| het kind zijn moeder. |
de moeder van het kind. |
| |
|
| hullie |
}zij. |
| zullie |
}zij. |
| de jas van zijn |
de jas van hem. |
| |
|
| hem heeft gezegd |
hij heeft gezegd. |
| |
|
| optelefoneeren |
opbellen of telefoneeren. |
| |
|
| het kost duur |
het is duur of: |
| |
het kost veel. |
| |
|
| aanrecommandeeren |
aanbevelen of recommandeeren. |
| |
|
| {wat of watte? |
wat blieft U? of: |
| {wat ister? |
pardon... ik heb U niet verstaan. |
| |
|
| Het boek legt op tafel |
Het boek ligt op tafel. |
| Ik heb het daar neergelegen |
Ik heb het daar neergelegd. |
| Ik lag het in de kast |
Ik legde het in de kast. |
| Liggen = zelf liggen |
Liggen - ik lig - ik lag - ik heb gelegen. |
| Leggen = iets neerleggen |
Leggen - ik leg - ik legde - ik heb gelegd. |
| Dus: het boek lag op tafel |
maar: ik legde het daar neer. |
| |
|
| Ik kan hem |
Ik ken hem. |
| Ken dat? |
Kan dat? |
| Hij ken niet zwemmen |
Hij kan niet zwemmen. |
| Ik kan die taal niet |
Ik ken die taal niet. |
Kennen beteekent: weten, bekend zijn met, kennis dragen van.
Kunnen beteekent: in staat zijn tot, de mogelijkheid bezitten van te.....
Kunnen wordt gebruikt in verband met een ander werkwoord.
Bijv.: wij kunnen niet handelen of: hij kan schaakspelen of: het kan niet bestaan enz. enz. Wanneer men zegt: ik kan niet meer! bedoelt men feitelijk: ik kan niet meer werken of loopen of klimmen dus: ik kan niet meer doorgaan met datgene waar ik mede bezig ben.
Natuurlijk zijn er nog tallooze uitdrukkingen, die beschaafde lieden ten allen tijde dienen te vermijden. Wij deden slechts een greep.