Is Bilderdijk classicist of romanticus?1 Waarom niet gewoon: Bilderdijk is een empire-dichter die in dienst van Lodewijk Napoleon in zijn eentje voor Vergilius en Horatius tegelijk moest spelen. Koning Willem I heeft een grootscheepse kunst- (en wetenschap-) politiek nog willen voortzetten tot 1830.2 Toen werd hem duidelijk dat hij koning van een kikkerlandje was, en dat door gebrek aan wederzijdse stimulering de Hollanders niet uit hun middelmatigheid waren te halen. Ik wil hier pleiten voor een bestudering van dergelijke verschijnselen in het kader van bewuste periodisering. De vraag staat dan centraal: waarom werd aan het een of andere hof opdracht gegeven epen te schrijven? Waarom zien we, bijvoorbeeld in de tijd van Karel de Grote, opeens horatiaanse Oden opduiken, waarom was, bij voorbeeld voor Janus Secundus, het schrijven van erotische elegieën een voorwaarde voor een snelle carrière aan het hof? De vraag: zijn deze kunstenaars ook kinderen van hun tijd, hoe herkennen wij ondanks alle bedoelingen de onmiskenbare sporen van middeleeuwen, renaissance of barok in hun werk, wordt dan minder interessant. Het gaat om de bedoelingen, de bewuste navolging. Bilderdijk schreef heel slechte pindarische oden, daar zijn redenen voor te bedenken, maar hij was niet onbewust een romanticus, op geheimzinnige wijze verwant aan zijn Engelse tijdgenoten.
De voorgestelde aanpak zou kunnen leiden tot een periodisering zonder ook maar een reminiscentie aan een Tijdgeest als uitgangspunt. Uiteraard kunnen dan naderhand de verschillen in het licht gesteld worden; datgene wat een renaissance-epos als van Ariosto anders maakt dan de Aeneis, in hoeverre de Elegieën van Janus Secundus elementen bevatten die in de echte augusteïsche periode onbestaanbaar waren, of minder centraal stonden. Ook hier zou, naar retorische trant, allereerst moeten worden gekeken naar de aanpassing aan het publiek, de wisselwerking met de verwachtingen opgelegd door de heersende smaak. De directe klassieke voorbeelden zijn dan ten slotte maar één, zij het de belangrijkste factor.3
Daarnaast is het mogelijk dat het element van imitatie een geringe rol speelt, als bij de gedichten die aan het hof van Frederik de Tweede werden geschreven in Zuid-Italië in de twaalfde eeuw. Men kan de bloeitijd van het regime van Augustus ook overtreffen door eigentijdse literatuur te bevorderen, zij het dan dat we nu moeten oppassen; het is eenvoudiger een nabootsing van een cultuurpolitiek van Augustus te herkennen aan de imitaties. Evenwel, juist het feit dat heel wat augusteïsche poëzie in schijnbaar ver verwijderd verband met de politiek van Augustus stond, maakte het mogelijk voor later komende dichters, in navolging van Horatius, wel een villa op te eisen, maar tegelijk een grote vrijheid van stijl, en vooral van onderwerp. Het is een daad van wijs beleid geweest dat Maecenas begrip toonde voor de manier waarop de dichters, Horatius, Propertius, zich telkens weer excuseerden voor het schrijven van een epos dat de heldendaden van Augustus zou bezingen; zij hielden zich, zongen zij, liever aan de kleine onderwerpen, waaronder liefde. Niets dan panegyrieken op de keizer zou de keizertijd moeilijk overleven. Deze liberale opvatting van het mecenaat - die uiteraard ook op vroegere hoven heerste, het hof van de tiran Pisistratus en zijn zonen, de eerste Ptolemaeën en hun Mouseion - is in de westelijke wereld vooral dank zij het succes van Maecenas voorbeeldig geworden. De literatuur heeft daar veel aan te danken - vergelijk de enge grenzen waaraan volgens Lenin de literatuur moest voldoen. Heel algemeen en verhuld wordt de keizer geprezen door het loutere feit dat de door de dichters geleverde niet-actuele teksten ‘eeuwiger dan brons’ zijn, zodat de roem van hun werk op de regeringsperiode afstraalt. Dat geldt ook voor andere kunsten. Vandaar de ambitie van elke vorst om voor mecenas te spelen. De vorst laat de kunstenaars vrij in hun onderwerp binnen zekere grenzen die gevormd worden door zijn persoonlijke smaak. Dat is wat anders dan een principieel smakeloos subsidiebeleid.