|
|
|
| |
Luuk Gruwez leest Multatuli
| |
Het gebed van den ontwetende, uit Het dagboek van een krankzinnige
| |
Saïdjah, uit Max Havelaar
‘Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met myn vader om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: “wie van ons zal het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?”
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het huis zien branden van Pa-ansoe, dat hyzelf had aangestoken omdat hy mata-glap was.
Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout neervallen op myn lyk.
En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water werpen om het vuur te dooden.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb den kleinen Si-oenah zien vallen uit den klappa-boom, toen hy een klappa plukte voor zyne moeder.
Als ik val uit een klappa-boom, zal ik dood nederliggen aan den voet, in de struiken, als Si-oenah.
Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen zullen roepen: “zie, daar ligt Saïdjah!” met harde stem.
| | | |
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lyk gezien van Pa-lisoe, die gestorven was van hoogen ouderdom, want zyne haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen om myn lyk staan.
En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by Pa-lisoe's lyk. En ook de klein-kinderen zullen schreien, zeer luid.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren. Men kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond.
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft my buiten de dessah, oostwaarts tegen den heuvel, waar 't gras hoog is,
Dan zal Adinda daar voorbygaan, en de rand van haar sarong zal zachtkens voortschuiven langs het gras...
Bron: Multatuli, Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy (ed. Annemarie Kets). Van Gorcum, Assen/Maastricht 1992
|
|
|