Een beschrijving van de standpunten binnen een democratie beweegt zich op een ander niveau dan een beschrijving van de democratie zelf. Als dit aanleiding geeft tot paradoxen, zoals: ‘Ik maak gebruik van de democratische vrijheid van meningsuiting om voor een revolutie te pleiten die de democratische vrijheden zal afschaffen’, dan is het wel handig om een scheiding in object- en metaniveau in te voeren. Dan zou men ook kunnen zeggen dat een partij die binnen de democratie links is, links is dank zij het feit dat er ook rechtse partijen bestaan. Heeft een linkse totalitaire partij echter de revolutie gewonnen, dan is ze, omdat er nu geen rechtse partijen meer bestaan, niet links meer, althans niet op de zelfde manier. Maar wie dit te subtiel vindt, kan ook van wisseling van generalisatieniveau spreken. Die kan als denkfout worden geïllustreerd door het volgende debat: ‘Ongeloof is ook een soort geloof.’ ‘Nee, ongeloof en geloof zijn species (soorten) van overtuiging.’
Het is één ding een standpunt in te nemen, en het is soms iets anders een analyse te geven, waarin dit standpunt is opgenomen als een mogelijke, maar niet noodzakelijke, houding. Neem een vendetta. Het
is niet moeilijk het mechanisme van een vendetta te analyseren, en die analyse heeft al sinds onheuglijke tijden - de instelling van het hooggerechtshof, de Areopagus, verheerlijkt door Aeschylus in de Eumenides - burgers ertoe gebracht geschillen over moord aan een rechter toe te vertrouwen. Maar wie zelf in zo'n bloedige spiraal terecht is gekomen komt er niet meer makkelijk uit.
De retorische analyse zelf is niet partijdig. Men denke aan een oorlog tussen twee staten, heel ver weg, bij voorbeeld Athene en Corinthe. De argumenten voor het eigen gelijk zijn gelijkluidend aan beide kanten. Het ligt voor de hand om, met Thucydides, dergelijke argumenten als voorwendsels ter zijde te schuiven en de werkelijke reden voor de oorlog in economische rivaliteit te zoeken. Maar zijn de motivaties die de partijen opgeven voor de partijgangers zelf bijzaak? De burgers en soldaten geloven erin, en worden daardoor tot opofferingen en wreedheden gedreven. En, ook al lijkt een situatie waarin beide partijen elkaar beschuldigen het eerst met agressie te zijn begonnen van een wetenschappelijke afstand bekeken misschien wat kinderachtig - maar ook de wetenschap zoekt naar ‘wie’ of ‘wat’ begonnen is: naar oorzaken - dat geldt toch niet voor de wederzijdse hartstochten die een oorlog nu eenmaal moeten begeleiden. Recentelijk nog konden dit soort argumenten honderdduizenden betogers tot wilde haatgevoelens opzetten, en het debat tussen de Verenigde Staten en Sovjet-Rusland over ‘Afghanistan’ komt ook neer op een schuldvraag in termen van ‘wie er begonnen is’.
Van Benthem van den Bergh heeft een boek geschreven waarin op wetenschappelijke gronden de schuldvraag in conflictsituaties wordt verworpen. ‘Een belangrijk struikelblok is dat politieke, maar ook wetenschappelijke discussies zo sterk door de schuldvraag worden beheerst. De implicatie van dat zoeken naar schuldoorzaken analyseert de auteur aan de hand van voorbeelden als de Koude Oorlog, de oorlog in Vietnam en het denken over ontwikkelingsproblemen,’ zo deelt de blurb mij mee. Hij beëindigt een apologie voor zijn protesten tegen het Amerikaanse Vietnambeleid tot 1975 (waarin nota bene de Amerikanen nog gedeeltelijk verantwoordelijk worden gesteld voor de genocide in Cambodja) met een conclusie van Stanley Hoffman waarmee hij het volstrekt eens is: ‘Maar degenen die de oorlog hebben veroordeeld, hebben de verplichting zowel om de waarden op grond waarvan ze de oorlog hebben afgekeurd te verdedigen - de zelfde waarden die op het ogenblik in Cambodja en Vietnam worden verpletterd - als om iedere poging te weerstaan om
hen zich schuldig te doen voelen voor het feit dat zij tegen die oorlog in verzet kwamen.’1
Het is laf om je achter een objectief metastandpunt te verschuilen als je zelf, beschuldigend, protesterend, actief bezig bent geweest.2
Ik heb ook geen sympathie voor het idee dat Lacouture of Joan Baez aan het feit dat ze tegen het Amerikaanse optreden in Vietnam protesteerden, het recht ontlenen om nu hun vroegere vrienden aan te vallen. Dit alles vervult mij met grote walging.
Bekeerde communisten als Koestler en De Kadt ontleenden aan hun bekering gezag. Ook dat vond ik aanmatigend, want degenen die zich nooit tot een of andere vorm van marxisme hadden bekeerd zouden, in hun ogen, nog verstandiger moeten zijn geweest. Maar deze generatie journalisten heeft niets geleerd.
Aangezien actiegroepen grote politieke invloed hebben is het betreurenswaardig dat ze niet tot verantwoording kunnen worden uitgedaagd. Een verantwoordingsplicht hoeft niet wettelijk te worden geregeld, als in het bedrijfsleven maar kan wel in geïnstitutionaliseerde debatten als in het parlement worden afgedwongen. Hoe komt het dat we Angolakoffie eerst niet mochten kopen en nu niet meer kunnen kopen? De liberale pers schiet te kort, want ze levert te veel opinies en te weinig feiten, uit angst dat feiten niet neutraal zijn.