensten en in de scholen, vermogen weinig uit te richten tegen de overmacht van het als lingua franca aangetroffen Portugees en Maleis.

Aanvankelijk wordt het Nederlands vooral ingezet tegen het Portugees, de taal van de vijand en de taal van het Katholicisme. Maar behalve dat het Nederlands wordt gezien als de weg tot het ware geloof, wordt het ook beschouwd als weg tot staatkundig zelfbehoud: via de Nederlandse taal zou men de bevolking aan zich kunnen binden. Dit geldt althans het Christelijke deel van de bevolking, want kennis van de Nederlandse taal bij de Inheemse ‘heidenen’ of ‘Mohammedanen’ wordt juist weer staatsgevaarlijk geacht. Tegen het midden van de achttiende eeuw komt voor het eerst het besef naar voren dat Nederlandssprekende Inheemsen nuttig kunnen zijn voor de economische bedrijvigheid van de Compagnie en dan wordt het Nederlands ook de weg tot het opdoen van Westerse kennis en vaardigheden. In de tweede helft van de achttiende eeuw speelt bovendien de angst dat elk Nederlands cultuurelement uit de samenleving zal verdwijnen door de overheersende mestiezencultuur en wordt het Nederlands gezien als weg tot cultureel identiteitsbehoud.

Achteraf beschouwd blijkt de taalpolitiek van de VOC, om de positie van het Nederlands te versterken, echter een mislukking.

In de Molukken is het Nederlands al vanaf het midden van de zeventiende eeuw niet langer in gebruik als schooltaal of kerktaal. Het wordt er nog slechts gebruikt als de officiële bestuurstaal op de VOC-kantoren door de VOC-ambtenaren en door een deel van de soldaten en matrozen.

In Batavia kunnen de incidentele maatregelen ter bevordering van het

[p. 466]

Nederlands niet voorkomen, dat de positie van het Nederlands binnen de taalkaart van Batavia steeds zwakker wordt, ten gunste van het allesoverheersende Portugees - en later vooral ook het Maleis - als algemene verkeerstaal. Het Nederlands is er slechts in gebruik als de officiële taal van het bestuur, van de Hollandse kerk en van de enkele scholen waar Nederlands wordt onderwezen.

In Ceylon (Sri Lanka) (1656-1795) is het Nederlands nog meer dan in Batavia teruggedrongen tot de VOC-kantoren. Zelfs voor de aanzienlijkste Europeanen is het vaak niet de huiselijke omgangstaal.

Alleen op Formosa (Taiwan) (1624-1662) heeft het Nederlands als gevolg van de daar bewust gevoerde taalpolitiek - het Portugees en Maleis speelden er als lingua franca een ondergeschikte rol - daadwerkelijk de kans gehad de dagelijkse omgangstaal te worden van het bestuur, de kerk en het onderwijs.

Aan het einde van de achttiende eeuw is de door de VOC gevoerde taalpolitiek ten aanzien van het Nederlands failliet en is het Nederlands in Indië op sterven na dood. Het Portugees en het Maleis komen - onbedoeld en ongewild - als de overwinnaars naar voren. Geheel verwonderlijk is dit overigens niet, gezien de relatief zeer kleine en niet-homogene groep Europeanen temidden van de vele Aziatische volkeren, en gezien ook het feit dat de VOC voor alles een handelsonderneming was.

 

