'Het begrepen subject, een fantoom in de taalbeschrijving'


auteur: Ton van Haaften en Annelies Pauw


bron: Ton van Haaften & Annelies Pauw, ‘Het begrepen subject, een fantoom in de taalbeschrijving.’ In: Forum der Letteren 23 (1982), p. 124-146.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 124]

Het begrepen subject, een fantoom in de taalbeschrijving *

Ton van Haaften
Annelies Pauw

In dit artikel wordt uiteengezet hoe binnen het kader van de uitgebreide standaardtheorie het verschijnsel begrepen subject beschreven wordt en tevens wordt aangetoond dat de beschrijving van dit verschijnsel van belang is voor de beschrijving van een drietal andere taalverschijnselen. Op basis van dit overzicht wordt een pleidooi gehouden voor een niet-referentiële status van het begrepen subject.

1. Inleiding

Iemand die de volgende zin hoort

 

(1) Els belooft Eva in de vakantie voor de poezen te zorgen

 

zal aannemen dat Els degene is die voor de poezen zal zorgen en niet Eva. Het verschijnsel dat zich hier voordoet kunnen we ook anders en iets algemener omschrijven: taalgebruikers leiden uit zinnen zoals (1) af wie de ‘uitvoerder’ zal zijn van de handeling die in de infinitiefconstructie wordt genoemd.

 

Normaliter brengt men de kennis van een taalgebruiker omtrent het uitvoerderschap van een in een zin genoemde handeling in verband met de aanwezigheid van een NP die via de congruentiemarkering met het werkwoord is verbonden: de subject-NP. In zin (2) bijvoorbeeld, wordt meegedeeld dat Els de uitvoerder is van de genoemde handeling. Men zegt dan dat het werkwoord de ‘rol’ van uitvoerder toekent aan zijn subject, de NP Els.

 

(2) Els zorgt in de vakantie voor de poezen

 

Dat een taalgebruiker bij de interpretatie van zinnen als (1) iets afleidt over het uitvoerderschap van de handeling die in de infinitiefconstructie wordt genoemd, levert nu een probleem op voor de taalbeschrijving. Dit betekenisaspect kan namelijk niet in verband worden gebracht met de uiterlijke vorm van de zin: in zin (1) is geen sprake van een bij de infinitiefconstructie behorende subject-NP. Dit probleem moet worden opgelost.

 

In dit artikel bespreken we enkele aspecten van het hierboven beschreven verschijnsel, dat bekend staat als ‘het verschijnsel begrepen subject’. We geven er nog een paar voorbeelden van:

 

(3) Els raadt Eva aan het lidmaatschap op te zeggen

(4) Iedere dag zo'n eind te moeten reizen is vermoeiend voor Mario

(5) Die mensen demonstreren om de regering onder druk te zetten

[p. 125]

Uit zin (3) blijkt dat de gekozen uitvoerder niet altijd degene hoeft te zijn die aangeduid wordt door de subject-NP in de matrix-zin: we maken uit zin (3) op dat Eva degene is die het lidmaatschap op zal zeggen en niet Els. Het verschijnsel begrepen subject is hoofdzakelijk bestudeerd aan de hand van infinitiefconstructies met de functie van direct object. Zinnen als (4) en (5) laten echter zien dat het verschijnsel ook optreedt in infinitiefconstructies met een andere functie. In zin (4) hebben we te maken met een infinitiefconstructie met de functie van onderwerp, in zin (5) met een bijwoordelijke infinitiefconstructie. In zin (4) wordt Mario en in zin (5) worden die mensen gekozen als uitvoerder(s) van de handeling die in de infinitiefconstructie wordt genoemd.

De opzet van dit artikel is als volgt: In paragraaf 2 bespreken we hoe het verschijnsel begrepen subject in de Transformationeel-Generatieve Grammatica (TGG) wordt beschreven. Deze theorie heeft sinds de ontwikkeling van de zogenaamde Standaardtheorie (ST) 1 ingrijpende wijzigingen ondergaan en is uitgegroeid tot wat wordt aangeduid als de Uitgebreide Standaardtheorie (Extended Standard Theory of EST) 2. Ondanks de wijzigingen kan men stellen dat de volgende twee principes karakteristiek zijn voor de wijze waarop men het verschijnsel begrepen subject in de theorie heeft vormgegeven:

 

1. De gedachte dat een infinitiefconstructie een uitvoerder oproept, wordt verantwoord door aan te nemen dat ook infinitiefconstructies een eigen subject hebben.
2. De keuze voor een bepaalde uitvoerder wordt uitgedrukt als de keuze voor een bepaalde interpretatie van dit gepostuleerde subject.

 

De naam van het verschijnsel is dus ontleend aan de wijze waarop het in de theorie wordt beschreven. De term ‘begrepen subject’ moet men dan zien als de TGG-aanduiding voor de door de infinitiefconstructie opgeroepen uitvoerder. Het bij een infinitiefconstructie gepostuleerde subject is dan de theoretische representatie van dit begrepen subject.

Een en ander zal in paragraaf 2 nader worden toegelicht. In paragraaf 3 zullen we drie argumenten behandelen die de onder punt 1. genoemde aanname van een subject ondersteunen. In paragraaf 4 wordt het onder 2. genoemde principe besproken. Daar komt de vraag aan de orde op welke manier in de theorie wordt verantwoord wie een taalgebruiker bij de interpretatie van een infinitiefconstructie als uitvoerder kiest. Paragraaf 5 vormt de afsluiting van dit artikel over een subject dat wèl bestaat, hoewel niemand het ooit gehoord of gezien heeft!

2. Het begrepen subject in de TGG

Men zou kunnen zeggen dat zin (6) en zin (7) dezelfde betekenis hebben:

 

(6) Els belooft Eva in de vakantie voor de poezen te zorgen

(7) Els belooft Eva dat zij in de vakantie voor de poezen zal zorgen

 

Op basis van zin (6) wordt verwacht dat Els degene is die voor de poezen zal zorgen

[p. 126]

en dat is, kan men zeggen, precies wat zin (7) uitdrukt! Het ligt inderdaad voor de hand om aan te nemen dat het persoonlijk voornaamwoord zij in zin (7) verwijst naar Els. Naar Eva kan het pronomen in deze contekst niet verwijzen en dat het op een derde zou slaan is ook onwaarschijnlijk.

 

Dat er sprake is van een zekere verwantschap tussen zin (6) met een infinitiefconstructie en zin (7) met een volledige bijzin, is een wijdverbreide gedachte. Toen men zich bij het grammatica-onderzoek in TGG-kader geplaatst zag voor de vraag welke categoriale status aan een infinitiefconstructie moest worden toegekend, heeft men deze verwantschap aangegrepen om te verdedigen dat infinitiefconstructies moeten worden beschouwd als zinnen. Daarmee wordt eigenlijk gezegd dat infinitiefconstructies en volledige bijzinnen, ondanks de aanzienlijke verschillen in vorm, niet of nauwelijks verschillen in betekenis. In het TGG-kader wordt deze gedachte uitgedrukt door te zeggen dat infinitiefconstructies in de dieptestructuur de vorm hebben van een zin. Deze aanname strookt met het uitgangspunt in de TGG dat meer nadruk moet worden gelegd op de overeenkomsten tussen constructies dan op de verschillen. De opvatting dat infinitiefconstructies kunnen worden beschouwd als zinnen wordt in het algemeen als juist en vooral als wenselijk ervaren. Deze opvatting opent namelijk de mogelijkheid om te generaliseren over beide constructietypen. We zullen nu bekijken hoe deze zogenaamde S-analyse voor infinitiefconstructies in de theorie is uitgewerkt. Daarbij zal duidelijk worden hoe sterk de verantwoording van het verschijnsel begrepen subject met de S-analyse voor infinitiefconstructies samenhangt. We beperken ons tot het Nederlands.

2.1 Het begrepen subject in de Standaardtheorie

Wat hierboven is beschreven, komt er op neer dat men er ook in de theorie van uit gaat dat de zinnen (6) en (7) (min of meer) hetzelfde betekenen. In het kader van de ST zegt men dan dat zin (6) is afgeleid van een onderliggende structuur die er uit ziet als (8):

 

(89) Els belooft Eva [s dat Els in de vakantie voor de poezen zorgt]

 

De transformatie die voor deze afleiding verantwoordelijk is, EQUI-NP-deletie (EQUI), moet structuur (8) zodanig omvormen dat zin (6) ontstaat. Het voegwoord en het subject moeten verdwijnen en het vervoegde werkwoord moet vervangen worden door een infinitiefvorm. Om de interpretatie van zin (6) correct te verantwoorden is het essentieel dat deze transformatie uitsluitend wordt toegepast als de NP Els het subject is van de deelzin. Met andere woorden, het deelzinssubject moet qua vorm gelijk zijn aan het matrix-subject. Bovendien moet natuurlijk zijn vastgesteld dat deze twee identieke NP's naar dezelfde persoon verwijzen: ze moeten coreferentieel zijn. Zou de transformatie ook in werking treden op een structuur als (9) dan zou ten onrechte worden voorspeld dat Eva in zin (6) als uitvoerder wordt gezien.

