Wanneer men iemand zakelijk wil introduceeren geeft men zijn naamkaartje en schrijft daar persoonlijk boven: Ter introductie van den Heer Jansen of ter introductie van mevrouw Jansen geb. Pieterse. Men kan deze woorden parafeeren, noodig is het niet, in sommige gevallen echter wenschelijk.
Wanneer men aan iemand een introductiebrief geeft is het altijd verstandig niet alleen op het envelop doch ook in den brief den naam van den persoon tot wien het schrijven gericht is duidelijk te vermelden.
Dit om te voorkomen, dat van een introductiebrief voor A. misbruik zou worden gemaakt bij B. en C. en D.
Geeft mevrouw A. een introductieschrijven voor de familie B. aan den vriend van haar zoon C., dan eischt de wellevendheid, dat zij de familie B. ten overvloede per post verwittigt van de a.s. komst van C.
De brief, die mevrouw A. aan den jongen C. ter hand stelt, luidt ongeveer als volgt: Beste vrienden. Met dit schrijven introduceer ik bij jullie den heer C., een vriend van onzen Karel. C. is geheel vreemd in Rotterdam, waar hij niemand kent en waar hij zoojuist zijn benoeming tot leeraar heeft ontvangen.
Buitengewoon zou ik het op prijs stellen als jullie hem eenige vriendelijkheid zoudt willen bewijzen. Met hartelijke groeten enz.
Een introductie schrijven wordt altijd in open envelop overhandigd aan dengene, dien men wil introduceeren. Deze ontvangst den brief en plakt deze dadelijk dicht in tegenwoordigheid van den ander.
Is degene, die het introductie schrijven heeft ontvangen een man,
dan begeeft hij zich met den brief naar het kantoor van den persoon aan wien de brief is gericht. Hij zendt zijn visitekaartje tezamen met den brief naar binnen en wacht tot de geadresseerde hem laat binnenroepen. Is deze in conferentie, dan zal hij vermoedelijk een uur of datum opgeven wanneer hij gelegenheid zal hebben den bezoeker te ontvangen.
Is de introductie brief aan een dame gericht, dan geve men persoonlijk brief en kaartje af aan haar huisdeur zonder een poging te doen binnen gelaten te worden.
Het is dan aan de vrouw des huizes den geïntroduceerde - wiens adres en telefoonnummer op zijn kaartje staan - op te bellen en uit te noodigen. Is deze dame gehuwd, dan zal zij den onbekenden bezoeker uitnoodigen op een avond, (kort na zijn bezoek) wanneer de heer des huizes aanwezig is.
Is degene, die geïntroduceerd wordt een vrouw, dan zendt zij het introductieschrijven per post indien de geadresseerde een vrouw is.
Vervolgens wacht zij het bezoek (kaartje) van de geadresseerde.
Dit beantwoordt zij met het eveneens afgeven van een kaartje waarna de geadresseerde volgens de étiquette haar dient uit te noodigen.
Meestal gaat het minder vormelijk en zal de geadresseerde na ontvangst van het schrijven opbellen en een datum van samenkomst vaststellen.
Heeft een vrouw een introductie voor een zakenman, dan handelt zij precies zooals een man zou doen: zij vervoegt zich te zijnen kantore en zendt het introductieschrijven tegelijk met haar kaartje naar binnen.
Ontvangt men van familie of goede vrienden een introductie voor een onbekende dan eischt de étiquette, dat men die geïntroduceerde bij zich thuis ontvangt hetzij voor een theebezoek hetzij voor een maaltijd. Slechts een geldig excuus (ziekte - verbouwing - verhuizing, rouw e.d.) ontslaat de aangezochte van deze plicht en veroorlooft hem de geïntroduceerde buitenshuis in restaurant of hotel te ontmoeten.