De taalpolitiek die na het herstel van het Nederlandse gezag, na het Engelse tussenbestuur in de periode 1811-1816, wordt gevoerd om de positie van het Nederlands in Indië te versterken, is tot in de jaren zestig alleen gericht op de Europese bevolkingsgroep. De bedoeling is om via de taal het Nederlandse element in de Europese maatschappelijke kringen te versterken ten koste van de overheersende mestiezencultuur, en zodoende een zekere loyaliteit bij de Indo-Europese bevolkingsgroep te garanderen. Langzaam maar zeker wordt gewerkt aan de opbouw van het Europees onderwijs, dat overigens pas in de jaren tachtig voldoende capaciteit krijgt. Van de Europese bevolkingsgroep spreekt nog in 1870 niet meer dan twintig tot dertig procent Nederlands in huiselijke kring of op het werk, maar bij de eeuwwisseling is dit percentage toegenomen tot zo'n veertig procent en bezit bovendien nog eens dertig procent een zekere passieve kennis van het Nederlands. De in het laatste kwart van de negentiende eeuw toegenomen vernederlandsing van de Europese bevolkingsgroep is enerzijds te danken aan de toeneming van de groep in Nederland geborenen (de ‘trekkers’) met een relatief toenemend aantal vrouwen, anderzijds aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, maar vooral ook aan de kortere en snellere verbindingen met het moederland, waardoor Nederland veel dichterbij

[p. 467]

gekomen was en zijn invloed op de Indische samenleving directer kon doen gelden. In 1900 spreekt echter nog zestig procent van de Europese bevolking in de dagelijkse omgang een andere taal dan Nederlands: Maleis (of een Inheemse taal als het Javaans), of Maleis met een Nederlandse inslag: één of andere vorm van ‘Petjo’ (het ‘Indisch-Nederlands’ der Indo-Europeanen). De grootste zorg bij het onderwijs voor Europeanen is dan ook steeds de strijd tegen dit ‘Indisch-Nederlands’. Het ‘moedertaal’-onderwijs op de Europese Lagere School (E.L.S.) is in feite voor een groot deel vreemde-taalonderwijs, terwijl een didactiek voor het onderwijzen van het Nederlands als vreemde-(voer)taal nog niet bestaat. Dit probleem wordt groter naarmate ook het aantal toegelaten Inheemse en Chinese kinderen toeneemt. Met het oog hierop wordt dan ook steeds weer geprobeerd om deze toelating te beperken.

Kort na het midden van de negentiende eeuw wordt er een uitvoerige discussie gevoerd over de wenselijkheid van het verspreiden van de Nederlandse taal onder de Inheemse bevolking. Deze discussie resulteert in 1864 in het definitief verlaten van het denkbeeld van het invoeren van het Nederlands als algemene verkeerstaal en van het vervangen van het Maleis als lingua franca door het Nederlands. Maar tegelijkertijd worden er maatregelen getroffen om de kennis van het Nederlands bij de Inheemse elite te bevorderen. Het ontwikkelen en beschaven in Westerse zin van een kleine Inheemse elite zou het functioneren van het bestuur immers ten goede komen en onderling begrip en vertrouwen bevorderen. Met de besluiten van 1864 wordt de ‘poort tot het Westen’ definitief geopend. In verschillende vormen van vakonderwijs wordt het Nederlands als leervak en later ook als voertaal ingevoerd, de eerste Nederlandstalige lagere scholen voor Inheemsen worden geopend, en speciale leermiddelen voor het Nederlands als vreemde taal worden ontwikkeld. Vanaf 1865 stijgt het aantal Inheemsen dat Nederlands leert gestadig. De periode 1865-1885 kenmerkt zich in dit opzicht als een periode van opbouw, terwijl er in de jaren na 1885 weer een zekere teruggang optreedt, samenhangend met de economische crisis van deze jaren. Al met al is het aantal Nederlandssprekende Inheemsen in het jaar 1900 naar schatting niet groter geweest dan 5.000 en het aantal Nederlandssprekende Vreemde Oosterlingen niet groter dan 600.