 

(9) Els belooft Eva [s dat Eva in de vakantie voor de poezen zorgt]

 

Echter, om de interpretatie van zin (10) correct te verantwoorden mag EQUI juist uitsluitend worden toegepast als de NP Eva het deelzinssubject is. De juiste onderliggende vorm voor zin (10) is structuur (11). Alleen dan wordt correct voorspeld dat

[p. 127]

in zin (10) Eva wordt aangemerkt als degene die voor de poezen zal zorgen.

 

(10) Els staat Eva toe in de vakantie voor de poezen te zorgen

(11) Els staat Eva toe [s dat Eva in de vakantie voor de poezen zorgt]

 

Dat in zin (6) Els en in zin (10) Eva wordt opgevat als degene die voor de poezen zal gaan zorgen, wordt veroorzaakt door het feit dat in zin (10) het werkwoord beloven is veranderd in toestaan. Kennelijk moet per werkwoord worden gespecificeerd aan welke matrix-NP het deelzinssubject gelijk moet zijn. Dàt het deelzinssubject gelijk moet zijn aan een matrix-NP staat in het kader van de ST vast. De transformatie EQUI kan nu kortweg als volgt worden geformuleerd:

 

(12) EQUI-NP-deletie:

Deleer in een structuur met een ingebedde finiete zin het voegwoord en het deelzinssubject en vervang het vervoegde werkwoord door een combinatie van te + de infinitiefvorm van dat werkwoord.

Voorwaarde: het deelzinssubject moèt coreferentieel zijn met en identiek zijn aan een matrix-NP.

 

We hebben nu gezien hoe zin (6) wordt afgeleid uit structuur (8). Nu zullen we kort ingaan op de wijze waarop de verwantschap tussen zin (6) en zin (7) wordt verantwoord. Dat gaat als volgt: De transformatie EQUI is niet verplicht. Als deze regel niet werkt blijft structuur (8) dus onveranderd. Op deze structuur kan nu, zo neemt men aan, de transformatie PRONOMINALISATIE werken. Deze regel vervangt de rechter van de twee identieke en coreferentiële NP's door het persoonlijk voornaamwoord zij. Zo ontstaat zin (7). Zin (6) en zin (7) hebben in de ST dus dezelfde dieptestructuur. Dat verklaart hun verwantschap. 3

 

Over de manier waarop het verschijnsel begrepen subject in de ST wordt verantwoord, kunnen we het volgende zeggen:

 

- De aanwezigheid van een subject in de dieptestructuur van een infinitiefconstructie kan worden gezien als de verantwoording van het feit dat infinitieven de gedachte oproepen aan een uitvoerder (vergelijk principe 1. op p. 125).
- Door de klankvorm van dat subject wordt verantwoord wie in een bepaalde zin gekozen wordt als uitvoerder (vergelijk principe 2. op p. 125). Die uitvoerder moet in de visie van de ST altijd een in de matrix-zin genoemd individu zijn zoals blijkt uit de conditie op de transformatie EQUI. De uiteindelijke keuze van de uitvoerder wordt dan bepaald op grond van de lexicale inhoud van het matrix-werkwoord.

 

Het zal duidelijk zijn dat het verschijnsel begrepen subject een zeer belangrijke rol speelde bij de totstandkoming van de S-analyse voor infinitiefconstructies. Immers, dankzij het feit dat het verschijnsel begrepen subject verantwoord kan worden door de aanname van een subject bij infinitiefconstructies, vormt dit verschijnsel een aanwijzing - en in eerste aanleg de enige aanwijzing - voor de juistheid van de gedachte dat een infinitiefconstructie kan worden beschouwd als een zin. Deze gedachte wordt in de ST extreem ver doorgevoerd: door middel van de

[p. 128]

transformatie EQUI worden infinitiefconstructies volkomen gelijkgesteld aan volledige bijzinnen met een eigen subject en een daarmee congruerende persoonsvorm. In de volgende paragraaf zullen we laten zien welke bezwaren een dergelijke gelijkschakeling oproept.

2.2 Bezwaren tegen EQUI-NP-deletie

De hierboven besproken stellingname doet sterk denken aan de opvatting uit de traditionele grammatica. In traditionele termen wordt een infinitiefconstructie als die in zin (6) een ‘beknopte bijzin’ genoemd. Toch is het de vraag of men in de traditionele grammatica zò ver ging dat deze beknopte bijzinnen gelijkgesteld werden aan volledige bijzinnen. Den Hertog zegt dat beknopte bijzinnen kunnen uitgroeien tot volledige bijzinnen als er drie veranderingen worden aangebracht. Hij noemt dan de vervanging van de infinitief door een persoonsvorm, de invoering van een onderwerp (dat meestal aan de hoofdzin moet worden ontleend) en de invoeging van een voegwoord. Deze formulering vertoont grote overeenkomst met de gedachte achter de transformatie EQUI. Den Hertog wijst er echter ook op dat beknopte bijzinnen het hoofdkenmerk van een zin, de persoonsvorm, missen en hij zegt dat ze eigenlijk het midden houden tussen een zinsdeel en een volledige bijzin. Van een gelijkstelling lijkt bij Den Hertog geen sprake te zijn. 4 Het ziet er naar uit dat Den Hertog in dit opzicht gelijk heeft. Tegen de visie die uit de ST spreekt zijn veel bezwaren in te brengen. 5 We zullen er een aantal bespreken.

 

Ten eerste is het zo dat niet voor iedere infinitiefconstructie een finiet ‘pendant’ bestaat. Een werkwoord als aanraden bijvoorbeeld kan uitsluitend met een infinitiefconstructie voorkomen: zin (13) is een vreemde zin. Bij een werkwoord als proberen doet zich een ander probleem voor. De indruk bestaat dat het werkwoord proberen met een finiet complement een andere betekenis heeft dan met een infiniet complement. Vergelijk de zinnen (14) en (15). In zin (14) heeft proberen de betekenis van onderzoeken, nagaan en in zin (15) heeft het de betekenis van pogen. Zin (14) kan men verwachten van iemand met een overvolle agenda, zin (15) van iemand die weer opnieuw moet leren lopen. Deze feiten doen vermoeden dat infinitiefconstructies wezenlijk verschillen van finiete bijzinnen. Meer technisch gezien leiden deze feiten tot de ad hoc aanname dat de transformatie EQUI bij werkwoorden als aanraden of proberen in de betekenis van pogen verplicht moet zijn in plaats van optioneel.

 

(13) ?Ik raad Harry aan dat hij een goed slot op de deur zet

(14) Mario probeert of hij kan komen

(15) Mario probeert te komen

 

In de tweede plaats is het zo dat geclaimd wordt dat een vervoegd werkwoord hetzelfde betekent als een infinitief. Dat dit betwijfeld moet worden, blijkt uit het feit dat bij het formuleren van het finiete pendant van een infinitiefconstructie heel vaak voorkeur bestaat voor de invoeging van een modaal hulpwerkwoord (vergelijk

[p. 129]

de zinnen (6) en (7) en de zinnen (14) en (15)). Deze observatie doet een betekenisverschil tussen beide werkwoordsvormen vermoeden waar in de formulering van EQUI volledig aan wordt voorbijgegaan.

 

Tenslotte, kan men stellen, lijkt men er in de ST van uit te gaan dat het uitblijven van een subject bij een infinitiefconstructie als toevallig wordt gezien. Zo wordt bijvoorbeeld aangenomen dat het bij alle infinitiefconstructies duidelijk is welke NP in de dieptestructuur moet optreden als subject. In een zin als (16) echter is dat helemaal niet duidelijk. Deze zin geeft de indruk dat het uitblijven van een lexicaal subject niet zo zeer toevallig is als wel dat het tot de kenmerkende eigenschappen van een infinitiefconstructie moet worden gerekend dat in het midden gelaten kan worden wie de uitvoerder is van de genoemde handeling. Als men EQUI zou willen handhaven is voor deze zinnen in ieder geval een aanpassing in de formulering van de transformatie noodzakelijk.

