|
|
|
| | | | | |
Het Nederlands substraat van het Brussels-Frans klanksysteem.
Op de vraag: hoe kunnen we de karakteristieke eigenschappen van een
vreemde taal, b.v. het Frans, het best leren kennen, zal men geneigd zijn te
antwoorden: ‘luister naar de uitspraak van de beste Franse sprekers op
het toneel, in de radio, enz.’ Deze methode is wel doelmatig, wanneer we
ons willen oefenen in de practische taalkennis, maar er zal ons zeker een
belangrijk percentage ontgaan van hetgeen wij wensen te weten. Een uitstekend
middel om te ontdekken wat er nu werkelijk eigenaardig is aan het Franse
klanksysteem is de Franse uitspraak te bestuderen, zoals ze uit de mond van een
vreemdeling komt, b.v. van een Engelsman, wiens articulatie- en
intonatie-gewoonten hemelsbreed van die van een Fransman verschillen. In
dergelijke caricatuur treden (zoals ook in de getekende caricatuur) de
hoofdtrekken op de voorgrond en worden uit het ongerijmde bewezen.
Een dergelijk verwrongen beeld van de Franse spreektaal vertoont ons
het Brussels-Frans. We wensen hier slechts één van de talrijke
facetten van de wisselwerking tussen Nederlands substraat en Franse bovenlaag
te belichten. We willen het alleen over klanken hebben en we moeten ons nog een
verdere beperking opleggen: in een grote stad is de sociologische structuur
natuurlijk zeer gecompliceerd. Voor de studie van het Zuidnederlands Brussels
dialect (afgekort Brn.) zijn vooral de locale verschillen van belang,
zoals blijkt uit de monographie van G. Mazereel
1); voor het Brussels-Frans (afgekort
Brf.) is een indeling naar maatschappelijke standen onontbeerlijk. Wij
hebben in dit opstel alleen de middengroepen op het oog, nl. de winkelstand en
de lagere ambtenarenstand: in deze middenmoot wordt de strijd tussen beide
talen ongeveer met gelijke wapens gevoerd. Het onderzoek van de taal van de
deftige stand of van de volks klasse zou niet minder interessante resultaten
opleveren
2).
De bedoelde middengroep spreekt Frans (d.w.z. Brf.) in zijn gewone
omgang, maar kent het Brn. dialect nog in zekere mate: dit oefent op het Brf.
phonologisch systeem een zo grote invloed uit dat een Parijzenaar hier
nauwelijks zijn moedertaal zou herkennen.
| |
I. Klinkers.
Zoals bekend bestaat een van de meest kenmerkende eigenschappen van
het Frans klinkersysteem hierin, dat elke klinker met grote spierspanning wordt
gevormd; de gevolgen zijn: ten eerste dat de bovenklinkers [i, u, y]
3) (geschreven, i, ou, u) zo hoog
mogelijk worden gevormd en ten tweede dat het timbre, ook bij lange klinkers,
hetzelfde blijft van het begin tot het einde, zodat er niet de minste neiging
tot diftongering bestaat; ten slotte speelt de lippenarticulatie een zeer
belangrijke rol, niet alleen bij geronde | | | | klinkers, maar ook bij
sommige medeklinkers (b.v. bij de j van jeune en de ch van
chat).
| |
A. Ongeronde voorklinkers.
1. De korte i van Fr. fini wordt slapper en lager
gearticuleerd; de lange i van Fr. cerise vertoont neiging tot
diftongering (open + gesloten i): de uitspraak laat zich goed
vergelijken met die van de Engelse korte en lange i-klanken (zie
D. Jones, An Outline of English Phonetics, 7th
Ed., §§ 251 en 258). Vaak wordt de Fr. korte i in het Brf.
gerekt, o.a. waar de spelling -ie heeft, b.v. vie [vi:] in plaats
van [vi]; dit geldt trouwens ook voor de andere hoge klinkers [u] en [y] b.v.
in boue, vue [bu:] en [vy:] in plaats van [bu, vi].
2. De e fermé wordt eveneens slapper gearticuleerd
en vertoont neiging tot diftongering onder invloed van de Brn. ei
(Mazereel o.c., § 58); we krijgen dan een half open
e met i-naslag, b.v. aller [alei]
thé [tei], enz.
3. De e ouvert en de e moyen vallen samen in open
e [ε] met slappe articulatie.
