terug  begin  verderprepost
[p. 251]

Hoofdstuk III
De taal der hartstochten

[p. 253]

[1]
Cultuur tegenover natuur

We kunnen de plaats van de retorica vooreerst bepalen in het kader van de tegenstelling cultuur en natuur. Natuur kan beschouwd worden als natuurlijke ordening, en dan is er geen conflict voor zover de kunst natuurlijkheid voorschrijft. ‘Natuurlijk’ zal dan betekenen overeenkomstig de werkelijkheid, iconisch, of waar. Zo is een natuurlijke ordening van het vertellen de chronologische; een ordo artificialis, een kunstige ordening wijkt daar als ‘onnatuurlijk’ van af, maar kan bij voorbeeld geëxcuseerd worden door het geringe intrinsieke belang van het gebeurde, wat bij fictie vanzelf spreekt. Of natuur betekent, getrouw aan de etymologie van physis, ‘vanzelf ontstaan’, en dus voor een betoog: ‘vanzelfsprekend’. In het algemeen prijst de retorica bij ernstige zaken natuurlijkheid in deze zin aan: gewoon, correct taalgebruik (latinitas) en heldere uiteenzetting (perspicuitas) worden natuurlijk gevonden, en daarom aangeraden. Dat geldt ook voor de indeling: eerst een feitelijk relaas, dan de argumenten, narratio, probatio (met eventueel de weerlegging, refutatio van de argumenten van de tegenstander); dat is de natuurlijke indeling, en wie zich niet aan een scheiding van feiten en opinies houdt, doet dat ter kunstige misleiding. Elke fout tegen de natuur behoeft een excuus.

Zo gezien is de hele retorische ordening van het betoog natuurlijk te noemen: begin (exordium), midden, bestaande uit narratio, feitelijk relaas, gevolgd door probatio, bewijsvoering, refutatio, weerlegging, en eind (peroratio). ‘Natuurlijk’ wil dan zeggen min of meer universeel, eeuwig. Een dergelijke ordening is zo vanzelfsprekend dat ook iemand die niet de regels van de retorica kent, vanzelf zijn betoog zo zal opbouwen. Dat geldt ook voor het prijzen van de overledene in een grafrede, zoiets doe je als het ware vanzelf, omdat iedereen bij een grafrede er behoefte aan heeft van zijn gemis te getuigen. Het is dan onnatuurlijk, bij voorbeeld uiting van een heel specifieke geloofsovertuiging, als in een christelijke grafrede uitsluitend de vreugde over bereikte zaligheid aan bod mag komen.

[p. 254]

Het begrip natuur is zo echter buitengewoon gebrekkig gedefinieerd. Het is dus veel eenvoudiger het aandeel van de natuur te minimaliseren. Dat kunnen we doen door zo veel mogelijk aan regels toe te schrijven. De moeilijkheid heeft zich dan echter verplaatst, want nu is het begrip regel onduidelijk geworden: expliciet of impliciet ‘onbewust’, en wat betekent het ‘onbewust’ een regel te volgen? Het is het beste om zo veel mogelijk gewicht te hechten aan de expliciete regels, en de rest te verwijzen naar een lege term, natuur, vergelijk het begrip ingenium, aanleg, talent, als dat gebruikt wordt om het onbegrijpelijke verschil aan te duiden tussen leerlingen die allemaal het zelfde onderwijs hebben gevolgd. Ingenium is dan het aandeel van de erfelijkheid, de natuur.

We kunnen dit lege natuurbegrip weer opvullen door het slecht te vinden. ‘Natuurlijk’ zijn dan de egoïstische driften, de instincten van zelfhandhaving en handhaving van de soort; dierlijk omdat we in de natuur slechts de naakte strijd om het bestaan ontmoeten. De menselijke natuur is het dierlijke in de mens. De mens is van nature bruut, een monster, Canibal de kannibaal1, de Yahoo's van Swift.

Alleen conventies, alleen kunst kan ons redden - inclusief de kunstwerken van waterstaat. Ars is nu een onderdeel van cultuur, en cultuur staat tegenover onbeschaafde menselijke aanleg. De natuur is wreed, dat is ook de les die ik nog steeds uit elke natuurfilm trek als hij op het televisiescherm verschijnt om mij op te beuren na door mensen veroorzaakte rampen. Het kan nog altijd erger, kijk naar de hyena of de koekoek; ga naar de haaien en wordt wijs. Ik zie gelukkig dan ook weinig natuur om mij heen. Het schijnt dat er ergens op de grens van Rusland en Polen een oerbos in stand wordt gehouden. De verschrikkingen van de ongeremde strijd om het bestaan! Laissez faire, laissez passer!

