'Onafhankelijke PP-komplementen van nomina'


auteur: G.J. de Haan


bron: Ger J. de Haan, ‘Onafhankelijke PP-komplementen van nomina.’ In: Spektator 8 (1978-1979), p. 330-339.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 330]

Onafhankelijke PP-komplementen van nomina *

Ger J. de Haan

1. Bach en Hom (1976)

Bekijk de volgende twee zinnen:

 

(1) hij heeft twee boeken van Vestdijk gelezen

(2) van Vestdijk heeft hij twee boeken gelezen

 

In navolging van Chomsky (1973) kan worden betoogd dat de onmiskenbare verwantschap tussen beide zinnen verantwoord wordt door zin (2) transformationeel af te leiden uit een onderliggende struktuur die korrespondeert met (1) - we negeren hierbij bijzonderheden die te maken hebben met de plaats van het werkwoord:

 

(3) hij heeft [NPtwee boeken [ppvan Vestdijk]pp]NPgelezen

 

In deze ekstraktie-analyse ligt struktuur (3) zowel ten grondslag aan (1) als aan (2).

Volgens Bach en Horn (1976) kleeft aan deze analyse het bezwaar dat de te postuleren ekstraktie-regel aan nogal wat beperkingen onderhevig is:

 

(4)(a) ze hebben twee artikelen tegen die stelling gelezen

(b)* tegen die stelling hebben ze twee artikelen gelezen

(5)(a) hij heeft in dat land nauwelijks hoop op vrede bespeurd

(b)* op vrede heeft hij in dat land nauwelijks hoop bespeurd

(6)(a) ik moedig wraak op aantasting van de familie-eer aan

(b)* op aantasting van de familie-eer moedig ik wraak aan

(7)(a) we hebben zojuist een gevecht tegen de duivel gezien

(b)* tegen de duivel hebben we zojuist een gevecht gezien

(8)(a) beschuldigingen van fraude behoren tot het verleden

(b)* van fraude behoren beschuldigingen tot het verleden

 

Op basis van dit soort gegevens menen zij te mogen stellen dat verwijderingen vanuit NP's moeten worden verboden. Hiertoe formuleren zij de volgende restriktie op transformaties:

 

(9) De NP-Restriktie

Geen enkele konstituent die gedomineerd wordt door een NP kan uit die NP verdwijnen via een transformationele regel (p. 280).

 

Hiermee wordt de relatie tussen zin (1) en (2) tot probleem bestempeld. Bach en Horn presenteren vervolgens de volgende oplossing voor dit probleem. Volgens hen liggen aan zinnen als (1) twee strukturen ten grondslag: in de ene struktuur maakt de PP van Vestdijk deel uit van de NP, als in (3); in de andere wordt de PP als onafhankelijke konstituent buiten de NP gegenereerd, als in (10): 1

[p. 331]

(10) hij heeft [NPtwee boeken]NP[PPvan Vestdijk]ppgelezen

 

Zinnen als (4) - (8) hebben slechts een onderliggende struktuur, waarin de PP-komplementen deel uitmaken van de NP's, dus vergelijkbaar met (3). Zo heeft zin (4a) alleen de volgende onderliggende struktuur:

 

(11) ze hebben [NPtwee artikelen [PPtegen die stelling]PP]NPgelezen

 

Volgens de NP-Restriktie is vooropplaatsing van een PP-komplement niet mogelijk in struktuur (3) en (11), maar alleen in struktuur (10), dus wanneer de PP zich buiten de NP bevindt. Omdat deze struktuur mede ten grondslag wordt gelegd aan zin (1), kent deze zin een variant, (2), met vooropgeplaatst PP-komplement. Omdat zin (4a) geen onderliggende struktuur als (10) heeft, bestaat er naast deze zin geen grammatikale variant met vooropgeplaatst PP-komplement, zie (4b). Het verschil tussen (1), (2) en (4a), (4b) wordt door Bach en Horn verantwoord op basis van de veronderstelling dat zinnen als (1) struktureel ambigu zijn, terwijl dit niet geldt voor zinnen als (4a).