In het vraagstuk met betrekking tot de wenselijkheid van het versterken van de rol van de Nederlandse taal, spelen de meest uiteenlopende overwegingen een rol. Ook in de negentiende eeuw wordt het Nederlands nog wel beschouwd als de weg tot het Christendom, waarbij het echter vooral een dam zou moeten opwerpen tegen het Maleis als de taal van de Islam. Bovendien wordt het Nederlands nu vooral gezien als weg tot beschaving in meer algemene zin. Ook het argument van het Nederlands als weg tot

[p. 468]

staatkundig zelfbehoud, als weg tot wederzijds begrip en vertrouwen en versterking van de band tussen Nederland en Indië, blijft een rol spelen. En hetzelfde geldt voor het argument van het Nederlands als weg tot cultureel identiteitsbehoud. Meer dan voorheen echter wordt het Nederlands nu ook gezien als de weg tot het Westen, enerzijds met de bedoeling om via het Nederlands Westerse kennis op te doen en deze te kunnen overdragen met behulp van de eigen Inheemse talen, anderzijds met de bedoeling de individuele ontplooiing te bevorderen. Hieraan worden bovendien argumenten van pedagogische en taalkundige aard toegevoegd: bepaalde soorten kennis zouden alleen maar via het Nederlands verworven kunnen worden vanwege de aangenomen ongeschiktheid van de Inheemse talen, en anderzijds zou juist het Nederlands een bijdrage kunnen leveren aan het ontwikkelen van deze Inheemse talen. Doorslaggevend echter zijn de argumenten van praktische en economische aard. Het bestuurswerk zou door het gebruiken van een gemeenschappelijke taal vergemakkelijkt worden, terwijl men tevens de Inheemse elite meer aan zich zou kunnen binden. Bovendien zou het op den duur goedkoper zijn om in allerlei functies Nederlandssprekende Inheemsen te kunnen inzetten.

Overigens kan lang niet iedereen zich vinden in de gevoerde taalpolitiek. Bij veel Europeanen blijft de angst bestaan voor een te grote verspreiding van het Nederlands onder de Inheemse bevolking. Dit zou immers slechts leiden tot een ‘ambtsbejag’ waaraan de overheid toch nooit zou kunnen voldoen. De hieruit voortkomende teleurstelling en ontevredenheid zou een bedreiging kunnen vormen voor de maatschappelijke orde. De taalpolitiek van de overheid ondervindt dan ook tegenstand. Ondanks de verschillende terechtwijzingen van de overheid door middel van circulaires, blijven veel Europese ambtenaren weigeren om Nederlands te spreken met hun Nederlandssprekende Inheemse collega's. Hun gedrag staat daarbij lijnrecht tegenover de taalpolitiek van de overheid.

 

Onder invloed van de rond de eeuwwisseling ingezette ethische politiek, krijgt ook het Nederlands als de weg tot het Westen een ethische betekenis. Het Nederlands wordt niet alleen meer gezien als ‘bronnentaal’, maar het wordt tevens een belangrijke factor in het proces van ‘opvoeding tot autonomie’: het Nederlands als een in te lossen ‘ereschuld’. Enerzijds maakt de associatiegedachte het wenselijk om althans een deel van de Inheemse bevolking een Westerse opleiding te geven met Nederlands als voertaal, anderzijds veroorzaakt de met de ethische politiek samengaande toename van de directe overheidsbemoeienis op vrijwel elk terrein, een steeds grotere vraag naar Westers opgeleide Nederlandssprekenden, zowel binnen als buiten de overheid. De ‘ethische’ taalpolitiek die in de eerste decennia

[p. 469]

van de twintigste eeuw wordt gevoerd om de positie van het Nederlands in Indië te versterken, heeft in zoverre succes dat reeds in 1920 de overgrote meerderheid van de Europese bevolkingsgroep Nederlandssprekend blijkt te zijn, terwijl ook het aantal Nederlandssprekende Inheemsen en Vreemde Oosterlingen snel stijgt en in de periode 1900-1920 vertienvoudigt.

De vernederlandsing van de Europese bevolkingsgroep van vooral het laatste kwart van de negentiende eeuw, zet zich in de eerste decennia van de twintigste eeuw in versneld tempo door. Enerzijds is dit te danken aan de sterke toename in de periode 1905-1920 van het aantal ‘trekkers’ met een relatief groot aantal vrouwen, waardoor het percentage Indo-Europeanen binnen de totale Europese bevolking in deze jaren afneemt van vijfenzeventig tot zestig procent, terwijl anderzijds de sociaal-economische positie van de Indo-Europeanen verbetert en vrijwel het gehele mannelijke deel van deze groep in een Nederlandstalige werkkring wordt opgenomen. Bovendien is ook de grote kwaliteitsverbetering van het onderwijs hierbij van groot belang geweest.