 

Isocrates was een redenaar uit de vierde eeuw die vooral uitblonk door zijn zoetvloeiende beschaafde stijl. Hij was ook de leider van een retorenschool waar Aristoteles mee wilde concurreren toen hij zijn Retorica schreef. Kenmerkend voor Isocrates was de gedachte dat moreel besef als vanzelf het gevolg was van retorische training. Het gebruik van retorische middelen is het kenmerk van panhelleense beschaving, en verklaart het prestige van Athene.2

Zoals het Griekse worstelen zich onderscheidt van het wilde gestomp en gerol van de barbaar, zo onderscheidt de beschaafde Griek zich door zijn hantering van kunstgrepen in de verbale worsteling.

[p. 255]

De retor is nu beschaafd geworden, de nadruk wordt gelegd op zijn morele kwaliteiten, hij is vir bonus, zelfs een beetje filosoof, en dus wat oude-heerachtig. Sindsdien worden retorici het niet moe hun leerlingen in een historische fictie voor te houden - Alcuin bij voorbeeld aan Karel de Grote - dat overreding de mensen heeft geleerd af te zien van hun blinde en overmoedige eigenbelang, ze tot samenwonen heeft gebracht en van wild en woest zachtmoedig en tam heeft gemaakt.3 Slechts door voortdurende overreding worden de mensen van egoïsme afgehouden, vandaar dat enorme demonstratieve propaganda-apparaat, school en kerk en staat, dat opofferingsgezindheid en medelijden probeert aan te kweken, en de opvoeding die daarnaast de regels van beschaafd gedrag met zo veel woorden leert: niet altijd het grootste stukje van de koek!

 

In beide opvattingen van natuur is kunst dus afwijkend, maar omdat in de tweede kunst uitgebreider wordt opgevat, behoeft zij minder excuus. De regels van de kunst zijn afwijkingsregels, vergelijk de karakteristieke stap van de cabaretier, de overdreven mimiek van de filmspeler. Door hun afwijking of overdrijving worden menselijke uitingen zo gestileerd dat ze herkenbare conventionele tekens worden en voorbeeldig kunnen werken. Een natuurlijke schrikreactie wordt buiten de context om op een foto niet herkend, een gespeelde schrikreactie wel. Kunst draagt een levensstijl over, vergelijk het totaal geënsceneerd gedrag van Brigitte Bardot dat zo pas navolgbaar werd.

De grammatica levert nu de in de ogen van het ongeletterde volk afwijkende regels voor de ars recte loquendi, de kunst van het correcte taalgebruik in de beschaafde omgang en is pas in zodanig gestileerde vorm leerbaar. De retorica staat daar tegenover als de kunst van de welsprekendheid in het openbaar. Dan is het al duidelijk dat de retorische regels de voorschriften geven voor een register, ornatus, dat afwijkt van het register van de dagelijkse omgangstaal, want de gelegenheid zelf is artificiëler. Afwijkingen in register doen zich voor op elk niveau van de taal: syntaxis, woordkeus, maar ook stembuiging. Wie in het openbaar spreekt heeft een andere voordracht, bij voorbeeld de galmende preektoon, passend bij de gelegenheid.

Vooral op latere leeftijd zal de redenaar met enige minachting neerkijken op de pedante retorica, iets voor Griekse schoolmeesters. Maar intussen heeft hij er wel zijn vaardigheid aan te danken, zij is

[p. 256]

een ‘Tweede Natuur’ geworden. Vandaar het belang van het ars est celare artem, de ongekunsteldheid als hoogste vorm van kunst. Beschaving is afwijkend gedrag dat tot tweede natuur is geworden.

1Zie: F. Kermode, ed., Shakespeare Tempest, Arden Edition, London 1954, Introduction, blz. 34-54.
2G. Kennedy, The Art of Persuasion in Greece, London 1963, blz. 178 e.v.
3Alcuin, Dialogus de rhetorica et virtutibus, Migne PL 101, § 314, k. 921.
prepostterug  begin  verder