 

(16) Het is vervelend om iedere dag hetzelfde te moeten doen

 

Een tweede geval waaruit blijkt dat de aanname van een lexicaal subject bij een infinitiefconstructie niet juist is, heeft te maken met de zogenaamde ‘negatief-polaire uitdrukkingen’. Dit zijn uitdrukkingen die voor hun interpretatie afhankelijk zijn van een elders in de zin voorkomend negatie-element. Een zin als (17) bijvoorbeeld is moeilijk te interpreteren maar zin (18), met een ‘negatief subject’, des te beter. Als we nu aannemen dat infinitiefconstructies in de onderliggende structuur ook een lexicaal subject hebben, dan zou men verwachten dat dergelijke uitdrukkingen ook in de hier besproken infinitiefconstructies kunnen voorkomen: in de deelzin van structuur (19) krijgt de uitdrukking de juiste interpretatie. Het blijkt echter dat op deze manier, na de toepassing van EQUI een zin ontstaat die, net als (17) niet goed te interpreteren is: zin (20). De conclusie moet zijn dat het lexicale subject in de dieptestructuur van een infinitiefconstructie niet gerechtvaardigd is. 6

 

(17) ?Iedereen had ook maar een cent op zak

(18) Niemand had ook maar een cent op zak

(19) De organisatoren raden niemand aan [s dat niemand ook maar een cent op zak heeft]

(20) ?De organisatoren raden niemand aan ook maar een cent op zak te hebben

 

In de verdere ontwikkeling van de theorie is het standpunt van de absolute gelijkstelling van infinitiefconstructie en finiete bijzin dan ook verlaten en de transformatie EQUI is ter zijde geschoven. We zullen in sectie 2.3 laten zien hoe in de EST gedacht wordt over de analyse van infinitiefconstructies.

2.3 Het begrepen subject in de EST

In de EST wordt de gedachte dat er sprake is van verwantschap tussen infinitiefconstructies en volledige zinnen niet meer zò letterlijk uitgelegd als in de ST. Infinitiefconstructies worden niet langer afgeleid van finiete bijzinnen maar geanalyseerd als een infinitiefconstructie met een subject-NP. Infinitiefvormen worden dus niet langer gelijkgesteld aan de vervoegde werkwoordsvorm. Het bijzondere van de

[p. 130]

subject-NP in deze analyse is dat er aan deze NP nooit een klankvorm verbonden is. De aanname van zo'n zogenaamd ‘leeg’ subject moeten we zien als een poging om enerzijds vast te houden aan de gedachte dat infinitiefconstructies een subject hebben (waardoor de S-analyse mogelijk blijft) en anderzijds niet vast te leggen dat dit subject dezelfde eigenschappen heeft als een subject in een finiete bijzin. Zo'n NP zonder klankvorm noteert men meestal als ‘PRO’. Met de aanname van dergelijke PRO-elementen doet zich natuurlijk het probleem voor, dat geregeld moet worden waar deze PRO-elementen wèl en waar ze niet mogen voorkomen. Deze distributiekwestie bespreken we in dit artikel niet.

 

Een zin als (6), hier herhaald, krijgt nu niet meer een dieptestructuur als (21) maar wordt afgeleid van structuur (22):

 

(6) Els belooft Eva in de vakantie voor de poezen te zorgen

(21) Els belooft Eva [s dat Els in de vakantie voor de poezen zorgt]

(22) Els belooft Eva [s PRO in de vakantie voor de poezen te zorgen]

 

We zien dat louter op grond van deze dieptestructuur nog niet verantwoord is dat zin (6) zò wordt geïnterpreteerd dat Els degene is die voor de poezen zal zorgen. We kunnen zeggen dat structuur (21) alleen het feit verantwoordt dàt een infinitiefconstructie bij een taalgebruiker de gedachte aan een uitvoerder oproept. In de EST wordt aangenomen dat het PRO-element uiteindelijk een interpretatie krijgt. Hoe dat in zijn werk gaat, bespreken we in paragraaf 4. Uiteindelijk moeten de zaken natuurlijk zo worden geregeld dat het PRO-subject in structuur (22) geïnterpreteerd wordt als Els. Voor de juiste interpretatie van zin (10), hier herhaald, die nu een onderliggende structuur krijgt als (23) moet het PRO-subject geïnterpreteerd worden als Eva. De uiteindelijke interpretatie van PRO moet, net als de bepaling van de klankvorm van het deelzinssubject in de ST, afhankelijk worden gesteld van het matrix-werkwoord.

 

(10) Els staat Eva toe in de vakantie voor de poezen te zorgen

(23) Els staat Eva toe [s PRO in de vakantie voor de poezen te zorgen]

 

Van een direkte relatie tussen zin (6) en zin (7), hier herhaald, is nu geen sprake meer. De beide zinnen krijgen elk hun eigen dieptestructuur. Zo wordt vastgelegd dat ze wel beide een complement bevatten met de status van een zin maar tevens dat deze complementen niet volstrekt identiek zijn. Wel zal de grammatica voorspellen dat de interpretatie van het PRO-element in de dieptestructuur van (6) overeenkomt met één van de mogelijke interpretaties van het pronomen in de dieptestructuur van (7).

 

(7) Els belooft Eva dat zij in de vakantie voor de poezen zal zorgen

 

Zijn door deze analyse de in paragraaf 2.3 besproken bezwaren nu ondervangen? Het bezwaar ten aanzien van de voorspelde gelijkheid in betekenis van infinitieven en vervoegde werkwoordsvormen is uiteraard vervallen. Hetzelfde geldt voor het probleem in verband met de negatief-polaire uitdrukkingen: we kunnen de vreemdheid van zin (20) nu verklaren door aan te nemen dat het PRO-element niet de noodzakelijke ‘negatieve lading’ bezit. De problemen naar aanleiding van de werkwoorden aanraden en proberen (vergelijk zin (13), (14) en (15)) zijn hiermee niet opgelost. Immers in de EST-opvatting kunnen werkwoorden in principe zowel een

[p. 131]

finiet als een infiniet complement nemen. Bijzondere eigenschappen van werkwoorden als aanraden en proberen zullen dus ook nu apart moeten worden gestipuleerd. We kunnen wel vaststellen dat de analyse waarbij infinitiefconstructies worden voorzien van een PRO-subject meer ruimte laat voor verschillen tussen infinitiefconstructies en finiete zinnen.

 

Het zal duidelijk zijn dat het verschijnsel ook in de EST weer van cruciaal belang is voor het handhaven van de zinsstatus van infinitiefconstructies. Immers, doordat men dit verschijnsel ook nu weer verantwoordt door de aanname van een (PRO-) subject bij de infinitiefconstructie (vergelijk principe 1. op p. 125), dat op een bepaalde manier geïnterpreteerd wordt (vergelijk principe 2. op p. 125), krijgt de infinitief het karakter van een zin.

 

Als we de verantwoording van het verschijnsel begrepen subject in de ST vergelijken met die in de EST dan zien we dat men blijft vasthouden aan de gedachte dat de uitvoerder die wordt opgeroepen door een infinitiefconstructie kan worden gerepresenteerd door een grammatisch subject. 7

3. Drie argumenten voor een PRO-subject

In de vorige paragraaf hebben we uiteengezet hoe de intuïtie dat infinitiefconstructies een uitvoerder oproepen, wordt vormgegeven binnen het kader van de EST. In deze paragraaf presenteren we op basis van onderzoeksresultaten binnen het EST-kader drie onafhankelijke argumenten voor de aanname van een PRO-subject. 8 Die drie argumenten hebben dezelfde ‘redeneerstructuur’: steeds laten we zien dat een bepaald taalverschijnsel niet generaliserend beschreven kan worden als we de aanname van een PRO-subject zouden verwerpen. De verschijnselen waar het hier om gaat zijn: a) de antecedenttoekenning aan wederkerende en wederkerige voornaamwoorden, b) verschil in referentie bij persoonlijke voornaamwoorden en c) de interpretatie van subjecten in passiefconstructies.