Als gevolg van de ethische politiek worden in het begin van de twintigste eeuw de mogelijkheden voor Inheemsen en Vreemde Oosterlingen om Nederlandstalig onderwijs te ontvangen aanzienlijk verruimd. De toelating tot de Europese scholen wordt vergemakkelijkt en allerlei al dan niet gesubsidieerde cursussen Nederlands komen tot stand. Om echter op grotere schaal tegemoet te kunnen komen aan de steeds groeiende vraag naar Nederlandstalig onderwijs, wordt in 1907 overgegaan tot de invoering van het Nederlands op de Inlandse School der Eerste Klasse - in 1914 omgevormd tot de Hollands-Inlandse School (H.I.S.) -, en tot het oprichten in 1908 van de Hollands-Chinese School (H.C.S.), met het Nederlands als voertaal. Naar aanleiding hiervan ontstaat een uitgebreide discussie over de vraag of het eigenlijk wel wenselijk is om in het Westers onderwijs voor niet-Europeanen het Nederlands als voertaal te gebruiken, of dat dit onderwijs beter met een Inheemse taal als voertaal ingericht zou kunnen worden. Als katalysator in deze discussie, waaraan door zowel Europeanen als Inheemsen (vooral Javanen) wordt deelgenomen, fungeren de grote onderwijscongressen die in de jaren 1916, 1918 en 1919 worden gehouden en waar de ‘voertaalkwestie’ centraal staat. Overheersend in deze discussies is de mening dat het Nederlands voorlopig de voertaal in het Westers onderwijs moet zijn, maar dat tegelijkertijd de Inheemse talen moeten worden ontwikkeld, opdat deze op den duur het Nederlands als onderwijsvoertaal kunnen vervangen.

Terwijl de overheid het Westers onderwijs voor Inheemsen ook na die tijd als uitzonderingsonderwijs blijft beschouwen, wordt er van Inheemse kant voortdurend op uitbreiding van dit onderwijs aangedrongen, omdat

[p. 470]

dit immers de enige mogelijkheid vormt om sociaal-economisch hogerop te komen. De overheid acht het echter vanwege de kosten onmogelijk om aan de vraag naar Nederlandstalig onderwijs te blijven voldoen, en acht dit bovendien onwenselijk. Door overproduktie van Nederlandstalige arbeidskrachten zou wel eens een ‘half-intellectueel witteboordenproletariaat’ kunnen ontstaan, dat gemakkelijk te beïnvloeden zou zijn door nationalistische propaganda. De door de overheid ingestelde Hollands-Inlands Onderwijs-Commissie adviseert daarom in 1930 - geheel tegen de wensen van Inheemse kant in - om de H.I.S. voorlopig niet verder uit te breiden en een verdere groei afhankelijk te maken van het economisch rendement.

Omdat het onderwijsaanbod van de kant van de overheid steeds achterblijft bij de vraag naar Nederlandstalig onderwijs, ontstaan in de jaren twintig, maar op grotere schaal in de jaren dertig, overal niet-gesubsidieerde particuliere ‘wilde scholen’. De omvang van dit ‘wilde onderwijs’ neemt zeer snel toe en is in 1940 bijna twee keer zo groot als het reguliere onderwijs. Hoewel de kwaliteit veelal te wensen overlaat, heeft het ‘wilde onderwijs’ in ieder geval een groot aantal Nederlandssprekenden afgeleverd, zij het vaak met alleen een zekere passieve kennis. Terwijl de toename van het aantal Nederlandssprekende Inheemsen en Vreemde Oosterlingen tot 1930 voornamelijk het resultaat is van de H.I.S. en de H.C.S., is de uiterst snelle toename in de periode 1930-1942 vooral te danken aan het ‘wilde onderwijs’. In 1930 is het aantal Nederlandssprekende Inheemsen - 0.3% van de Inheemse bevolking - met 187.000 reeds groter dan het aantal Europeanen. En in 1942 maakt deze groep met ruim 860.000 - 1.2% van de Inheemse bevolking - bijna tweederde uit van het totale aantal Nederlandssprekenden van 1.4 miljoen.

