Methodologie van A.D. de Groot behoort tot de selecte verzameling van boeken waaraan ik echt ben gehecht. Vóór mijn doctoraal examen heb ik er tentamen over gedaan en daarna heb ik ongeveer vijf jaar meerkeuzevragen geschreven voor schriftelijke tentamens over het boek. In die periode heb ik niet alleen de inhoud goed leren kennen, maar deze heeft ook mijn methodologische grondhouding bepaald. Ik vind het dan ook verheugend dat Van Gorcum het boek opnieuw heeft uitgegeven.
De verschijning van de eerste druk van het boek in 1961 markeert een overgang in de beoefening van de sociale en gedragswetenschappen in ons land. Daarvóór domineerde een beschouwelijke en soms ook weinig rationele benadering in deze wetenschappen. In Methodologie wordt juist het tegenovergestelde geponeerd: de groei van wetenschappelijke kennis moet plaatsvinden via een kritisch rationeel proces van theorievorming en hypothesetoetsing aan de hand van empirische gegevens. In 1961 was het klimaat blijkbaar rijp voor een dergelijke omslag want binnen korte tijd was het boek maatgevend voor de wetenschapsbeoefening in de sociale en gedragswetenschappen en veelal ook in andere wetenschappen.
De vraag is waarom het boek zoveel invloed had. De opvattingen van De Groot over theorievorming en hypothesetoetsing sluiten aan bij die van Popper, zijn opvattingen over meten en operationaliseren sluiten aan bij Cronbach en zijn psychometrische beschouwingen zijn gebaseerd op het werk van Gulliksen. In geen van deze opzichten was het boek origineel. Wèl origineel was de brede visie en het geïntegreerde kader voor theorievorming en empirisch onderzoek. De onderzoeker kreeg een samenhangend kader aangereikt voor het gehele proces van wetenschappelijk onderzoek: inhoudelijke theorievorming, meting en instrumentatie, hypothesetoetsing en interpretatie van resultaten.
Na 1961 heeft ook in de methodenleer de tijd niet stilgestaan. De belangrijkste bijdragen zijn naar zijn mening de wetenschapstheoretische bijdragen van Lakatos, het ambachtelijk methodologische werk van Campbell en Fiske en het psychometrische werk van Lord en Novick. Ook De Groot zelf heeft algemeen methodologische bijdragen geleverd, zoals over de acceptabiliteit van meetinstrumenten, de rol van het forum van wetenschapsbeoefenaren, de analyse van theoretische begrippen, de constructie en het gebruik van studietoetsen en de methode van het ‘learner report’. Deze nieuwe ontwikkelingen zijn niet strijdig met het boek van De Groot, maar zijn meestal een min of meer logisch gevolg hierop. Methodologie is dan ook geen gedateerd boek dat alleen historisch gezien interessant is. Ik ken enkele recente boeken die de methodenleer ook vanuit een geïntegreerde visie op theorievorming en empirisch onderzoek introduceren, maar geen van deze boeken haalt het niveau van het boek van De Groot.
Ik hoor soms opmerken dat het werk van De Groot positivistisch van karakter is en de nadruk legt op kwantitatief onderzoek. Ik hoop dat deze heruitgave er toe zal bijdragen dit beeld te corrigeren. Het werk van De Groot past binnen de stroming van het kritisch rationalisme en hecht veel waarde aan kwalitatief onderzoek, mits dit voldoet aan de methodologische eisen voor goed onderzoek.
De bestudering van Methodologie wordt aanbevolen aan alle serieuze onderzoekers in de sociale en gedragswetenschappen en verwante gebieden. Voor gevorderde studenten, assistenten en onderzoekers in opleiding is het boek nog altijd het beste uitgangspunt voor verdere methodologische scholing. De ervaren onderzoekers zullen bij het lezen vaak een gevoel van herkenning hebben, maar zij zullen ook nieuwe gezichtspunten ontdekken. Ik ben er van overtuigd dat het voor ieder een genoegen zal zijn dit boek te lezen of te herlezen.
Amsterdam, januari 1994
G.J. Mellenbergh