|
|
|
| |
| | | |
Stellingen
I.
Schaakmeesterschap is in de eerste plaats kennerschap op schaakgebied; d.w.z. de
verklaring der bijzondere prestaties van den schaakmeester moet niet zoozeer
gezocht worden in allerlei speciale, in beginsel aangeboren ‘vermogens’
(combinatievermogen, voorstellingsvermogen, enz.), die direct in bijzondere
kenmerken van het denkproces tot uiting zouden komen, als wel in het
uitgebreide, ver gedifferentieerde systeem van kennis en ervaring, waarover de
meester beschikt.
| |
II.
Zooals klasse-verschillen in prestatievermogen op schaakgebied essentieel
verschillen in ervaring zijn, zoo zijn verschillen in schaakaanleg
essentieel verschillen in het vermogen om ervaring op dit gebied op te doen,
d.i. het vermogen tot het opbouwen van een uitgebreid en ver
gedifferentieerd systeem van fijn afgestemde ervaringskoppelingen; hierin en
niet in afzonderlijke denkprocessen, ligt de eigenlijke uitzonderlijke, voor
de begaafdheid karakteristieke prestatie.
| |
III.
De intuïtie van den schaakmeester (o.a. het positiegevoel) kan in het
algemeen worden herleid tot de werkzaamheid van ervaring-in-engeren-zin;
deze speelt in het schaakdenken een overwegende rol.
| |
IV.
De stellingen I, II en III zijn vatbaar voor generalisatie: t.a.v. groote
productieve prestaties op wetenschappelijk en artistiek gebied en in andere
intellectueele spelen (voor zoover deze zoo gecompliceerd zijn, dat niet een
grootere groep personen het tot volledige beheersching van alle
speeltechnieken kan brengen) laten zich soortgelijke stellingen
formuleeren.
| |
V.
De uitbreiding, die Selz e.a. onderzoekers hebben gegeven aan begrippen als
inzicht, abstractie, (oplossings-)methode en dgl., door de toepasselijkheid
ervan niet meer afhankelijk te stellen van de introspectieve getuigenis van
het subject, maar alleen van zekere kenmerken in het oplossings- of
handelingsproces, heeft groote heuristische beteekenis gehad, maar behoort
te worden gevolgd door een nieuwe systematische differentiatie van deze
begrippen.
| |
| | | |
VI.
De door neopositivisten en verwante geesten gepropageerde logische en
taalcritische analyse van strijdvragen, theorieën, begrippen en uitspraken,
kan, mits ontdaan van voorbarige waarde-oordeelen, en aangevuld door een
systematische ‘psychologische analyse’, voor de theoretische psychologie van
groote beteekenis worden.
| |
VII.
Karakteristiek voor de tegenstelling tusschen Amerika en Europa, in de
algemeene instelling en in het bijzonder in de psychologische wetenschap en
haar toepassingen, is de voorkeur ginds voor de algemeene denk- en
handelingsmethode ‘probeeren’ tegenover de voorkeur hier voor ‘dialectische
verdieping’.
| |
VIII.
Hoewel de nieuwere stroomingen in het opleidingswezen in het bedrijfsleven
(T.W.I.; Zwitsersche psychotechniek; het ‘systeem-Eindhoven’ in Nederland)
zich nergens op een bepaalden theoretischen ondergrond beroepen, vormen zij
de best denkbare toepassing en bevestiging van de theorie van Selz: in de
eerste plaats door hun methodiek, in de tweede plaats door hun
resultaten.
| |
IX.
In gevallen, waarin de mogelijkheid van een uitgebreider psychologisch
onderzoek bestaat, is het wetenschappelijk en moreel onverantwoord om
uitsluitend op grond van de uitkomsten van een handschriftanalyse
psychologische rapporten uit te geven en/of adviezen te verstrekken.
|
|
|