Nu was Adam Smith, de grondlegger van de economie, tevens de grondlegger van de liberale economie, en dus van een politieke richting die zich afzet tegen andere opvattingen over de beste werking van de maatschappij. Adam Smith was ervan overtuigd, zoals zo veel achttiende-eeuwse filosofen en latere beoefenaren van de menswetenschap, dat hij voor de menswetenschap de principes en wetten had gesystematiseerd zoals Newton dat had gedaan voor de natuurwetenschap. De vergelijking zou dan moeten luiden: dank zij deze principes en wetten loopt de samenleving vanzelf, net zoals dank zij de newtoniaanse principes en wetten het heelal vanzelf loopt. Maar de samenleving loopt niet zo goed. De formulering wordt dan licht gewijzigd: is de economie eenmaal volgens deze principes ingericht, dan loopt de samenleving verder vanzelf. Voor het instellen van het goede mechanisme dat door Smith is ontdekt, is dus een politiek besluit nodig van mensen die zelf niet aan de wetmatigheden van de machine onderworpen zijn, net zoals God niet aan de wetmatigheden van het heelal is onderworpen: ‘To build the “economie machine” required for the attainment of the postulated goal is an act of political will. Once it operates it obeys, as does the Newtonian cosmos, nothing but the laws of deterministic order.’1
Waar Newton de mogelijkheid niet wil ontkennen dat God als ingenieur nog eens zou moeten ingrijpen om het heelal bij te stellen - immers de banen van sommige planeten lijken niet helemaal naar
behoren te lopen - is dat ingrijpen voor de menselijke machine essentieel. De juichkreet achteraf van Newton over de door hem ontdekte schoonheid van het heelal is niet essentieel. De liberale economen kunnen niet zonder, want in de samenleving is voortdurende waakzaamheid geboden tegen faliekant ingrijpen van mensen die, als slechte ingenieurs, de werking van de machine niet goed hebben begrepen, of die zelfs, als manicheïsche duivels, de werkzaamheid van de machine willen saboteren. Als het systeem van Adam Smith een echte analogie met het systeem van Newton vertoonde, zou elk ingrijpen in het marktmechanisme een ingrijpen binnen het mechanisme blijven, zoals iemand door een vliegmachine te bouwen niet de zwaartekracht overwint maar er, ten goede of ten kwade, met succes of niet, gebruik van maakt. Een dergelijk mechanisme kunnen we ontwaren in de ruil, als we de (moderne) economie daarvan als abstractie, misschien wel als een ‘alsof’ opvatten: laten we het menselijk bedrijf zo beschrijven alsof andere factoren als wellevendheid, zedelijkheid, gerechtigheid, billijkheid, medelijden, gewoonten, zeden en gebruiken geen beslissende rol zouden spelen en machtsverschillen wel.2
Men kan in de mechanica van Newton geloven of niet geloven, daarmee stort het heelal nog niet in. Wie niet in de liberale economie gelooft kan wel proberen het liberale systeem ineen te doen storten. Vandaar de polemiek van Smith tegen de mercantilisten, en zijn algemeen wantrouwen tegen kapitalisten die maar al te graag hun invloed bij de overheid aanwenden om protectie en monopolie te verwerven. Met andere woorden, de scientia van Smith is door het feit dat de wetten tevens aanbevelingen zijn, een ars geworden, en een ars wordt om zijn pragmatisch nut bewonderd. De zelfde dubbelzinnigheid geldt ook voor de wetenschap die Marx heeft ontdekt.
Het valt mij nu op hoe sterk het systeem van Adam Smith, die zijn carrière begon met colleges over retorica, op dat van de retorica lijkt. Hij is behalve schrijver van The Wealth of Nations ook nog schrijver van A Theory of Moral Sentiments. Het is een probleem hoe die twee systemen aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Het principe van de ethiek van Smith is een ander terugkoppelingsmechanisme: dat van de wederzijdse hoogachting. Men doet het goede om daarmee de ‘sympathy’ van de ander te verwerven. Ook dit is uiteraard retorisch, ja, in de retorica, opgevat als concurrentiestrijd van meningen - waaronder meningen over goederen - maar ook als strijd om de
instemming en hoogachting van de ander, het publiek dat men wil winnen, vinden de systemen van Adam Smith hun eenheid.