4. De Franse a-klanken zijn tweeërlei, een lage
voorklinker en een lage achterklinker, b.v. par [pa : r] en pas
[pα] (zie
M. Grammont, Les deux timbres de l'a
accentué in Traité de prononciation française,
3e éd., blz. 26 vgg.). Dit onderscheid is in geheel
België onbekend en de uitspraak van de Brf. a zou geen
vermelding verdienen, indien in één verbinding de a niet
een merkwaardige afwijking vertoonde, namelijk vóór r;
hier gaat de articulatie zo zeer naar voren dat we car, marque zouden
kunnen weergeven als [kæ:r], mærk]. De a zal deze
eigenaardige ontsporing wel aan de Brusselse r te danken hebben (zie
hieronder).
| |
B. Geronde klinkers.
5. De o fermé van Fr. beau wordt met minder
lippenronding gearticuleerd in het Brf.; ze vertoont in veel mindere mate de
diftongeringstendens dan e fermé, omdat hier geen ongeveer
gelijke Brn. klinker zijn invloed uitoefent. Natuurlijk komt er een aantal
afwijkingen voor bij het gebruik van de o fermé, zoals uit de
bespreking van o ouvert zal blijken.
6. De Fr. o ouvert is meestal gemedialiseerd, d.w.z. dat
het articulatiepunt meer naar voren ligt, dus in de richting van de op dezelfde
hoogte gearticuleerde geronde voorklinker eu [œ] van Fr.
peur
1). De Brf. korte o is een slap
gearticuleerde half open klinker (minder open dan Nederl. o in
pot); deze Brf. o bestrijkt een ruimer gebied dan de Fr. o
ouvert; de spelling schijnt de uitspraak te beïnvloeden: de Fr.
eau-spelling wordt als o fermé uitgesproken, terwijl de
meeste andere o's half open zijn. Voorbeelden van deze Brf. o
zijn sot, gros, pot, waar het Fr. een o fermé (als in
beau) heeft; hetzelfde geldt voor grosse, fosse met Brf. half
open korte o tegenover Fr. gesloten en gerekte o. Waar het Frans
medialisering heeft b.v. in korte o ouvert van bonne, sotte,
folle of in lange o ouvert van mort, port, heeft Brf. korte
of lange half open o zonder medialisering: dit | | | | is een
afwijking die de Fransman zeer treft. Zelfs drôle (wellicht
invloed van Brn. drollig) heeft half open korte o.
7. Voor Fr. ou en u [u, y] zie hierboven de
opmerkingen betreffende Fr. i.
8. De Franse eu-klanken (gesloten in peu, open in
peur) worden op dezelfde wijze getransponeerd als de overeenkomstige
ongeronde voorklinkers Franse e fermé en e ouvert. De
gesloten eu wordt iets lager gevormd en vaak gediftongeerd, b.v.
peui, deui(x), enz. Ook is het gebruik van
gesloten en open eu verschillend van het Franse taalgebruik; zo wordt
Fr. milieu als [miljœ] gehoord.
| |
C. Neusklinkers.
9. De Franse neusklinkers worden meestal met onvoldoende
nasaliteit gevormd: ook ligt het articulatiepunt natuurlijk niet helemaal op de
vereiste plaats. Het verschil tussen Brf. en Frans is hier echter niet zo groot
als bij de mondklinkers.
| |
II. Medeklinkers.
10. Een algemeen verschijnsel (dat trouwens ook in
Wallonië voorkomt) is het vervangen van alle stemhebbende
auslautconsonanten door de overeenkomstige stemlozen; hierdoor worden woorden
als robe, ride, veuve, vase, image, enz. uitgesproken met auslaut-p,
t, f, s, ch (chuintante), waardoor een van de meest karakteristieke
eigenschappen van het Franse consonantensysteem verloren gaat.
Bij de occlusieve auslaut-g (in bague, langue) moet
opgemerkt worden dat deze niet steeds, zoals men uit het hierboven gezegde zou
opmaken, als k wordt gerealiseerd: soms wordt ze als stemloze velare
fricatief (als in Nederl. laag) gehoord; deze uitspraak wijst op een
lager sociale stand.
De Franse g in anlaut wordt natuurlijk als de Nederl.
fricatief gesproken: zo klinkt Fr. gare in Brf. als Nederl.
gaar.
11. Onder de fricatieven moeten de ‘chuintantes’ vermeld
worden: in het Frans gaan deze steeds vergezeld van een vooruitstulpen van de
lippen; dit is niet het geval in de Germaanse talen (Hgd. schön,
Eng. shave, Nederl. meisje) en evenmin in het Bfr.
12. Onder de nasale medeklinkers brengt de gemouilleerde n
van agneau, vigne moeilijkheden mee. Deze medeklinker ontbreekt niet in
het Brn. dialect daar Nederl. zingen als [zin'ə] wordt
uitgesproken. Blijkbaar heeft ook hier de spelling de uitspraak beïnvloed:
wij hoorden de gemouilleerde Fr. n in de auslaut steeds als η als in
Nederl. ding, b.v. [viη] vigne en als [j] in de
inlaut [majifik] magnifique.
