Gorgiaanse figuren - dus vooral syntactische parallellie met semantische tegenstellingen, antitheton - worden in de poëzie vermeden, want ze zijn typisch retorisch. Ovidius is om die reden retorisch. Een anekdote vertelt hoe enige vrienden de dichter voorstelden zijn drie slechtste regels uit te kiezen, Ovidius zou dan zelf zijn beste regels noemen. Natuurlijk, het waren de zelfde, waaronder:
Ovidius is een beetje kinderachtig. Want als gorgiaanse figuren in het kunstproza al kinderachtig gevonden worden, hoeveel te meer dan niet in de poëzie, die toch door het metrum al voldoende gestructureerd is?2 Vandaar dat hij in de middeleeuwen (de twaalfde eeuw als ‘aetas ovidiana’) en later zo goed geïmiteerd kon worden. Maar dubbelop parallellisme is wel gemakkelijk aan te leren. Als na de val van het Romeinse keizerrijk onder invloed van volkse liturgische gezangen nu, naast het metrum, op het fonische niveau ook het rijm als parallel element wordt geïntroduceerd, en dan ook nog gorgiaanse figuren erbij komen, dan krijgen we, in de moderne poëzie, wel een ongekend hechte constructie. Ik citeer als voorbeeld uit de middeleeuwen Gottfried von Strassburg:
of in Petrarca
Bij Petrarca komt dit verschijnsel dan weer niet zo stereotiep voor als bij zijn navolgers. Vooral diegenen die in de zestiende eeuw een bijdrage willen leveren aan pogingen de volkstaal voor beschaafd schriftelijk taalgebruik te fatsoeneren beginnen op dit kinderachtige niveau: Ick heb gheen vrede en ben met niemant twistigh; ick hoop ick vrees, ick vrieze in den brant (Roemer Visscher).3 Ook het proza
wordt uiteraard door gorgiaanse figuren gestructureerd. Zo schrijft de schoolmeester Ascham in zijn voorrede op zijn Anatomy of Wit, opgedragen aan Hendrik viii: ‘I trust that your Grace shall perceive it to be a thing honest for me to write, pleasant for some to read, and profitable for many to follow...’ en vergelijk een parodie op dit ‘Euphuisme’ in Shakespeare: de pedante Nathaniel in Love's labour's lost: ‘I praise God for you sir: reasons at dinner have been sharp en sententious; pleasant without scurrility, witty without affectation, audacious without impudency, learned without opinion, and strange without heresy...’4
Het sonnet, met zijn omslag in het sextet, is dan bij uitstek geschikt om een parallelle periode in onder te brengen, die immers eerst een verwachting opent in een protasis, om hem dan af te ronden in de nazin, apodosis. Voorbeelden: ‘als dit zo is... en dit... dan’, of ook: ‘zoals... zo’, verder: ‘hoewel... toch’, ‘waarom... daarom’.
Ook het uitgewerkte syllogisme, het epicheirema, heeft deze structuur. De overeenkomsten zijn F. Schlegel opgevallen: ‘In dem wahren Sonett müsste das erste Quartett Prämisse, das zweite Major und Minor sein, und die Terzetts Conclusion... Das Sonett [...] entspricht der Form des Syllogismus, wo eine Gedanke nach der ganzen Formlichkeit des Denkens in sich selbständig gegründet wird, nach Vor-, Nach- und Schlusssatz.’5
Een beroemd epicheirema van Cicero: ‘Maar als de wetten der Twaalf Tafels toestonden dat een dief bij nacht onder welke omstandigheden dan ook, een dief overdag echter als hij zich met een wapen verdedigde, ongestraft gedood kon worden, wie is er die kan menen dat, onder welke omstandigheden dan ook er gedood is, [er altijd] gestraft moet worden vooral wanneer hij ziet dat soms het zwaard ons door de wetten zelf wordt aangereikt.’6
De structuur van de ciceroniaanse periode vinden we terug in een sonnet van Joachim Du Bellay, dat door Jakobson behandeld is om het poëtische parallellisme te illustreren7:
S.R. Levin, Linguistic Structures in Poetry, is ook al op zoek naar parallellisme in sonnetten, waarbij hij zich niet ontziet gedichten in de dieptestructuur nog hechter te maken dan ze al zijn. Zo is de structuur van Shakespeares Sonnet 30: (1) ‘When to the sessions of sweet silent thought- (3) (Then) I sigh- (5) Then can I- (9) Then can I- (13) But if- (14) (Then) All losses are restored and sorrows end.’ Levin merkt op: ‘Constructionally, the entire sonnet consists of two conditional sentences, each one comprising a protasis and an apodosis, which we may call, respectively, the condition and the conclusion.’8 Inderdaad, een epicheirema.