3.1. Antecedenttoekenning

Een kenmerk van wederkerende voornaamwoorden (me (zelf), ons (zelf), je (zelf) en zich (zelf)) en het wederkerige voornaamwoord (elkaar) is dat ze op eenzelfde persoon of dezelfde personen betrokken moeten worden als een andere NP in de zin, vergelijk (24) en (25):

 

(24) Piet wast zich nooit

(25) Zij wassen elkaar nooit

 

In zin (24) moet de NP zich op dezelfde persoon betrokken worden als de NP Piet en in zin (25) moet de NP elkaar op dezelfde personen betrokken worden als de NP zij. Men kan ook zeggen: in (24) zijn de NP's zich en Piet coreferentieelen in (25) zijn de NP's elkaar en zij coreferentieel. Binnen het kader van de EST gaat men er van uit

[p. 132]

dat deze coreferentierelaties tot stand worden gebracht door een regel van de (zins-)grammatica:

 

(26) De anafoorregel

Ken aan een anaforische NP een antecedent-NP toe

Wederkerende en wederkerige voornaamwoorden worden (gebonden) anaforen genoemd en de NP's waarmee deze anaforen coreferentieel zijn hun antecedenten. Het effect van regel (26) wordt geïllustreerd in (27) en (28):

 

(27)

illustratie

(28)

illustratie

Regel (26) is een verplichte regel. Dat wil zeggen: anaforen moeten altijd een antecedent-NP in de zin hebben. Is dit niet het geval dan is de zin ongrammaticaal, vergelijk (29) en (30):

 

(29)

illustratie

(30)

illustratie

Het is niet zo dat regel (26) willekeurig elke NP in de zin als antecedent aan een anafoor kan toekennen, vergelijk (31) en (32):

 

(31)

illustratie

(32)

illustratie

In tegenstelling tot zin (31) is zin (32) ongrammaticaal: blijkbaar komt de NP mijn vrienden in zin (32) niet als antecedent voor de anafoor elkaar in aanmerking. Om te voorkomen dat in zin (32) de aangegeven antecedenttoekenning plaatsvindt gaat men er van uit dat een antecedent de anafoor moet c(onstituent)-commanderen 9:

 

(33)

C-commanderen

Een knoop a c-commandeert een knoop b dan en slechts dan als: (i) a b niet domineert en b a niet domineert en (ii) de eerste vertakkende knoop die a domineert ook b domineert.

 

Met andere woorden: de anafoor en het antecedent moeten in een bepaalde structurele verhouding tot elkaar staan, vergelijk (34) en (35) 10:

 

(34)

illustratie

[p. 133]

(35)

illustratie

In boomdiagram (34), dat de structuur van zin (31) weergeeft, c-commandeert de NP mijn vrienden de anaforische NP elkaar omdat de eerste vertakkende knoop die de NP mijn vrienden domineert, dat is de S-knoop, ook de NP elkaar domineert. Het antecedent en de anafoor staan dus in de vereiste structurele verhouding tot elkaar. In boomdiagram (35), dat de structuur van zin (32) weergeeft, c-commandeert de NP mijn vrienden de anaforische NP elkaar niet omdat de eerste vertakkende knoop die de NP mijn vrienden domineert, dat is de PP-knoop, niet de NP elkaar domineert. Het antecedent en de anafoor staan dus niet in de vereiste structurele verhouding. 11

 

De eis dat een antecedent-NP de anafoor moet c-commanderen is waarschijnlijk de enige beperking op de keuze van een antecedent voor een anafoor in enkelvoudige zinnen. De keuze van een antecedent voor een anafoor is dus louter structureel bepaald. 12 Dit betekent dat als een NP een anafoor c-commandeert, deze NP ook altijd als antecedent voor de anafoor moet kunnen optreden, vergelijk (36):

 

(36) Piet raadde Jan zichzelf als advocaat aan

 

Zin (36) is dubbelzinnig: in de ene lezing onderhoudt de NP zichzelf een anaforische relatie met de NP Piet en in de andere lezing onderhoudt de NP zichzelf een anaforische relatie met de NP Jan. Deze dubbelzinnige antecedenttoekenning is mogelijk omdat zowel de NP Piet als de NP Jan de anafoor zichzelf c-commanderen.

 

Hierboven hebben we gezien dat twee c-commanderende NP's afzonderlijk als antecedent voor een anafoor kunnen optreden. Wat echter niet mogelijk is, is dat twee c-commanderende NP's gezamenlijk als antecedent van een anafoor optreden, vergelijk (37):

 

(37) Wij stelden de gasten aan elkaar voor

 

Net als zin (36) is ook zin (37) dubbelzinnig: er zijn twee mogelijke antecedenttoekenningen. Maar zin (37) kan niet zo worden geïnterpreteerd dat de NP wij en de NP de gasten gezamenlijk als antecedent aan de anafoor worden toegekend zoals in (38):

 

(38)

illustratie

[p. 134]

Met andere woorden: anaforen kunnen geen gespleten antecedent hebben.

 

Tot nu toe hebben we het alleen nog maar gehad over de toekenning van antecedenten aan anaforen in enkelvoudige zinnen. De hierboven behandelde karakteristieken van deze antecedenttoekenning gaan ook op in samengestelde zinnen maar daarmee is de antecedenttoekenning in dit soort zinnen nog niet voldoende gekarakteriseerd, vergelijk (39):

 

(39) Jan zegt dat Piet zichzelf nooit wast

 

In zin (39) c-commanderen zowel de NP Jan als de NP Piet de anafoor zichzelf. In principe zouden dus beide NP's in aanmerking moeten kunnen komen als antecedent voor de anafoor. Toch kunnen we zin (39) alleen zo interpreteren dat de NP Piet het antecedent is voor de anafoor. Regel (26) kan dus blijkbaar wel de relatie leggen zoals weergegeven in (40a), maar niet de relatie zoals weergegeven in (40b):

 

(40)

illustratie

In samengestelde zinnen is het dus niet zo dat elke c-commanderende NP in aanmerking komt als antecedent voor een anafoor. Hoe kan nu voorkomen worden dat regel (26) toch een relatie legt tussen de NP zichzelf en de NP Jan? Binnen het kader van de EST neemt men aan dat een dergelijke toepassing van regel (26) voorkomen wordt door de Subject-conditie, vergelijk (41) 13:

 

(41) Subjectconditie

Een regel van de grammatica mag geen relatie leggen tussen een NP in een bijzin en een NP in de hogere zin als daarbij het subject van die bijzin gepasseerd wordt.

 

De subjectconditie gaat niet alleen op voor de anafoorregel maar ook voor andere grammaticaregels; het is een algemene conditie op regeltoepassing (vergelijk ook 3.2.). In (40b) zien we dat regel (26) een antecedent-anafoorrelatie legt waarbij het subject van de bijzin gepasseerd wordt; dit mag niet van de subject-conditie en daarom komt in zin (39) de NP Jan niet in aanmerking als antecedent voor de anafoor. Uiteraard is het wel mogelijk om een zin als (42) zodanig te interpreteren dat de NP's Jan, hij en zichzelf op dezelfde persoon betrokken worden:

 

(42) Jan zegt dat hij zichzelf nooit wast

 

Maar dit betekent niet dat er een relatie gelegd wordt tussen de NP Jan en de NP zichzelf. De interpretatie van zin (42) vindt namelijk in twee stappen plaats, dus zoals in (43), en daarbij wordt het subject van de bijzin niet gepasseerd:

 

(43)

illustratie

Anafoorinterpretatie voldoet dus aan de volgende karakteristieken: a) een anafoor moet een antecedent-NP in de zin hebben; b) dat antecedent moet de anafoor

[p. 135]

c-commanderen; c) de keuze van die antecedent-NP is waarschijnlijk louter structureel bepaald; d) een anafoor kan geen gespleten antecedent hebben; e) bij de antecedenttoekenning mag de subjectconditie niet geschonden worden.

 

Laten we nu eens naar de volgende zinnen kijken:

 

(44) Jan probeert zich te scheren

(45) Piet raadt Kees aan om zich te scheren

(46) Henk dringt er bij Johan op aan om zich te scheren

(47) Ik stel Ben voor om elkaar te tutoyeren

(48) Het is flauw om om elkaar te lachen

 

Stel nu dat we de infinitiefconstructies in de zinnen (44)-(48) niet analyseren als zinnen met een PRO-subject maar als subjectloze constructies, bijvoorbeeld als VP's. In feite komt dit er op neer dat we de zinnen (44)-(48) opvatten als enkelvoudige zinnen. Hoe gaat nu de interpretatie van de anaforen in deze zinnen in z'n werk? In zin (44) kunnen we probleemloos aannemen dat regel (26) een relatie legt tussen de NP zich en de NP Jan, vergelijk (49):

 

(49)

illustratie

De antecedenttoekenning in zin (45) is echter problematischer. Zowel de NP Piet als de NP Kees c-commanderen de NP zich. Toch kunnen we zin (45) - in tegenstelling tot bijvoorbeeld zin (36) - maar op één manier interpreteren: alleen de NP Kees komt in aanmerking als antecedent voor de anafoor. We moeten nu aannemen dat als een anafoor bevat is in een infinitiefconstructie de keuze van het antecedent niet meer louter structureel bepaald is.