2. De bezwaren van Kooij en Wiers (1978)

Door Kooij en Wiers (1978) is betoogd dat de analyse van Bach en Horn niet houdbaar is. 2 Hun voornaamste bezwaren kunnen als volgt worden samengevat. Volgens Kooij en Wiers zijn de zinnen (1) en (2) - afgezien van verschillen in fokuspresuppositieverhoudingen - semanties ekwivalent. Met name is de funktie van de PP van Vestdijk in beide zinnen gelijk. Deze semantise gelijkwaardigheid wordt in een analyse als die van Bach en Horn waarin aan een zin als (1) twee dieptestrukturen ten grondslag worden gelegd, niet verantwoord.

Dit bezwaar wordt volgens Kooij en Wiers nog versterkt door het volgende: als men PP's als van Vestdijk in (2) wil afleiden uit een struktuur waarin ze gegenereerd worden buiten de NP, dan ligt het voor de hand om ze op te vatten als bijwoordelijke bepaling van beperking. Maar er zijn verschillen tussen deze PP's en ‘onvervalste’ bepalingen van beperking: de laatste zijn in tegenstelling tot de eerste niet bevraagbaar:

 

(12) (a) van de leerlingen in onze klas is Truus gezakt

(b)* van wie is Truus gezakt

(13) van wie heeft hij twee boeken gelezen

 

Derhalve kunnen PP's als van Vestdijk moeilijk gezien worden als bepalingen van beperking.

In de derde plaats wordt bij vooropgeplaatste PP's als in (2) het voorzetsel van de PP door het hoofd van de enkele NP geselekteerd (Kooij en Wiers (1978, 117)). Kooij en Wiers presenteren het volgende voorbeeld:

 

(14) om vreemdelingen gaat het touwtrekken voorlopig voort (NRC 1977).

 

Omdat dit soort selektie normaliter nooit plaats vindt tussen een NP en een onafhankelijk gegenereerde PP, is een analyse als die van Bach en Horn aanvechtbaar.

[p. 332]

Voor Kooij en Wiers vormen deze drie bezwaren even zovele argumenten voor een ekstraktie-analyse van vooropgeplaatste PP's van het onderhavige tipe. De semanise gelijkwaardigheid van zinnen als (1) en (2) volgt uit een analyse die aan (1) en (2) één dieptestruktuur, i.c. (3), ten grondslag legt. De vooropgeplaatste PP is funktioneel gezien een bijvoeglijke nabepaling en geen bijwoordelijke bepaling van beperking. De selektie van een voorzetsel door het hoofd van een NP is heel gewoon wanneer het gaat om een prepositionele nabepaling van zo'n NP.

De eerste opmerking van Kooij en Wiers dat onder de ekstraktie-analyse direkt verantwoord wordt dat zin (1) semanties ekwivalent is aan zin (2) is juist. Onjuist is echter hun veronderstelling dat daarmee een argument voor deze ekstraktie-analyse is gegeven. De mogelijkheid om onder deze analyse de semantise gelijkwaardigheid van zin (1) en (2) te verantwoorden ondersteunt deze analyse alleen dan wanneer onder het alternatief van Bach en Horn deze gelijkwaardigheid onverklaard blijft. Dit nu is niet het geval.

Laten we aannemen dat de semantise gelijkwaardigheid van zinnen verantwoord is, wanneer aan die zinnen dezelfde semantise representatie wordt toegekend. Er zullen nu zowel binnen het kader van Bach en Horn als binnen dat van Kooij en Wiers semantise regels geformuleerd moeten worden die aan struktuur (3) een semantise representatie geven. Veronderstel dat er op onafhankelijke gronden een semantise regel beargumenteerd kan worden die aan struktuur (10) dezelfde representatie toekent. Hiermee is de semantise gelijkwaardigheid van (1) en (2) verantwoord.

