Briefwisseling van Hugo Grotius. Deel 3 (ed. P.C. Molhuysen en B.L. Meulenbroek)


auteur: Hugo de Groot


editeur: B.L. Meulenbroek en P.C. Molhuysen


bron: Hugo de Groot, Briefwisseling van Hugo Grotius. Deel 3 (ed. P.C. Molhuysen en B.L. Meulenbroek). Martinus Nijhoff, Den Haag 1961 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

1292. 1628 juli 30. Aan N. van Reigersberch13.

Mon frère,

 

Alsoo ick gisteren had geschreven over Bruyssel, soude ick nu niet weder

[p. 353]

geschreven hebben, 't en waer den uwen van den XVIen deser mij daertoe oorsaeck gaf. De andere is gegaen op Hollant, dese gaet op Zeelant.

De heer, dye daer is1 ende dye Gallus2 seyt weynich authoriteyts te hebben, soude wel connen gebruyckt werden, soo Neeff3 will beloven met vigeur de saeck te behartigen, in welcken gevalle hij door Clemens4 terstont last soude connen becomen van Verus5 ofte zijn moeder6. Als men wel wilde, soude dit connen geschyeden, terwijl Aurelianus7 ende Valens8 van huys zijn, want comen zij t' huys, gelijck zij tegens Diocletianus9 gewoelt hebben ende noch woelen, soo sullen zij oock tegen mij woelen, tenzij ick haer wille resolvere te doen. Dit is oock de reden, waerom de tijdt van de aggreatie van een tractaet met Antoninus10 - als schoon sulcx gesloten werd, 't welck uE. syet zeer onseecker te zijn - niet bequaem en sal zijn, behalven noch, dat ick met Anthemius11 geen kennisse en hebbe ende oversulcx daerop geen staet en can maecken. Ende Aelius12 meen ick, gelijck voor dese meermael is geadviseert, dat mij liever hyer heeft dan elders, hebbende mij doen toetsen op hetgunt ons belanght. Mij hyer wel te stellen, can min wel geschieden dan alle gedachten van het landt quiterende, jae mij daertoe wedercomste onbequaem maeckende - want daertoe werdt hyer getrocken, daerbij dat dan comen sal de quelling in de religie. Sweden13 wil ick garen hyer dyenen, al waer het maer ten respecte van de groote qualiteyten van dye coning, maer daer te gaen, vind ick om veel reden niet geraeden. Moet ick een meester kyesen, soo sal het Vitellius14 moeten zijn. Wilt bij gelegentheyt alle de bekenden van Numerianus15 wel sonderen, wat sij doen willen ende connen.

Mij dunckt, dat ick het stuck van Grol16 behoor uyt te geven lettende eerst op uE. ende der vrunden goede aenmercking: geen naem daerbij te stellen, nochte enige dedicatie, opdat het schijne als een vervlogen stuck te zijn van een groot werck.

Ick ben Constantius17 zeer geobligeert ende bedancke hem zeer. Wij sullen ons best doen om Anthemius van beste te doen disponeren, maer vrese, dat men (?) hyer van de vrundschap van Philippus18 sal despereren. Van Valens sullen wij noch wat in bedencken nemen. Can ick Gallo dyenst doen in de saecke van Orange19, sal 't garen doen. 't Volck van Crequy20 sullen buyten twijffel nae

[p. 354]

Italië gaen, maer de questie is, off het sal zijn op 's conings naem ofte op de naem van Mantua1.

Wedercomende tot mijn stuck van Grol, ick heb een groote caerte, in Brabant aen twee stuck gedruckt, van de vaert tusschen Venloo ende Rijnberck2; dese wordt nu vercort in één plaet gesneden. Ick heb oock een caerte van Santvlyet, mij uyt Zeelant door d'heer Boreel3 toegezonden ende eenige slechter daervan uyt Brabant. Soo ick geen perfecter caerte become van Suthphen, sal een gebruycken, dye in Pompeio Justiniano4 is t'samen met Overijssel.

Om te accommoderen de saecken met Vrancrijck, dunckt mij op 't eerste poinct, dat men can beloven in gevalle van handeling met Spaegnie den coning te adviseren ende zijne entremise ende guarandise te versoecken. Op het 2e geëxcuseert zijnde van nu yet te doen tegen Engelant, voorts de belofte te doen in termes van het tractaet van Compiègne5. Wij en hebben geen vruchten genooten, belooft bij de ligue met Engelant aengegaen, dye ons souden obligeren om niet te sorgen voor de defensie van Vrancrijck, bijsonder als wij insgelijcx ons mogen verbinden tot de defensie van Engelant. De Switsers zijn geallieerde van 't pausrijck ende trecken groot geldt ende voordeelen uyt dye alliantie. Evenwel zijn zij verbonden tot de defensie van Milanen ende de Franche Comté. Meer dyergelijcke exempelen can men allegeren des noodt zijnde. Op het derde, dat men de schepen van Spaegnie comende, notoirlijck tot hulpe van coning tusschen Spaegne ende Vrancrijck, nochte op de rede van Vrancrijck niet en sal attaqueren ende oock de Duynkerckers niet, soo wanneer zij ten selven eynde het Canael sullen zijn gepasseert. Ten vyerde schepen ende amonitie te laeten volgen, 't en waer den noodt van 't landt dye vereysche te behouden, welcke clausule oock is in de alliantie met de Switsers.

Men verwacht hyer de Engelschen. Ick heb versche brieven gezyen uyt het leger, dye seggen, dat een soldaet van 's conincx volck binnen Rochelle gevangen zijnde ende daer weder uyt comende hadde gerelateert, dat de maire hem gevraecht hadde, wat hem luste een paep te dyenen, om soo quaelijck gecleedt te zijn - hij was wat quaelijck in ordre - seggende, dat dyen paep was un Ravaillac déguisé - gevende hem drye brooden ende belastede, dat hij sulcx in 't leger soude relateren ende dat men daer zeer bedrogen was meenende, dat binnen gebreck was. De hoeren van Rochelle comen dagelijcx bij 's conincx soldaten ende bij dye ende dyergelijcke middelen crijgen zij altijd wat van de landzijde. 't Rapport, dat in Engelant gedaen is van de provisie, dye binnen Rochelle is, mochte wel waer zijn. Men meent het gevecht met de Engelschen furieux sal zijn ende de uytcomste onseecker. Den coning wordt het leggen daer moe. Hij was

[p. 355]

dese dagen uytgereden om twee vossen te vangen, maer de grootste bleeff in 't leger.

Vaert wel met alle de vrunden.

Den XXXen Julij XVIcXXVIII.

UE. dyenstwillige broeder
H. de Groot.

Adres: Mijn Heer, Mijn Heer Reigersberg, raedt in den Hoogen Raide in Hollant, nu ten huise van den heer rentemeester, sijn E. broeder, tot Middelburgh.