 

Maar het is zelfs de vraag of de c-commandeer-eis nog wel gehandhaafd kan blijven. In zin (46) bijvoorbeeld c-commandeert de NP Henk wél de anafoor zich en de NP Johan niet omdat deze laatste NP in een PP bevat is die de anafoor niet domineert. Toch kunnen we zin (46) alleen maar zo interpreteren dat de NP Johan optreedt als antecedent voor de anafoor en niet de NP Henk. We moeten nu aannemen dat als de anafoor bevat is in een infinitiefconstructie, het antecedent de anafoor niet hoeft te c-commanderen.

 

Bovendien is het zo - getuige zin (47) - dat als de anafoor bevat is in een infinitiefconstructie zo'n anafoor wél een gespleten antecedent kan hebben. En blijkbaar is het ook zo dat in infinitiefconstructies bevatte anaforen geen antecedent-NP in de zin hoeven te hebben, getuige zin (48). Immers: in tegenstelling tot zin (30) is zin (48) grammaticaal.

 

Als we aannemen dat infinitiefconstructies subjectloze constructies zijn dan moeten we concluderen dat de antecedenttoekenning aan anaforen die bevat zijn in infinitiefconstructies op een andere wijze verloopt dan de antecedenttoekenning aan anaforen die niet in een infinitiefconstructie bevat zijn.

 

Maar hoe gaat nu de interpretatie van deze anaforen in z'n werk als we aannemen dat infinitiefconstructies zinnen zijn met een PRO-subject, vergelijk (44a)-(48a)?

[p. 136]

(44)a Jan probeert [s PRO zich te scheren]

(45)a Piet raadt Kees aan om [s PRO zich te scheren]

(46)a Henk dringt er bij Johan op aan om [s PRO zich te scheren]

(47)a Ik stel Ben voor om [s PRO elkaar te tutoyeren]

(48)a Het is flauw om [s PRO om elkaar te lachen]

 

We kunnen nu aannemen dat de anaforen in (44a)-(48a) steeds het PRO-subject als antecedent krijgen toegekend. Schematisch:

 

(50)

illustratie

Ja, sterker nog, we moeten aannemen dat deze anaforen het PRO-subject als antecedent kiezen. Zouden we namelijk een directe relatie aannemen tussen de anafoor en een NP uit de hogere zin dan zouden we de subjectconditie schenden omdat het PRO-subject, het subject van de bijzin, gepasseerd wordt, schematisch:

 

(51)

illustratie

Per slot van rekening drukt een zinsanalyse van infinitiefconstructies uit dat de zinnen (44)-(48) samengesteld zijn.

 

De antecedenttoekenning aan anaforen in infinitiefconstructies is onder deze aanname een volkomen regelmatig proces: a) de keuze van het antecedent wordt in (45a) alleen maar structureel bepaald; b) het PRO-subject c-commandeert in (46a) de anafoor zich; we kunnen dus vasthouden aan het principe dat antecedenten hun anaforen moeten c-commanderen; c) de anafoor elkaar krijgt in (47a) slechts één NP als antecedent toegekend; we kunnen dus vasthouden aan het principe dat anaforen geen gespleten antecedent mogen hebben; d) in (48a) krijgt de anafoor elkaar een antecedent-NP toegekend; we kunnen dus vasthouden aan het principe dat alle anaforen een antecedent-NP in de zin nodig hebben. Zo beschouwd wordt de uiteindelijke interpretatie van de zinnen (44)-(48) dus uiteengelegd in twee stappen: a) de interpretatie van de anaforen en b) de interpretatie van het PRO-subject, schematisch 14:

 

(52)

illustratie

Deze splitsing in twee interpretatieprocessen is parallel aan de interpretatie van zin (42), weergegeven in (43).

 

Uit het bovenstaande blijkt dat anafoorinterpretatie alleen generaliserend geformuleerd kan worden als aangenomen wordt dat infinitiefconstructies geanalyseerd worden als zinnen. Zo beschouwd vormt de antecedenttoekenning aan wederkerende en wederkerige voornaamwoorden een onafhankelijk argument voor de zinsanalyse van infinitiefconstructies. 15

[p. 137]

3.2. Verschil in referentie

Een kenmerk van persoonlijke voornaamwoorden met de objectsvorm (mij, jou, hem, haar, etc.) is dat ze niet coreferentieel kunnen zijn met een andere NP in de zin, vergelijk (53) en (54):

 

(53) Piet wast hem nooit

(54) Piet raadt Kees hem als advocaat aan

 

Zin (53) kunnen we niet zo interpreteren dat de NP hem en de NP Piet op dezelfde personen betrokken worden. De NP hem en de NP Piet moeten op verschillende personen betrokken worden. Dit is ook het geval in zin (54): de NP hem kan niet betrokken worden op de personen waarop de NP Piet en de NP Kees betrokken worden. Binnen het kader van de EST gaat men er van uit dat er een regel van de zinsgrammatica is die dit uitdrukt:

 

(55) De pronomenregel

Een objectspronomen kan geen andere NP in de zin als antecedent hebben.

 

In tegenstelling tot de anafoorregel (26) is de pronomenregel (55) een negatieve regel. Immers de anafoorregel zegt juist dat een anafoor een antecedent-NP moet hebben, terwijl de pronomenregel zegt dat een objectspronomen geen antecedent mag hebben. De pronomenregel legt dus ook een relatie tussen twee NP's in de zin, maar dat is een negatieve relatie. We kunnen dit weergeven met behulp van een pijl met een kruis er door, vergelijk (56) en (57):

 

(56)

illustratie

(57)

illustratie

Zo'n pijl met een kruis er door drukt dus uit dat de NP's Piet en Kees niet opgevat kunnen worden als antecedent van het pronomen hem.

 

De pronomenregel is ook onderworpen aan subjectconditie (41). Dat wil zeggen: de pronomenregel mag geen (negatieve) relatie leggen als daarbij het subject van de bijzin wordt gepasseerd. Vergelijk nu zin (58):

 

(58) Jan zegt dat Piet hem nooit wast

 

In zin (59) kan het pronomen hem niet coreferentieel zijn met de NP Piet maar het pronomen hem kan wél coreferentieel zijn met de NP Jan. Met andere woorden: de NP Jan kan wél als antecedent van het pronomen optreden. Er moet dus voorkomen worden dat de pronomenregel (55) een (negatieve) relatie legt tussen de NP hem en de NP Jan, zoals weergegeven is in (59):

 

(59)

illustratie

De toepassing van de pronomenregel in (59) wordt voorkomen door de subjectconditie (41) omdat het subject van de bijzin gepasseerd wordt. Uiteraard is het mogelijk om zin (60) zo te interpreteren dat de NP's Jan en hij coreferentieel zijn en de NP's Jan en hem niet:

[p. 138]

(60) Jan zegt dat hij hem nooit scheert

 

Ook nu wordt weer aangenomen dat die interpretatie in twee stappen plaatsvindt: a) de werking van de pronomenregel in de bijzin; b) een coreferentierelatie tussen de NP hij en de NP Jan:

 

(61)

illustratie

De gelegde relaties in (61) verantwoorden dat de NP Jan en de NP hem niet coreferentieel kunnen zijn, immers: de NP Jan is coreferentieel met de NP hij die op zijn beurt niet coreferentieel kan zijn met de NP hem. Doorrekenend komt men er dan op uit dat de NP's Jan en hem ook niet coreferentieel kunnen zijn.

 

Laten we nu eens naar de volgende zinnen kijken:

 

(62) Jan belooft Piet hem te scheren

(63) Jan vraagt Piet hem te scheren

 

Stel nu dat de infinitiefconstructies in (62) en (63) subjectloze constructies, dus bijvoorbeeld VP's, zijn. De pronomenregel voorspelt nu dat in de zinnen (62) en (63) het pronomen hem niet coreferentieel kan zijn met de NP's Jan en Piet. Dit is echter niet in overeenstemming met de feiten. In de zin (62) kan het pronomen hem inderdaad niet coreferentieel geïnterpreteerd worden met de NP Jan maar wél met de NP Piet. En in (63) kan het pronomen hem inderdaad niet coreferentieel geïnterpreteerd worden met de NP Piet maar wél met de NP Jan. Blijkbaar moeten we er van uitgaan dat als een objectspronomen in een infinitiefconstructie bevat is, dit pronomen dan soms wel een antecedent in de enkelvoudige zin mag hebben. Bovendien lijkt de keuze van de NP waarmee het pronomen niet coreferentieel mag zijn, bepaald te worden door werkwoorden als beloven en vragen. Als we aannemen dat infinitiefconstructies subjectloze constructies zijn dan moeten we concluderen dat de interpretatie van objectspronomina die bevat zijn in infinitiefconstructies op een andere wijze plaatsvindt dan de interpretatie van objectspronomina die niet in een infinitiefconstructie bevat zijn.