In feite is door Koster (1978, 76) in navolging van Guéron (1978) zo'n onafhankelijk gemotiveerde regel voorgesteld: een regel die aan sommige PP's die geen deel zijn van een NP, op het nivo van semantise representatie de status geeft van komplement van een nomen (mits dit nomen behoort tot de fokus).

Hiermee vervalt tevens het tweede bezwaar van Kooij en Wiers tegen de analyse van Bach en Horn: het is allerminst noodzakelijk om in dat kader aan onafhankelijk gegenereerde PP's als van Vestdijk in (2) de funktie te geven van bijwoordelijke bepaling (van beperking).

Dan het derde bezwaar. Dat het hoofd van de NP in zinnen als (2) strikt gesubkategoriseerd wordt door het voorzetsel van de vooropgeplaatste PP, beargumenteren Kooij en Wiers ondermeer met behulp van de dubieuze voorbeeldzin (14). Echter, het is allerminst duidelijk of voorzetsels als van in zinnen als (2) een rol spelen in de subkategorisatie-kenmerken van nomina. Het is niet toevallig, lijkt me, dat van de grote verzameling voorzetsels waarvoor nomina gesubkategoriseerd kunnen worden slechts een uiterst bescheiden aantal, o.a. voor, over en van, in vooropgeplaatste PP's figureert. In die gevallen waarin duidelijk sprake is van subkategorisatie, zie de voorbeelden (4) - (8), is ekstraktie onmogelijk. Deze feiten pleiten eerder tégen, dan vóór de ekstraktie-analyse.

Mijn konklusie is dat de bezwaren van Kooij en Wiers tegen de analyse van Bach en Horn ongegrond zijn.

3. Beperkingen op vooropgeplaatste PP's

3.1. Fokus-presuppositieverhoudingen

Kooij en Wiers maken in hun artikel uitvoerig duidelijk dat vooropgeplaatste PP's in hoge mate beperkt worden door fokus-presuppositieverhoudingen. Voorzover daarvan de suggestie uitgaat dat er in de voorstellen van Bach en Horn geen ruimte

[p. 333]

zou zijn voor verantwoording van dit soort gegevens, wil ik er op wijzen dat dit onjuist is.

In Koster (1978) wordt aangegeven dat een verantwoording van feiten zoals door Kooij en Wiers verzameld niet onverenigbaar is met de analyse van Bach en Horn. De door hem geformuleerde semantise regel wordt beschouwd als een ‘discourse’ regel waarin de notie fokus een prominente rol speelt. Hoewel een nadere bestudering van de data van Kooij en Wiers buiten het bestek van dit artikel valt, lijkt het me niet te gewaagd te veronderstellen dat veel ervan in termen van dit soort regels beschreven kan worden. Zo ook bijvoorbeeld het volgende zinnetje dat door Kooij en Wiers wordt gesignaleerd wordt als probleem voor de analyse van Bach en Horn:

 

(15) ik heb die roman niet van Vestdijk gelezen.

 

Ervan uitgaande dat (15) ongrammatikaal is, stellen Kooij en Wiers dat hun ekstraktie-voorstel de ongrammatikaliteit verklaart. In het Nederlands kan een PP-komplement van een nomen niet door het element niet van de NP die het modificeert worden gescheiden. Omdat Bach en Horn veronderstellen dat de NP die roman en de PP van Vestdijk altans in één lezing sintakties onafhankelijk van elkaar zijn, is onder hun voorstel niet in te zien waarom (15) ongrammatikaal is. Echter, volgens Koster's discourse-regel moet de PP van Vestdijk verbonden worden met de fokus NP. De hiervoor in aanmerking komende NP, die roman, bevindt zich links van het element niet, terwijl in gevallen zonder kontrasteffekten een direkt objekt alleen maar fokus kan zijn als het rechts van de zinsnegatie staat. De PP van Vestdijk kan niet met het direkte objekt verbonden worden omdat dit objekt geen mogelijke fokus is, vandaar de ongrammatikaliteit van (15).

