Briefwisseling van Hugo Grotius. Deel 6 (ed. B.L. Meulenbroek)


auteur: Hugo de Groot


editeur: B.L. Meulenbroek


bron: Hugo de Groot, Briefwisseling van Hugo Grotius. Deel 6 (ed. B.L. Meulenbroek). Martinus Nijhoff, Den Haag 1967 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Bijlage no. 6
Bij no. 2410
Brief van Willem de Groot aan Maria van Reigersberch toegevoegb aan zijn schrijven aan Grotius dd. 22 december 16356.

Seer waerde suster,

Ick sal met den raedsheer Reygersberg7 spreecken van de vereeringe aen Cap.n van den Bosch8 volgens uE. ordre te doen. Hij is nu weder in Den Hage gecomen ende comt sulcx wel te passe. Aen moeder9 sal ick mede volgens uE. last hondert guldens uytkeeren; den tabbert, dye uE. door mons.r Graef10 gesonden hadde, is mij doer denselven wel behandicht, ende alsoo sij hyer was, hebbe

[p. 562]

ick haer deselve behandicht; ick meene, dat Dirck de Groot1 uE. een bryefken van haer sal brengen.

Mijn huysvrouw2 sal ick nae uE. meublen doen vernemen; de vyer tapijte kussens hebben wij in Den Hage genomen om dye wat beeter te havenen. Ten naesten sal ick uE. van alles nader schrijven.

Hyermede blijft Gode bevolen.

UE. onderdanige broeder
Willem de Groot.

Met haest, desen XXIIen Decembris 1635.