 

Maar hoe gaat nu de interpretatie van objectspronomina in z'n werk als we aannemen dat infinitiefconstructies zinnen zijn met een PRO-subject, vergelijk (62a) en (63a):

 

(62)a Jan belooft Piet [s PRO hem te scheren]

(63)a Jan vraagt Piet [s PRO hem te scheren]

 

We kunnen nu aannemen dat de objectspronomina niet coreferentieel zijn met de PRO-subjecten, schematisch:

 

(64)

illustratie

We moeten zelfs aannemen dat dit het geval is. Zouden we namelijk een directe relatie tussen het pronomen en een NP uit de hogere zin aannemen dan zou de subjectconditie geschonden worden.

 

De interpretatie van objectspronomina in infinitiefconstructies is nu een volkomen regelmatig proces: de pronomina kunnen geen antecedent hebben in de eigen

[p. 139]

deelzin. Omdat de PRO-subjecten in de zinnen (62a) en (63a) verplicht coreferentieel zijn met respectievelijk de NP Jan en de NP Piet kunnen de pronomina niet coreferentieel zijn met deze NP's, vergelijk (65) en (66):

 

(65)

illustratie

(66)

illustratie

Ook nu vindt de interpretatie dus weer in twee stappen plaats. Deze splitsing in twee interpretatieprocessen is parallel aan de interpretatie van zin (60), weergegeven in (61).

 

Uit het bovenstaande blijkt dat het verschijnsel verschil in referentie bij objects-pronomina alleen generaliserend geformuleerd kan worden als we aannemen dat infinitiefconstructies geanalyseerd worden als zinnen. In die zin vormt verschil in referentie een onafhankelijk argument voor de zinsanalyse van infinitiefconstructies.

3.3. Subjecten in passieve zinnen

Zoals bekend is het een kenmerk van passieve zinnen dat het grammatische subject wordt geïnterpreteerd als het logische object. Binnen het kader van de EST wordt dan ook aangenomen dat een passieve zin als (67) is afgeleid van een onderliggende structuur als (68) 16:

 

(67) Jan wordt uitgenodigd

(68) [s NP [np Jan] wordt uitgenodigd]

 

In (68) staat de NP Jan nog op de objectsplaats. Om zin (67) af te leiden wordt deze NP van de objectspositie naar de subjectspositie verplaatst door de regel NP-verplaatsing: het logische object wordt grammatisch subject. De regel NP-verplaatsing heeft ook gewerkt om de passieve bijzin in (69) af te leiden van de onderliggende structuur (70):

 

(69) Jan hoopt dat hij wordt uitgenodigd

(70) Jan hoopt dat [s NP [np hij] wordt uitgenodigd]

 

De regel NP-verplaatsing kan natuurlijk alleen worden toegepast als er een landingsplaats is voor de te verplaatsen NP. In de structuren (68) en (70) is dat dan ook het geval, namelijk de subjectspositie van de zinnen, hier weergegeven als NP. De te verplaatsen NP's Jan en hij landen dus op de subjectspositie van de zin.

 

Nu zijn er ook passieve infinitiefconstructies, vergelijk (71):

 

(71) Jan hoopt te worden uitgenodigd

 

Als we aannemen dat infinitiefconstructies subjectloze constructies zijn dan is het de vraag of we zinnen als (71) nog wel kunnen afleiden door middel van de regel NP-verplaatsing. Men zou natuurlijk voor kunnen stellen om zin (71) af te leiden van de onderliggende structuur (72):

 

(72) NP hoopt [vp [np Jan] te worden uitgenodigd]

[p. 140]

De NP Jan wordt dan verplaatst van de objectspositie bij uitgenodigd naar de subjectspositie bij hoopt. Dit is echter onbevredigend omdat de NP Jan niet alleen als logisch object wordt geïnterpreteerd bij uitgenodigd maar ook als logisch subject bij hoopt. Een onderliggende structuur als (72) drukt dit laatste interpretatie-aspect van zin (71) niet uit.

Een andere mogelijkheid is dan om aan te nemen dat passieve infinitiefconstructies op een andere wijze worden afgeleid dan passieve zinnen. In het laatste geval kan NP-verplaatsing worden toegepast, maar in het eerste geval niet omdat er geen landingsplaats is voor de te verplaatsen NP.

Als we echter aannemen dat infinitiefconstructies geanalyseerd worden als zinnen, dan blijkt dat NP-verplaatsing ook in infinitiefconstructies kan plaatsvinden. Immers in dat geval kunnen we aannemen dat structuur (73) is afgeleid van structuur (74):

 

(73) Jan hoopt [s PRO te worden uitgenodigd]

(74) Jan hoopt [s NP PRO te worden uitgenodigd]

 

De regel NP-verplaatsing verplaatst PRO van de objectspositie naar de subjectspositie in de infiniete zin en dan wordt het PRO-subject verplicht geïnterpreteerd als de NP Jan. Ook nu wordt de interpretatie van een zin als (71) weer in twee stappen uiteengelegd. De afleiding van een zin als (71) is dan volstrekt parallel aan de afleiding van zin (69).

Ook de afleiding van passieve zinnen kan dus alleen maar generaliserend geformuleerd worden als we aannemen dat infinitiefconstructies geanalyseerd worden als zinnen. In die zin vormt de interpretatie van subjecten in passieve zinnen ook een onafhankelijk argument voor de zinsanalyse van infinitiefconstructies.

 

De hier gepresenteerde onafhankelijke argumenten voor de zinsanalyse van infinitiefconstructies illustreren dat het verschijnsel begrepen subject nauw verweven is met de verantwoording van andere taalverschijnselen. Men zou zelfs kunnen zeggen dat grammatici die geïnteresseerd zijn in verschijnselen als interpretatie van wederkerende en wederkerige voornaamwoorden, de interpretatie van objectspronomina en de interpretatie van subjecten in passieve zinnen, talige verschijnselen die min of meer ‘waarneembaar’ zijn, zich wel bezig moeten houden met het fantoom dat het begrepen subject op het eerste gezicht lijkt te zijn 17.

4. De interpretatie van het begrepen subject

In de twee voorafgaande paragrafen hebben we het eerste karakteristieke kenmerk van de verantwoording van het verschijnsel begrepen subject besproken: de aanname van een subject. Nu gaat het om de tweede karakteristiek: de interpretatie van het subject. We hebben gezien dat beide karakteristieken bij de verantwoording in het kader van de ST zijn uitgedrukt in de formulering van de transformatie EQUI. Bij de verantwoording in het EST-kader zijn de twee karakteristieken duidelijk te onderscheiden: er wordt een PRO-subject aangenomen waarvan vervolgens moet worden bepaald hoe dit wordt geïnterpreteerd. We zullen ons in deze paragraaf bezighouden met de vraag hoe de interpretatie van het PRO-subject tot stand komt;

[p. 141]

met andere woorden, hoe de keuze voor een bepaalde uitvoerder wordt verantwoord. 18

 

PRO is een NP, een verwijzend element. De vraag is welke status het best aan dit type NP kan worden toegekend. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat PRO een soort voornaamwoord is. Binnen het EST-kader zijn er dan twee mogelijkheden: òf PRO moet worden beschouwd als een anafoor en zou dan te vergelijken zijn met een wederkerend voornaamwoord òf PRO moet gerekend worden tot de pronomina. De keuze voor één van beide mogelijkheden kan vèrstrekkende gevolgen hebben want aan de twee typen voornaamwoorden worden binnen de EST heel verschillende eigenschappen toegeschreven. We zullen beide mogelijkheden hieronder bespreken.

4.1. PRO als anafoor

We hebben in paragraaf 3 de karakteristieke eigenschappen van de anafoor-interpretatie besproken. Nu moeten we nagaan of de interpretatie van PRO dezelfde karakteristieke kenmerken heeft. We kunnen dan vaststellen of PRO inderdaad tot de anaforen moet worden gerekend.