Van veel betekenis voor het Nederlands in Indië zijn geweest de taalactiviteiten van de Groep Nederlands-Indië van het Algemeen Nederlands Verbond en de invloed daarvan op de taalpolitiek van de overheid. Belangrijk voor het Nederlands is ook geweest de taaldidactische vernieuwing die in de jaren twintig wordt doorgevoerd en die bekend is geworden als het ‘nieuwe taalonderwijs’ van G.J. Nieuwenhuis. Voor het eerst wordt een onderscheid gemaakt tussen het Nederlands als moedertaal voor de E.L.S., het onderwijs van het Nederlands als vreemde voertaal voor de H.I.S. en H.C.S., en het onderwijs van het Nederlands als vreemde taal voor bijvoorbeeld de Nederlandse leergangen die in de jaren 1917-1933 door het Algemeen Nederlands Verbond worden georganiseerd en die voorbereiden op het Kleinambtenaarsexamen.

Hoewel in de loop van de tijd wel steeds meer gedacht wordt aan een grotere verbreiding van het Nederlands - vooral om hiermee tegemoet te komen aan de wensen van Inheemse kant -, heeft men een daadwerkelijke

[p. 471]

algemene verspreiding van het Nederlands onder de Inheemse bevolking nooit voorgestaan. De pragmatische Nederlandse taalpolitiek was immers steeds ingegeven door motieven van praktische, economische en financiële aard. Het Nederlands is hierdoor in feite altijd bestemd gebleven voor een kleine Inheemse elite. Pas in de jaren twintig worden er plannen gemaakt om ook een wat grotere middenlaag van de bevolking enige passieve kennis van het Nederlands bij te brengen, door het invoeren van het Nederlands als leervak op een deel van de Inlandse scholen.

Redelijk succesrijk is de taalpolitiek om enerzijds het gebruik van het Nederlands als ambtelijke omgangstaal te bevorderen in vooral de hogere sferen van het bestuur, en anderzijds het gebruik van het Maleis als algemene verkeerstaal in de lagere bestuurssferen. Het is een dergelijke tweeledige taalpolitiek die in feite ook de Indonesische nationalisten voor ogen staat: hoewel in 1928 het Maleis door hen gekozen wordt als de Indonesische eenheidstaal, blijft men daarnaast gericht op uitbreiding van het Nederlandstalige onderwijs. Deze taalpolitiek wordt tien jaar later door de overheid aarzelend overgenomen. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog wordt een soort tweesporenbeleid in de taalpolitiek geformuleerd en in praktijk gebracht: op de scholen wordt zowel het Nederlands als het Maleis als leervak ingevoerd op een grotere schaal dan voorheen: het Maleis ter versterking van de interne eenheid van Nederlands-Indië en het Nederlands ter versterking van het externe contact met het Westen. Veel is hiervan echter niet meer terecht gekomen. Tijdens de Japanse bezetting wordt het Nederlands verboden. Na de Tweede Wereldoorlog wordt het tweesporenbeleid echter weer opgevat en worden er plannen gemaakt voor een onderwijssysteem waarin beide talen aan bod zullen komen overeenkomstig de er voor weggelegde functies. Maar van deze nieuwe taalpolitiek waarbij het Indonesisch als nationale eenheidstaal én het Nederlands als de meest directe weg tot het Westen, beide een ruimere verspreiding zouden moeten krijgen dan ooit te voren, is weinig meer gekomen. De politieke gebeurtenissen hebben dan immers de taalpolitieke idealen al lang achterhaald.

terug  begin  verder