Het voorstel van Koster houdt in essentie in dat vrij gegenereerde sintaktise strukturen gefilterd worden door semantise regels die geformuleerd zijn in termen van fokus-presuppositieverhoudingen. Hoewel Kooij en Wiers zich - helaas - niet ekspliciet uitlaten over een beregeling van dit soort verhoudingen, zullen ook zij gebruik moeten maken van filterende semantise regels die niet principieel verschillen van die van Koster. Het enige verschil tussen beide analyses is op dit punt dat bij Koster de te filteren sintaktise strukturen niet het resultaat zijn van verwijdering van PP-komplementen uit NP's, terwijl dit wel het geval is bij Kooij en Wiers. Hoewel de verantwoording van dit soort gegevens zich in een beginstadium bevindt, en veel onduidelijk is, is het door Koster geschetste perspektief aantrekkelijk. Er is dan ook geen reden de analyse van Bach en Horn op basis van dit soort gegevens te verwerpen.

3.2. Een sintaktise beperking op verwijdering vanuit NP's?

Kooij en Wiers staan zoals gezegd ekstraktie toe van PP-komplementen vanuit NP's. Verwijdering van dit soort komplementen is lang niet altijd mogelijk, getuige de (b) gevallen van (4) - (8). Kooij en Wiers geven zelf nog de volgende voorbeelden (p. 131):

 

(16) * van kunststof heb ik een werphengel zien liggen

(17) * met een tuin heb ik een mooi huis gezien

(18) * uit China heb ik een vaas gekocht

[p. 334]

(19) * met rood haar kwam een meisje de kamer in

(20) * in die auto vind ik de man verdacht

 

Het is voor de ekstraktie-analyse van kruciaal belang dat een verklaring mogelijk is voor deze beperkingen op de verwijdering van PP-komplementen uit NP's. Volgens Kooij en Wiers moet deze verklaring gedeeltelijk worden gezocht in de sintaktise eigenschappen van de PP's die voor verwijdering in aanmerking komen. Zij aksepteren hier voor een voorstel van Jackendoff (1977) over de interne struktuur van NP's:

Jackendoff neemt aan dat de komplementen in een NP op drie niveau's kunnen worden aangehecht: Op het hoogste niveau, het N'''-niveau, uitbreidende bepalingen op het N''-niveau - beperkende bepalingen - en op het N'-niveau funktionele argumenten, d.w.z. elementen die door het nomen strikt gesubkategoriseerd zijn. We nemen aan dat extraheerbare komplementen die komplementen zijn die aangehecht zijn op het N' -niveau (p. 131).

Met andere woorden, ekstraktie van de PP van Vestdijk is mogelijk in (3), omdat deze PP is aangehecht op het N'-nivo; PP's als van kunststof in (16) mogen niet uit hun NP worden verwijderd omdat ze zich onderliggend bevinden op het N"-nivo. Deze sintaktise ‘verklaring’ van Kooij en Wiers deugt niet en wel om de volgende twee redenen.

Het door Jackendoff gepostuleerde positionele onderscheid tussen komplementen binnen NP's wordt in Blom (1977) bevestigd door verschijnselen die te maken hebben met de kategoriale status van het kwantitatieve er in het Nederlands. Als we met Blom aannemen dat het kwantitatieve er tot de kategorie N' behoort, dan volgt daaruit dat dit er slechts verenigbaar is met PP-komplementen van het N"-nivo (of hoger) en niet met PP-komplementen van het N'-nivo:

 

