|
|
|
| |
| | | | | |
1281. 1628 juli 2. Van N. van Reigersberch1.
Mijn Heere,
De drie leste reysen heeft uE. mits mijne absentie niet door den ordinaris van mij ontfangen, nochte ick de twee - 'k en weet niet warom - van U. 'k Ben nu wederom vijff, ses dagen in den Hage geweest, alwaer mijne absentie is gecapteert geweest om te stroijen een seer notable calumnie, alsoff ick in de vergaderynge van de remonstranten op Hemelvaertsdach waer gesien2. Dit sijn de oude cunsten ende souckt men altijt yet, waermede het dessein, daer sij meenen ick mede swanger gaen, mach werden verhindert off vertraecht. Ick doen soo veel ick kan om contrari vruchten daervan te trecken, met wat succes sal ick eerst connen sien, soo wanneer dese nieuwe tempeest, die hier in den Hage mits de groote vergaderyngen der remonstranten is ontstaen, ten eenen off ten anderen sal wesen gepasseert. 't Hoff procedeert met rigeur ende werden veele gecondemneert; op d'executie sal het aencommen. De remonstranten schijnen noch door geen executiën te connen werden geïntimideert, doch ware mijns oordeels best sij stilder gyngen, alsoo sijn Extie3 licht tegens haer soude werden geëngageert. Sijne Extie. is dese heele weecke met den conynck ende coninginne4 te Buyren geweest, hebbe daerom u Neeff3 tsedert mijn wedercomste noch niet gesproocken; oock heb ick daer weynyck materie toe. Mijns oordeels is het ontijdelijck om yet te beginnen.
Maximianus5 is bij Valeriano6 ende heb hem noch niet gesproocken, sal bij gelegentheyt sijn advis verstaen. Ten kan dus niet lange blijven, men moet tot meerder moderatie ofte tot meerder rigeur commen. Doch dewijle onseecker is, wat wecht men kiesen sal ende seer lanck valt voor die buten sijn met sulcke longeurs eenyge goede occasie te versuymen, soo ist seer geraden, dat uE. alles doe wat mogelijck is om hemselven daer wel te stellen.
Diocletianus7 is oock van huys geweest, kan darom niet seggen, hoe sijn saecken staen. Alles ten beste lopende ende den tijt bequaemer sijnde om voor ons yet te entemeren, blijft de difficulteyt, hoe men de saecke best sal introduceren. Ick beken wel, dat uE. gewichtyge redenen allegeert, warom van u geen versouck kan geschieden, maer uE. moet mij toestaen, dat het van andere niet sal werden geoppert, die emmers soo seer voor haere reputatie sorchvuldich sijn als wij mogen wesen ende daerenboven noch verminderynge van haer credyt vresen. Soo de vrienden met uE. goet vinden geen versouck souden mogen doen, soo moet het van Antonino8 commen. De vrienden sullen sonder u goetvinden nergens durven
| | | | intreden. Dit dient wel bedacht, opdat, als net tijt is, wij daer niet en haperen. Soo uE. meent, dat Martianus1 off Leo2 yet connen doen, ick wil het garen horen ende mij daermede behelpen, dan om Gallo3 te disponeren houven wij geen van beyden. Meer couragie sullen sij hem oock niet geven.
Wij verstaen hier, dat de Engelschen weder naer Rochelle sijn.
Den conynck van Polen4 wert geseyt beroert te sijn, dat apparent den vrede tusschen Sweden souden bevorderen, alsoo de Polen daer seer toe genegen sijn ende den conynck die alleene beleth. Op de successie soude wel mogen dispute vallen, sijnde de jesuiten ende catholycken meest genegen tot den joncksten soone5, als meest van hare humeuren, ende discrediterende den outsten6 door de vallende sieckte, die haer onlankx heeft geopenbaert, niet sonder suspitiën, dat s'hem is bij medicamenten gecauseert. Wij horen noch van geen preparatie van leger. De wercken tot versterckynge van Bergen door een nieuwe vaert van de stat naer Steenbergen, daerin het zeewater ende de mooren den anderen souden bejegenen, sijn besteet, daerdoor de stat voor de helft van belegerynge soude werden gepreserveert ende het eylant van der Tolen gedeckt. De Westindysche vlote, over twee maenden wtgeseylt, heeft over de twee dusent soldaten medegenomen, die alles sonder roeren van trommel aengenomen ende schepe sijn gebracht.
Vosberge7 is sijn residentschap van den conynck van Denemarcken opgeseyt ende reeckenynge affgevoordert. Graeff Ernst8 is voor den keyser9 geciteert binnen twee maenden te compareren, als hem gemoyt hebbende met de saecken van Bohemen; comt hier om raet te nemen, hoe hem sal dragen. Men meent graeff Jan10 dit heeft geprocureert om de goederen alleen te behouden. Claudius11 meent hij met sijn eygen dyngen nu soo veel te doen sal hebben, dat hij hem niet heeft te (vresen).
Ick sal uE. voortaen naer gewoonte van alles adviseren. UE. gelieve oock daerin te continueren.
Met haest, desen 2 Julij 1628.
Suster de Groot, nichte Campe12, die hyer is om dynxdage toecommende met mij in huishoudinge te treden, heeft op mij begeert, dat ick uE. wilde schrijven,
| | | | dat het dosijn van de stoelen voor haer is, het halff dosijn voor onse suster1. Ende dat van de gesonden een armken ontbreeckt.
Blijve hyermede uE. beyder dienstwillygen broeder,
N.v. Reigersberch.
| |
Adres: A Monsieur Monsieur Grotius à Paris.
In dorso schreef Grotius: 2 Julii 1628 N. Reigersberg.
Ontf. den 23.
|
1Hs. U.B. Amsterdam, coll. RK. M2d. Eigenh. oorspr. Gedrukt Rogge, Br. N. van Reigersb., p. 105; het postscriptrum aan Maria id., Br. Maria v. Reigersb., p. 299. Beantw. d. n o. 1290.
2Een afschrift van een schrijven, wellicht aan een medelid van de Hoge Raad gericht, waarin Reigersberch zich tegen deze beschuldiging verdedigt, heeft hij bij deze brief aan Grotius ingesloten; zie bijlage no. 7, p. 459. Annotatie als bij Rogge, t.a.p.
4De koning en koningin van Bohemen, Frederik V van de Palts (zie n o. 1094, p. 67 n. 9) en Elisabeth Stuart (zie n o 1273, p. 325 n. 8).
1Frédéric Maurice de La Tour d'Auvergne, hertog van Bouillon.
2Christophe Justel; zie n o. 1204, p. 212 n. 8.
3Frederik Hendrik. De woorden ‘meer couragie’ staan in de tekst in code.
5Johann Casimir (1609-1672; van 1649 tot 1668 koning van Polen).
6Wladislas VII (IV) (1633-1648; geb. 1595).
7Josias van Vosbergen, broeder van Caspar. Hij was resident van Christiaan IV van Denemarken in Den Haag.
10Jan van Nasaau-Siegen (1583-1638), zoon van Jan van Nassau de Oude (1535- 1606); hij stond in 1628 aan de zijde van de keizer.
12Bedoeld zal zijn Elisabeth, dochter van Mr. Jacob Campe, burgemeester van Veere, en Martha van Reigersberch, die beiden overleden waren. Zij wordt genoemd in een brief van Maria van Reigersberch aan Nicolaes dd. 30 januari 1625 (zie Rogge, Br. Maria van Reigersb., p. 119); zie verder Rogge, op. cit., pp. 125, 188, 198, 200, 215 v. en 299, waar zij overal met nicht Campe wordt aangeduid.
|
|