13. De Brf. r verdient onze bijzondere aandacht: zoals
bekend, is in de Zuidnederlandse dialecten (behalve in de Zuidlimburgse) de
tongpunt-r nog de geregelde uitspraak. Het A.B. Frans heeft deze
opgegeven, zodat ze nu als plattelands wordt beschouwd; in de plaats hiervan
kwam eerst (waarschijnlijk) een uvulaire r en deze werd dan verzwakt tot
een fricatief, waarbij de lucht tussen tong en verhemelte schuurt, meestal in
de nabijheid van de plaats, waar de voorafgaande of daaropvolgende klinker
wordt gevormd (‘r parisien ou dorsal’ bij
M. Grammont, o.c., blz. 67-68). De | | | | echte huig-r schijnt in de Westeuropese steden (waar ze de tongpunt-r heeft verdrongen)
1) maar een overgangsstadium te vormen
naar de hierboven beschreven dorsale fricatief. De Brusselaars hebben blijkbaar
pogingen gedaan om de tongpunt-r kwijt te raken, maar zijn nog niet over
het eerste stadium heen: de krachtige tongpunttrillingen zijn door even
krachtige huigtrillingen vervangen (het echte ratelgeluid, dat bij gorgelen
wordt voortgebracht).
14. De gemouilleerde l is uit het A.B. Frans verdwenen sedert
de 18e eeuw; hetgeen l mouillée heet in woorden als sillon,
famille is een jod. Het Brf. spreekt de intervocalische -ll- nog uit
als l mouillée (of als lj), b.v.
[mεl'œ:r] of [mεl'jœ:r]
meilleur
2); in de auslaut is de uitspraak meestal
normaal behalve bij de lagere stand, die dan gewone l uitspreekt:
[famil].
15. Het is wel overbodig op te merken dat het onderscheid tussen de
velare w van noix [nwa] en de palatale ẅ van nuit
[nẅi] in het Brf. onbekend is. Deze semi-vocalen worden in het Frans meestal
ou [u] en u [y] gespeld. Onder invloed van deze spelling zegt het
Brf. [buwe] bouée i.pl. van [bwe] en [bywe] buée
i.pl. van [bẅe].
16. Wij willen dit (onvolledig) overzicht besluiten met een
opmerking over de hiaatvrees, die in het Brf. en ook in de Waalse dialecten
optreedt en overgangsklanken in het leven roept, waarvan we hierboven reeds een
voorbeeld aanhaalden, nl. de overtollige w. Zoals elk onbevooroordeeld
waarnemer weet, bestaat de hiaatvrees in het gesproken Frans hoegenaamd niet
3). Het Brf. maakt overvloedig gebruik van de semi-vocalen
j en w als hiaatvulling; zo wordt [nowεl]
Noël uitgesproken i.pl. van [noεl],
[israjεl] Israël i.pl. van [israεl],
enz. Nieuwe hiaten ontstaan doordat, zoals hierboven vermeld, de Franse
ou en u als vocalen worden uitgesproken waar ze in het A.B. Frans
consonantische functie vervullen.
Bovenstaande opmerkingen willen we als een eerste poging beschouwd
zien om het Zuidnederlands substraat in het Frans van een deel der Brusselse
bevolking bloot te leggen. Het verschil in gebruik tussen echt Franse en Brf.
klanken werd niet besproken: dit zou een volledig overzicht van de woordenschat
noodzakelijk maken; evenmin werden de klankverbindingen behandeld, die de
Brusselaars aan hun articulatiebasis weten aan te passen.
L. Grootaers.
|
1)Klank- en Vormleer van het Brusselsch
Dialect met zijn plaatselijke verscheidenheden. Gent, Kon. Vl. Akad. voor
Taal- en Letterkunde. 1931.
2)Sommige van de door ons beschreven
verschijnselen worden behandeld door
L. Goemans en
A. Grégoire, Traité de prononciation
française5. (Luik 1938): dit uitstekend werkje werd
echter uitsluitend voor paedagogische doeleinden samengesteld.
3)Wij zullen phonetisch schrift alleen
gebruiken waar het volstrekt noodzakelijk is en deze tekens dan tussen
vierkante haakjes plaatsen.
1)Zie over dit verschijnsel
Lecoutere-Grootaers, Inleiding tot
de Taalkunde, 6e dr., blz. 97.
1)Zie
H. Zwaardemaker en
L.P.H. Eijkman, Leerboek der Phonetiek, blz.
204 en de kaart van Europa bij G. Sjöstedt, Studier
över r- ljuden i sydskandinaviska mål (Stud. utg. genom
landsmålarkivet i Lund. 4).
2)Ook Frans Zwitserland heeft
dit archaïsme bewaard.
3)In de Franse metriek is het hiaatverbod
(onder invloed van de metriek der klassieke talen) door Malherbe tot een dogma
verheven en door
Boileau als dusdanig overgenomen in zijn Art
poétique. Over dit merkwaardig geval van Franse taalpolitie zie
E. Tappolet, Hiatusfurcht und Wohllautstheorie im
Französischen in Die Neueren Sprachen, XL (1932)
385-398.
|
|