| Openslaande portebrisée deuren. | Openslaande deuren of: porte-brisée, (dit beteekent letterlijk: (in tweeën) gebroken deuren. |
| Luxurieus. | Luxueus. |
| (Luxurieus bet: weelderig in den zin van: zedeloos - ontuchtig. | |
| Luxueus bet: weelderig in den zin van rijk). | |
| flux de bouche. | flux de paroles bet: spraakwater dus overdrachtelijk: woordenvloed. |
| flux de bouche bet: speeksel. | |
| condolatie. | dit moet zijn: condoleantie. |
| van con: mede en: doleantie: bezwaar of beklag. | |
| bevobbeld. | bijvoorbeeld. |
| de grootste helft. | het grootste deel. (helften zijn immers altijd gelijk). |
| Ik blief het niet. | Dank U - liever niet of: |
| Ik lust het niet. | Dank U, ik houd er niet zoo heel erg van. |
| of: neen dank U - ik heb aan den smaak daarvan nooit kunnen wennen. | |
| Ik blief niet meer. | Neen dank U - niet meer - of: |
| Ik lust niet meer. | het was overheerlijk.... maar ik zal |
| Ik kan niet meer. | niets meer gebruiken of: |
| Ik ben zat. | ik ben geheel voldaan, dank U zeer |
| On-mogelijk...! | Nee dank U - voor mij niets meer. |
| Meer als. | Meer dan. |
| ass-ik. | als ik. |
| rijker, grooter, beter, enz. als... | rijker, grooter, beter, enz. dan. |
| de kinderen van mijn man zijn zuster. | de kinderen van de zuster van mijn man. |
| de jongen zijn hoed. | de hoed van den jongen. |
| de vrouw d'r tasch. | de tasch van de vrouw. |
| het kind zijn moeder. | de moeder van het kind. |
| hullie | }zij. |
| zullie | }zij. |
| de jas van zijn | de jas van hem. |
| hem heeft gezegd | hij heeft gezegd. |
| optelefoneeren | opbellen of telefoneeren. |
| het kost duur | het is duur of: |
| het kost veel. | |
| aanrecommandeeren | aanbevelen of recommandeeren. |
| {wat of watte? | wat blieft U? of: |
| {wat ister? | pardon... ik heb U niet verstaan. |
| Het boek legt op tafel | Het boek ligt op tafel. |
| Ik heb het daar neergelegen | Ik heb het daar neergelegd. |
| Ik lag het in de kast | Ik legde het in de kast. |
| Liggen = zelf liggen | Liggen - ik lig - ik lag - ik heb gelegen. |
| Leggen = iets neerleggen | Leggen - ik leg - ik legde - ik heb gelegd. |
| Dus: het boek lag op tafel | maar: ik legde het daar neer. |
| Ik kan hem | Ik ken hem. |
| Ken dat? | Kan dat? |
| Hij ken niet zwemmen | Hij kan niet zwemmen. |
| Ik kan die taal niet | Ik ken die taal niet. |
Kennen beteekent: weten, bekend zijn met, kennis dragen van.
Kunnen beteekent: in staat zijn tot, de mogelijkheid bezitten van te.....
Kunnen wordt gebruikt in verband met een ander werkwoord.
Bijv.: wij kunnen niet handelen of: hij kan schaakspelen of: het kan niet bestaan enz. enz. Wanneer men zegt: ik kan niet meer! bedoelt men feitelijk: ik kan niet meer werken of loopen of klimmen dus: ik kan niet meer doorgaan met datgene waar ik mede bezig ben.
Natuurlijk zijn er nog tallooze uitdrukkingen, die beschaafde lieden ten allen tijde dienen te vermijden. Wij deden slechts een greep.