Briefwisseling van Hugo Grotius. Deel 3 (ed. P.C. Molhuysen en B.L. Meulenbroek)


auteur: Hugo de Groot


editeur: B.L. Meulenbroek en P.C. Molhuysen


bron: Hugo de Groot, Briefwisseling van Hugo Grotius. Deel 3 (ed. P.C. Molhuysen en B.L. Meulenbroek). Martinus Nijhoff, Den Haag 1961 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 447]

Bijlagen

[p. 449]

Bijlage no. 1 Bij no. 1183
Copie van een schrijven van Adolf van Waal, Heer van Moersbergen1 dd. 21 september 1627.

Copie van den brieff, geschreven den 11en Sept., ouden stijl.

 

Den 11 huius quam des keysers volck voor Rendensborch, begonnen des morgens ten acht uyren te schermutseren, veroverden alle buytenwercken ontrent den middach. Daerop den prins van Denemarcken2 met den amptman Rantzou3 met twee van de ruyteren de vlucht naer Denemarcken ofte die Belt toe namen, daerop wij alhier een grooten brant sagen opgaen ende vernamen den 12, dat het die voorstat ende eenyge dorpen voor Rendensborch geweest waren. Dito quam de olde graeff van Turn4 tegenover dese stat opt veer, nam die vlucht, versocht hier passage, gaff aen, dat hij maer met 3 dienaren daer waer, doch onse schiltwacht ontdeckten acter den dijck bij de 20 ruyteren ende bequam advis, dat noch wel hondert ruyteren voorhanden waren; hebben Sijne Genade darom den pas geweygert. Doch alsoo mij geseyt werde, dat hij geschreyt hadde, hebbe ick Abraham Persin5 secretelijck gesonden hem te seggen, hij mochte ontkender wijsen met sijn diender passeren, maer was al vertrocken ende verstaen, dat hij met een cleyn schipken wt Ditmaersen vertrocken sij. Den 13 quamen veel borghers ende oock van adele van Rensborch ende daaromheen gevlocht, berichten dat de principale stat noch hielt, maer meynden niet, dat se het lange maecken solde, oock een troupe ruyter off versamelde officieren, die onsen genadygen heeren pas hadde, welcke naer schepen vraechden, derfsten sich in Ditmarsen niet betrouwen, hoewel ick hen seyde, dat sij geen noot hadden, alsoo mijns heeren lant overal sterck met wacht beset is. Den 14 comt sijne Mteyt van Denemarcken6 met sijne gemalinne vrouw Christina7, een edelman, drie dienaers tot Tonningen met een cleyn schuytken onversiens over de Ayder, seer perplext; neemt sijnen wech tegens de nacht over Housum naer Flensborch. In somma, des conyncks saecken gaen bovenmaeten qualijck.