Dergelijke sonnetten zijn wel heel hecht gebouwd, en ik vind ze primitief. De sonnetten van Baudelaire zijn geen haar beter. Les Chats is een heel rustig parallel gebouwd sonnet, volgens de regels van de meest simpele Franse syntaxis, en het verdiende niet zo ingewikkeld door Jakobson en Lévi-Strauss geanalyseerd te worden.9 Vergelijk hiermee nu eens een gedicht van Catullus dat, uitzonderlijk genoeg, ook uit één lange periode bestaat (65).10
protasis 1-4: Hoewel mij, overweldigd door voortdurende smart, de overdenking wegroept van de geleerde maagden, Hortalus, en mijn geestkracht niet in staat is de zoete kinderen van de Muzen voort te brengen, in zo veel ongeluk golft zij.
parenthesis 5-14 (want niet lang geleden bespoelde de met de vloed van de Lethe lekkende golf de vale voet van mijn broer, dien het Trojaanse land verplettert bij het Rhoetaeïsche strand, ontrukt aan mijn ogen.)
(parenthesis 10-14) (zal ik je nooit broeder liefelijker dan het leven hierna zien? Maar ik zal je zeker steeds beminnen, steeds liederen zingen bedroefd door jouw dood,)
(vergelijking 12-14) zoals onder de dikke schaduw van takken de Daulische vogel zingt, bezuchtend het doodslot van Itylus)
apodosis 15-24: Maar toch in zo grote rouw, Hortalus, zend ik je deze vertaalde gedichten van de afstammeling van Battus,
(ratio 17-19) opdat je niet denkt dat je woorden, vergeefs toevertrouwd aan de onbestendige winden, geheel aan mijn gedachten ontsnapt zijn,
(homerische vergelijking 19-24) zoals een appel geworpen als heimelijk geschenk van de verloofde uit de kuise schoot van een meisje rolt, die gestopt onder het zachte kleed van het arme meisje dat hem vergeten was, eruit rolt wanneer ze opspringt bij de komst van haar moeder, en hij rolt maar verder in snelle vaart, en het schuldbewuste blozen vloeit over haar bedroefd gezicht.
Dat is kunst! Catullus schrijft een gedicht waarin hij dicht dat hij niet dichten kan; hij kan alleen Callimachus vertalen. Maar aan het eind levert hij, in de homerische vergelijking, een kleine idylle. De regels 10-12 zijn als uiting van oprechte smart te vergelijken met de korte gedichtjes die, in de romantiek, Catullus' reputatie als dichter hebben gegrondvest. Welk een kunst om het gekunsteld gedicht met zo'n oprechte uitroep te doorbreken. Let ook, in de eerste twee paren zinnen, op de semantische herhaling in juist totaal gevarieerde
syntaxis. Dit is nog maar een overzichtelijk voorbeeld. Gedicht 68 is veel complexer: eerst brief, dan mythologisch gedicht, dan liefdeselegie, dan rouwklacht op de broer.
| Quodsi | duodecim tabulae | nocturnum furem | quoquomodo | |
| diurnum autem | si se telo defenderet | interfici voluerunt | ||
| quis est qui | quoquomodo quis | interfectus sit puniendum putet | ||
| cum videat | aliquando | gladium nobis ab ipsis porrigi legibus. |