We kunnen de principiële begrijpelijkheid van teksten ook aannemelijk maken door teksten te beschouwen als een deel van de verzameling door mensen, met menselijke bedoelingen gemaakte, artefacten. De begrijpelijkheid van mensenwerk in het algemeen omvat de begrijpelijkheid van gereedschap, fabricaten en instituties, kortom, de gehele Cultuur, tegenover de principieel onbegrijpelijke natuur.1 In de tweedeling Geisteswissenschaft/Naturwissenschaft van Dilthey wordt het Verstenen exclusief voorbehouden aan produkten van menselijke cultuur; de natuur is de onbegrijpelijke Kulisse des Lebens, die alleen met behulp van menselijke modellen erklärt kan worden.2
De tweedeling berust op een nominalistische taalopvatting, en heeft haar tegenhanger in platoonse idealisten, realisten en essentialisten, kortom allen die geloven in een ware adequatio intellectus ad rem, en die dus moeten aannemen dat de menselijke logos overeenkomt met een logos in de niet-menselijke natuur, waarvan de bron dan als vanzelf aan de Schepper van beide wordt toegeschreven. Als
het boek der natuur, de Biblia Naturae, in geometrische of mathematische taal geschreven is, dan omdat de mens, als mathematicus, een afbeelding is van God als volmaakte mathematicus. Wie daar niet in gelooft zal aan de kennis van de natuur de beperking van de categorieën van het menselijk verstand moeten toeschrijven.3 Een van de eersten die, in het voetspoor van Newton, een systematische menswetenschap dacht te hebben gemaakt, was de achttiendeeeuwse retoricus en rechtsgeleerde uit Napels Vico. Alleen gesystematiseerde kennis, ‘scienza’, levert volgens hem waarheid op. Gesystematiseerde kennis is alleen mogelijk voor zover zij op mensenwerk betrekking heeft. Een echte waarheid over de natuur is voor mensen niet weggelegd. Vandaar dat Vico, voorbarig, geloofde in de mogelijkheid van echte waarheid van een menswetenschap.4 Dat deel van zijn Scienza nuova kunnen wij vergeten. Belangrijker is wat hij zei in een vroegere inaugurele rede: ‘De waarheden waar de Natuurkunde op kracht van de geometrische methode naar streeft, zijn slechts waarschijnlijkheden, die aan de geometrie weliswaar hun methode te danken hebben, niet het bewijs.’ Geometrica demonstramus, quia facimus; si physica demonstrare possemus, faceremus: ‘We bewijzen de wiskunde, omdat wij haar maken; als we de natuurzaken zouden kunnen bewijzen, dan zouden wij ze voortbrengen.’ Wat dat laatste betreft luidt de moderne versie: we bewijzen in de natuurkunde voor zover we de verschijnselen voortbrengen.5 Of weer anders gezegd: ook de primaire waarnemingen van de fysica zijn al voor het menselijk verstand voorbewerkt, bij voorbeeld door middel van meters. De klok en de thermometer zijn de eerste tekstproducerende machines. De natuurkunde kan zo goed uit de voeten omdat alle verschijnselen in een eenduidige, menselijke taal zijn geregistreerd, of alleen maar in die taal bestaan. De natuurwetenschap is een tekstwetenschap bij uitstek. De enige onbemiddelde natuurwetenschap - of een tot mislukking gedoemde poging daartoe - wordt bedreven door die romantische dichters of realistische kunstenaars die de onmiddellijke ervaring van een astronomisch feit als de zonsondergang of een onbestemd gevoel direct willen verwoorden. Tot mislukken gedoemd, omdat de goede dichters weten dat zij hun ervaringen alleen in de voorgevormde clichés van de dichterlijke taal kunnen verwoorden. Woorden schieten te kort, of verraden op tragische wijze. Dat is dichterlijke, romantische tragiek, waar de echte natuurkundige geen last van heeft.