 

Als PRO een anafoor is dan verwachten we dat het altijd een antecedent in de zin moet hebben; dat het interpretatieproces kan worden gezien als een relatie tussen twee NP's in de zin. Dit is overigens ook het standpunt dat wordt ingenomen in de ST (vergelijk de conditie op de transformatie EQUI in (12)). We hebben er al eerder op gewezen dat dit standpunt problemen oplevert. In structuur (75) is geen NP voorhanden die als antecedent voor PRO kan optreden en toch is de zin goed. Om het standpunt dat PRO een anafoor is te kunnen handhaven, is het volgende voorstel gedaan: als in een zin geen antecedent beschikbaar is, mag worden aangenomen dat aan PRO iedere willekeurige referent mag worden toegekend. 19 Volgens dit voorstel hoeven we (75) dus niet als een probleem te beschouwen voor het standpunt dat PRO een anafoor is. Het zal duidelijk zijn dat deze ‘oplossing’ niet zo bevredigend is en dat zin (75) eigenlijk wèl een probleem is voor de stelling dat PRO een anafoor is. 20

 

(75) Het is flauw om [s PRO om elkaar te lachen]

 

Behalve op (75) moet in dit verband ook gewezen worden op (76). Als PRO een anafoor is dan zou men verwachten dat de aanwezige NP, de NP Eric, dan ook als antecedent voor PRO moet optreden. Uit zin (76) blijkt dat dit niet noodzakelijk is. Zin (76) hoeft immers niet zò te worden geïnterpreteerd dat Eric ook degene is die met de bal gaat spelen. Een probleem voor de anaforische status van PRO.

 

(76) Eric kreeg een bal om [s PRO mee te spelen]

 

Als PRO een anafoor is dan verwachten we dat alleen de NP's die PRO c-comman-

[p. 142]

deren, als antecedent voor dat PRO-element kunnen optreden. (Vergelijk voor de notie c-commanderen nummer (33).) Uit (77) blijkt echter dat ook NP's die PRO niet c-commanderen kunnen optreden als antecedent: PRO wordt niet door de NP Johan ge-c-commandeerd en toch moeten we aannemen dat deze NP optreedt als antecedent. Opnieuw een probleem voor de anaforische status van PRO.

 

(77) Henk drong er bij Johan op aan om [s PRO zich te scheren]

 

Als PRO een anafoor is dan verwachten we dat alle NP's die voldoen aan de structurele eisen die de anafoorregel (vergelijk (26)) stelt, ook inderdaad als antecedent kunnen optreden. Met andere woorden, men verwacht dat op louter structurele gronden kan worden bepaald welke NP het antecedent is van PRO. Als we kijken naar zin (78) lijkt dit te kloppen: zowel de NP Harry als de NP Mario kunnen als antecedent optreden voor PRO. Kijken we nu naar zin (79) dan zien we dat ook daar beide NP's voldoen aande structurele eisen. Toch kan in zin (79) alleen de NP Kees als antecedent voor PRO optreden. Men heeft geprobeerd om speciaal voor de interpretatie van het PRO-element een structurele conditie te ontwerpen die betere voorspellingen zou moeten doen dan de c-commandeer-conditie. 21 Ook deze pogingen bleken niet succesvol. Het lijkt erop dat via een lexicale markering van het werkwoord moet worden geregeld welke NP als antecedent voor PRO kan optreden. Voor het werkwoord aanraden zou dat dus de indirect objects-NP moeten zijn.

Toch lost een dergelijke lexicale markering, op zichzelf al een probleem voor de stelling dat PRO een anafoor is, nog niet eens alle problemen op. Van een werkwoord als toezeggen zou men op basis van zin (80) kunnen zeggen dat moet worden gespecificeerd dat het subject als antecedent optreedt. Vervangen we nu het complement in (80) door een complement met een ander modaal hulpwerkwoord, dan blijkt dat de situatie ineens anders wordt: nu moet juist het indirect object van toezeggen als antecedent fungeren, vergelijk zin (81).

 

(78) Harry biedt Mario aan [s PRO deze opdracht voor z'n rekening te nemen]

(79) Piet raadt Kees aan om [s PRO zich te scheren]

(80) Harry zegt Mario toe te zullen komen

(81) Harry zegt Mario toe te mogen komen

 

Als PRO een anafoor was zou men verwachten dat het PRO-element geen gespleten antecedent mag hebben. Het lijkt er echter op dat dit in het geval van PRO juist wèl moet worden toegestaan. Men zou kunnen zeggen dat in zin (82) beide matrix-NP's als antecedent van PRO optreden:

 

(82) Ik stel Ben voor [s PRO elkaar te tutoyeren]

 

Uit het bovenstaande zal duidelijk geworden zijn dat de gedachte om PRO de anaforische status te geven, niet voldoet. Daarmee is tevens vastgesteld dat niet kan worden volgehouden dat altijd een uitvoerder moet worden gekozen die eerder in de zin is genoemd.

[p. 143]

4.2 PRO als pronomen

Als we PRO opvatten als een pronomen dan zeggen we daarmee dat PRO op dezelfde manier wordt geïnterpreteerd als bijvoorbeeld het persoonlijk voornaamwoord zij. Deze gedachtengang is niet zo vreemd. In paragraaf 2. hebben we zinnen als (83) en (84) bekeken. We hebben er toen op gewezen dat men kan zeggen dat uit beide zinnen kan worden afgeleid dat Els voor de poezen zal gaan zorgen. Dit kunnen we nu formuleren als: PRO in (83) en het pronomen zij in (84) lijken op dezelfde manier te worden geïnterpreteerd. We zullen de mogelijkheid van een pronominaal PRO-element nu verder onderzoeken.

 

(83) Els belooft Eva in de vakantie voor de poezen te zorgen

(84) Els belooft Eva dat zij in de vakantie voor de poezen zal zorgen

 

In de meeste gevallen is het zo dat persoonlijke voornaamwoorden naar ieder willekeurig individu kunnen verwijzen. We kunnen van het pronomen hij niet volhouden dat het een antecedent moet hebben in de zin zoals dat wel het geval is bij het wederkerend voornaamwoord zich(zelf) (vergelijk paragraaf 3.). In de EST wordt daarom aangenomen dat de interpretatie van pronomina ‘vrij’ is. Daarmee bedoelt men dat er, afgezien van regel (55) geen grammatische beperkingen zijn bij de interpretatie van pronomina. Als we dus zeggen dat PRO pronominaal is dan zeggen we dat de interpretatie van PRO in alle gevallen vrij is.

 

We hebben in sectie 4.1 geconstateerd dat PRO in zinnen als (75) en (76) vrij kan worden geïnterpreteerd en voor dit type zinnen lijkt het standpunt van PRO als pronomen dus een oplosssing te bieden.

Het zal duidelijk zijn dat ook de problemen waar we in de zinnen (77) en (82) op wezen, zich bij een pronominaal PRO-element niet meer voordoen. Als PRO een pronomen is hoeft het antecedent ook niet meer aan speciale structurele eisen te voldoen.

 

Er doet zich bij het standpunt dat PRO pronominaal is echter een belangrijk probleem voor. Zoals gezegd verwachten we als PRO de pronominale status heeft dat de interpretatie van PRO helemaal vrij is. We hebben gezien dat dat voor sommige gevallen opgaat. Voor zeer veel gevallen echter is dit een onjuiste voorspelling. In de meeste van de tot nu toe behandelde zinnen is er juist sprake van dat steeds één specifieke matrix-NP als antecedent voor PRO moet fungeren. Het standpunt dat PRO moet worden beschouwd als een pronomen is voor al deze gevallen dus te ruim (vergelijk bijvoorbeeld de zinnen (78) tot en met (82)). In al deze zinnen zou een pronominaal PRO betekenen dat o.a. beide NP's als antecedent kunnen optreden terwijl daarvoor steeds maar één NP in aanmerking komt.

 

We zien dus dat het standpunt waarbij PRO gerekend wordt tot de pronomina voordelen biedt voor een aantal gevallen maar dat het standpunt veel te ruim is voor een groot aantal andere voorkomens van het PRO-subject, namelijk in de meeste voorwerpsinfinitieven. Dat zou betekenen dat we ook nu weer, net als bij een eventuele anaforische status van PRO, moeten terugvallen op een lexicale markering van al deze gevallen. Dat blijft onbevredigend.

