Het is gevaarlijk om coherentie theorieën over waarheid, als die van Hempel, of het paradigma van Kuhn, de epistème van Foucault of een ideologie in zo absolute zin te nemen dat men zegt dat de theorie of het paradigma of de ideologie de feiten pas tot aanzijn brengen.1 Het gaat mij erom dat gebruikte onderscheidingen tussen brute feiten en de interpretatie ervan, tussen feiten en de presentatie van feiten, misschien wel filosofisch zinloos zijn maar retorisch gezien nuttig, en historisch gezien telkens weer onontbeerlijk zijn gebleken.
De noodzaak van een overkoepelende theorie (paradigma) of een ideologie als ordeningsprincipe voor feiten wordt tegenwoordig verdedigd met een beroep op Kuhns Structure of Scientific Revolutions. Maar het is een moeilijkheid dat de term ‘paradigma’ bij Kuhn zelf al op wisselend generalisatieniveau gebruikt is.2 Het meest omvattend is de gelding van het paradigma opgevat in hoofdstuk x, ‘Revolutions as Changes of World View’, maar in het laatste hoofdstuk wordt paradigma voornamelijk sociologisch gedefinieerd als datgene waar een groep aan bezig is, zodanig dat de leden van vooruitgang kunnen spreken. Dan is de ontwikkeling naar natuurlijke afbeelding in de schilderkunst, volgens de visie van Plinius of Vasari, een paradigma, omdat tekortkomingen en vooruitgang aan de standaard van getrouwe weergave kunnen worden afgemeten. Ja zelfs: ‘The theologician who articulates dogma or the philosopher who refines the Kantian imperatives contributes to progress, if only to that of the group that shares his premises.’3 Maar het is duidelijk dat naturalisme in de schilderkunst of in een theologisch debat moeiteloos als aspect van een groter geheel gezien kan worden, welk dan ook: opkomend kapitalisme, een verzwegen belang van de onderzoeker,
maar ook de institutionalisering die zo'n debat mogelijk maakt, een liberale maatschappij.
Elk paradigma zal sommige feiten moeten verwaarlozen die in een ander paradigma op de voorgrond treden. Maar dat neemt niet weg dat elkaar bestrijdende paradigma's, als van Ptolemaeus en Copernicus, elkaar blijven bestrijden op grond van de zelfde waarnemingen, die hoogstens in het ene paradigma beter passen dan in het andere. Niet de feiten zelf veranderen, maar de selectie en de presentatie. De meest extreme vorm van overheersing van paradigma wordt gevonden in de problemen van de meest geavanceerde fysica.4 Maar het is onnodig de constituerende rol die de theorie op dat gebied speelt, uit te breiden tot alle gebieden van menselijk gedrag, waaronder de geschiedenis en de filosofie.