Plato is de schepper van de begrippenpiramide, Aristoteles heeft ermee gewerkt, en sindsdien zijn door talloze filosofen classificaties van algemeen naar bijzonder opgesteld; ik noem hier slechts de indelingswoede van de zestiende-eeuwse ramisten, die als extra regel invoerden dat tweedelingen het beste waren, en zo bij voorbeeld een boek over Cicero indeelden in Leven en Werk, het leven in Jeugd en Ouderdom, het werk in Redevoeringen en Theoretische geschriften.1 Zinloze bezigheden, maar als men mocht denken dat bij voorbeeld psychologische classificaties van persoon, karakter of ras wel voorgoed voorbij zouden zijn: wil, verstand, vernuft, geest, ziel, flegmatisch, melancholisch... arisch... joods;2 of de sociologische van Parsons3 - hij wordt wel opgeschrikt door de linguïsten, die de ramistische voorkeur voor in tweeën vertakte boompjes opnieuw uitvinden; door semantici die hoofd- en bijzaak van woordbetekenissen met behulp van een hiërarchisch begrippenapparaat proberen te vangen.4 Kortom, er worden als nooit tevoren schema's op het bord getekend, omdat docenten én studenten er gelijkelijk verzot op zijn. Een geordende wereld! Opvallend is dat al die indelingen alleen maar mogelijk zijn zolang ze niet onafhankelijk van hun effecten kunnen worden waargenomen. De bloei van de metafysica!
Ook als de systematische hiërarchie niet meer volledig is uitge-
werkt, blijft er toch iets van hangen. Het hogere beïnvloedt dan, is op de een of andere manier de oorzaak van, het lagere: de geest bepaalt de materie. Nieuwe systemen als van Marx of Freud draaien dan dergelijke ordeningen om: de geest is veroorzaakt door de materie, of wordt bepaald door lagere driften.5
Al wie gelooft aan waarheden die onveranderlijk bestaan - onafhankelijk van het feit dat een of allen, de verstandigsten of velen of iedereen, waar en wanneer dan ook, die waarheden accepteren, dus onafhankelijk van mensen - is geen retoricus meer.
Er is in de oude strijd tussen filosofie en retoriek een scheiding aan te brengen met als tegenpolen die realisten die menen dat hun zo zorgvuldig opgestelde boompjes (of ketenen) een werkelijkheid of realiteit afbeelden, en de retorici die menen dat de aangebrachte onderscheidingen en verbanden het gevolg zijn van een (dialectisch) debat tussen mensen, waarbij als enige eis geldt dat de deelnemers aan het debat hun argumenten volgens aanvaarde spelregels blootleggen. Het verschil ook tussen verificatie en falsificatie. Al wie denkt dat argumenten dwingend zijn doet niet meer mee, wie argumenteert verzwakt juist zijn stelling. Het gaat er in elk debat om de tegenstander te dwingen tot duidelijkheid (een debat is een onderhandelingssituatie) en het aardige van geleerden is dat zij vrijwillig hun stellingen zo duidelijk mogelijk maken. De slechte retoricus vindt het wat mal van de geleerde dat hij zijn stellingen zo kwetsbaar maakt door al zijn kaarten op tafel te leggen. De goede retoricus bewondert echter de goede beoefenaar van de wetenschap omdat hij zijn betoog aan een forum van gelijken ter discussie aanbiedt. Al wie denkt een waarheid bewezen te hebben is apodictisch en beschouwt zijn gehoor als zijn mindere.
Duidelijke stellingen zijn falsificeerbare stellingen. Als ik Popper zo de kant van de goede retorici laat kiezen, dan met de bedoeling om te laten zien dat er in de westerse cultuur een constant paradigma bestaat, dat van de spelregels van de argumentatie, dat ik nu het retorische noem: een groep gelijken, experts, geleerden, intellectuelen die van elkaar verwachten dat ze voor hun stellingen zo duidelijk mogelijk argumenten op tafel leggen, en ook de onpartijdige feiten, gegevens, bronnen zo controleerbaar mogelijk vermelden, kortom in onderlinge concurrentie een traditie van betrouwbaarheid in stand houden.