[p. 144]

Nu zou iemand er nog op kunnen wijzen dat het standpunt dat pronomina altijd vrij kunnen worden geïnterpreteerd op zichzelf niet helemaal juist is. Immers in een zin als (84) kan toch niet worden volgehouden dat het pronomen zij ook naar Eva kan verwijzen. Inderdaad kan dit feit nu niet worden verklaard. Maar daaruit mag men niet afleiden dat gegeven een aanvulling op het principe van de vrije interpretatie van pronomina voor zinnen als (84), dit interpretatieproces ineens wél zou kunnen worden gelijkgesteld aan de interpretatie van PRO-subjecten. Het blijft immers een zeer belangrijk verschil tussen pronomina enerzijds en PRO-elementen anderzijds dat een taalgebruiker met een lexicaal pronomen zelfs in conteksten als (84) waarin de interpretatiemogelijkheden toch niet zò ruim zijn, nog kan verwijzen naar een derde terwijl die vrijheid absoluut niet bestaat als gekozen wordt voor PRO, of liever, als besloten wordt niet expliciet een uitvoerder te noemen. We moeten concluderen dat ook op basis van een pronominale status voor PRO niet bevredigend kan worden voorspeld wie een taalgebruiker in een bepaalde infinitiefconstructie kiest als uitvoerder van de in die constructie genoemde handeling.

5. Besluit: PRO als PRO

Zoals uit het bovenstaande blijkt kan de interpretatie van PRO-subjecten niet gelijkgeschakeld worden met de interpretatie van anaforen en ook niet met de interpretatie van persoonlijke voornaamwoorden. De vraag die zich dan opdringt is: welke status heeft het PRO-subject dan? Een voor de hand liggend antwoord op deze vraag lijkt te zijn: PRO-subjecten zijn een combinatie van anaforen en persoonlijke voornaamwoorden: ze hebben de status van pronominale anafoor 22. Deze aanname kan beschouwd worden als een laatste poging om de interpretatie van PRO-subjecten op eenzelfde wijze te laten verlopen als de interpretatie van NP's met een fonetische realisatie, vergelijk (85) en (86):

 

(85)

illustratie

(86) Het is raadzaam om [s PRO een scheerapparaat mee te nemen]

 

In het geval van zin (85) kan men dan zeggen dat het PRO-subject een anaforische relatie onderhoudt met de NP je, hier lijkt het PRO-subject dus op een anafoor, en in het geval van zin (86) kan men dan zeggen dat het PRO-subject vrij geïnterpreteerd wordt en hier lijkt het PRO-subject dus meer op een pronomen. De gedachte dat het PRO-subject een pronominale anafoor is betekent dus niet veel anders dan dat het soms een anafoor is en soms een pronomen.

 

Deze gedachte houdt tevens in dat de interpretatie van het PRO-subject in zin (85) op een andere wijze geschiedt dan de interpretatie van het PRO-subject in zin (86). Dit is onbevredigend omdat daarmee geen recht gedaan wordt aan een interessante overeenkomst tussen de interpretaties van de PRO-subjecten in de zinnen (85) en (86). In beide gevallen is het namelijk zo dat het PRO-subject geïnterpreteerd wordt als degene die iets aangeraden wordt:

[p. 145]

(87)a Ik raad je aan om [s PRO je best te doen]

b *Ik raad je aan om [s PRO m'n best te doen]

(88)a Het is raadzaam om [s PRO je best te doen]

b *Het is raadzaam om [s PRO m'n best te doen]

 

Zin (88b) is om dezelfde reden ongrammaticaal als zin (87b): de aanwezigheid van m'n best in de infinitiefconstructie dwingt ons om het PRO-subject te interpreteren als de aanrader en dat is in strijd met de eis die het werkwoord aanraden en het bijvoeglijk naamwoord raadzaam stellen aan de interpretatie van het PRO-subject.

 

Bij een werkwoord als aanraden worden de rollen van aanrader en aangeradene uitgedrukt door respectievelijk de subject-NP en de indirecte object-NP. Bij een bijvoeglijk naamwoord als raadzaam blijven deze rollen impliciet: ze kunnen niet in de zin opgevoerd worden met behulp van een NP met een grammatische functie, getuige de ongrammaticaliteit van zin (89):

 

(89) *Het is raadzaam van mij voor jou om [s PRO een scheerapparaat mee te nemen]

 

Bij het uiten van een zin als (86) worden de rollen van aanrader en de aangeradene dan ook geïnterpreteerd als respectievelijk de spreker en de hoorder. 23

 

Deze feiten wijzen er op dat PRO-subjecten geïnterpreteerd moeten worden als een rol die opgeroepen wordt door het predikaat in de hogere zin. Zo beschouwd verantwoordt de grammatica de interpretaties van PRO-subjecten dus niet door het leggen van een relatie tussen twee NP's en is het ook niet zo dat men bij de interpretatie van het PRO-subject op zoek gaat naar een individu in de werkelijkheid, maar het is eerder zo dat de grammatica moet uitdrukken als welke rol het PRO-subject geïnterpreteerd wordt 24. In zin (85) is die rol ook geassocieerd met een NP. Daardoor lijkt het als of de interpretatie van het PRO-subject daar opgevat kan worden als een relatie tussen NP's; in zin (86) is die rol niet geassocieerd met een NP en daardoor lijkt het als of het PRO-subject daar vrij geïnterpreteerd wordt. Hiermee is een pleidooi gehouden voor een niet-referentiële status van het PRO-subject. Deze zienswijze doet ook meer recht aan dat wat kenmerkend is voor PRO-subjecten, namelijk dat ze geen fonetische realisatie hebben. Een benadering waarbij geprobeerd wordt om de interpretatie van PRO-subjecten zo veel mogelijk te laten lijken op de interpretatie van fonetisch gerealiseerde NP's bagatelliseert juist dit gegeven.

Hiermee is overigens nog niets gezegd over de factoren die bepalen dat in het geval van een werkwoord als beloven het PRO-subject geïnterpreteerd wordt als de rol van belover en in het geval van een werkwoord als aanraden en een bijvoeglijk

[p. 146]

naamwoord als raadzaam het PRO-subject geïnterpreteerd wordt als de aan-geradene. De systematiek die hieraan ten grondslag ligt zal ook begrijpelijk moeten maken waarom er onder bepaalde omstandigheden sprake is van ‘rolwisseling’ bij de interpretatie van het PRO-subject (vergelijk de zinnen (80) en (81)). Wij beschouwen dit probleem als een aansporing tot verder onderzoek.

Bibliografie

BLOM, A. (te verschijnen), ‘Raising en Kontrole’. In Spektator.
BLOM, A. en S. DAALDER (1977), Syntaktische theorie en taalbeschrijving. Muiderberg.
BRAME, M.K. (1976), Conjectures and Refutations in Syntax and Semantics. New York.
CHOMSKY, N. (1965), Aspects of the theory of syntax. Cambridge (Mass).
CHOMSKY, N. (1977), ‘Conditions on transformations’. In N. Chomsky, Essays on form and interpretation. New York.
CHOMSKY, N. (1980), ‘On Binding’. In Linguistic Inquiry 11.
CHOMSKY, N. (1981), Lectures on government and binding. Dordrecht.
DAALDER, S. en A. BLOM (1976), ‘De strukturele positie van reflexieve en reciproke pronomina’. In Spektator. 5.
HAAFTEN, T. Van (1980), ‘De status van het begrepen subject: anafoor of pronomen?’. Ongepubliceerd Universiteit van Amsterdam.
HERTOG, C.H. Den (1973), Nederlandse Spraakkunst, tweede stuk. Amsterdam.
HOEKSTRA, T. en M. MOORTGAT (1979), ‘Passief en het lexicon’. In Forum der Letteren 20.
KOSTER, J. (1975), ‘Dutch as an SOV language’. In Linguistic Analysis 1.
KOSTER, J. (1978), Locality principles in syntax. Dordrecht.
KOSTER, J. (1979), ‘Anaphora: an introduction without footnotes’. Ongepubliceerd Katholieke Universiteit Nijmegen.
KOSTER, J. (1981), ‘On binding and control’. Ongepubliceerd Katholieke Hogeschool Tilburg.
KOSTER, J. en R. MAY (1981), ‘On the constituency of infinitives’. Ongepubliceerd MIT.
PAARDEKOOPER, P.C. (1967), ‘Verstoffelijking van schimonderwerpen’. In De Nieuwe Taalgids 60.
REINHART, T. (1976), ‘The syntactic domain of anaphora’. Ongepubliceerd MIT.
ROSENBAUM, P. (1970), ‘A principle governing deletion in English sentential complementation’. In R. Jacobs en P. Rosenbaum (eds.) Readings in English transformational grammar. Waltham (Mass.).