(21) (a) ik heb twee werphengels van kunststof zien liggen

(b) ik heb er twee van kunststof zien liggen

(22) (a) ze hebben twee artikelen tegen die stelling gelezen

(b)* ze hebben er twee tegen die stelling gelezen

 

De ongrammatikaliteit van (22b) vloeit voort uit het feit dat de PP tegen die stelling waarvoor het nomen strikt gesubkategoriseerd is, aangehecht moet zijn op het N'-nivo; de aanwezigheid van het kwantitatieve er maakt dit echter onmogelijk. Als Kooij en Wiers gelijk hebben met hun bewering dat ekstraheerbare komplementen zich op het N'-nivo bevinden, dan is te verwachten dat met zinnen waarin ekstraktie mogelijk is, geen zinnen korresponderen waarin een kwantitatief er figureert. Voorspeld wordt dat in een zin als (1) geen kwantitatief er kan voorkomen - vergelijk hiervoor ook de opmerking van Blom (1977, 395 voetnoot 4). Zie nu echter het volgende voorbeeld:

 

(23) hij heeft er twee van Vestdijk gelezen

 

Deze voorspelling blijkt niet uit te komen. Gegeven de juistheid van Blom (1977) is hiermee de stelling van Kooij en Wiers dat vooropgeplaatste PP-komplementen als van Vestdijk onderliggend zijn aangehecht op het N'-nivo weerlegd, en daarmee hun sintaktise verklaring voor beperkingen op ekstraktie uit NP's.

Een tweede reden waarom de verklaring van Kooij en Wiers voor beperkingen op

[p. 335]

ekstrakties van PP-komplementen onhoudbaar is, wordt gevormd door de observatie dat in die gevallen waarin de aanhechting van PP-komplementen aan het N' -nivo vanwege hun aandeel in subkategorisatie-kenmerken van nomina niet omstreden is, ekstraktie niet mogelijk is, vergelijk hiervoor de voorbeelden in (4)-(8).

Dat de door Kooij en Wiers geformuleerde sintaktise beperking op verwijdering vanuit NP's verworpen moet worden, betekent overigens niet per implikatie dat hun voorstel dáárom ook inferieur is aan dat yan Bach en Horn. We hebben zo-even al gezien dat Kooij en Wiers voor de verantwoording van beperkingen op vooropgeplaatste PP's in termen van fokus-presuppositie verhoudingen, een beroep zullen moeten doen op de filterende werking van een semantise regel (of regels), in de geest van Koster (1978): de vooropgeplaatste PP moet betrokken worden op de fokus van de zin. Het is met andere woorden helemaal niet noodzakelijk om de ongrammatikaliteit van de voorbeelden (4)-(8) en (16)-(20) toe te schrijven aan sintaktise oorzaken. Volgens Guéron (1978, 47) is het zó, dat vooropgeplaatste PP-komplementen van nomina die komplementen zijn waarvan de NP een speciale semantise relatie onderhoudt met het hoofd van de NP waar het komplement bij hoort. Het gaat daarbij om deel-geheel relaties, relaties van onvervreemdbaar bezit e.d. Staat een vooropgeplaatste PP niet in een dergelijke, uiteraard nader te specificeren, relatie met zijn NP, dan is ongrammatikaliteit het gevolg. In de ekstraktie-analyse kan met andere woorden ekstraktie vanuit NP's sintakties vrij zijn, waarbij de ongrammatikaliteit van de voorbeelden (4)-(8) en (16)-(20) aan een semantise oorzaak worden toegeschreven.

In feite zullen ook de aanhangers van de analyse van Bach en Horn gebruik moeten maken van een identiek soort semantise filtering. Laten we nog eens kijken naar het ongrammatikale voorbeeld (16):

 

(16) * van kunststof heb ik een werphengel zien liggen

 

De PP van kunststof kan dankzij de NP-Restriktie alleen vooropgeplaatst worden als de PP als onafhankelijke konstituent buiten de NP een werphengel gegenereerd is. De ongrammatikaliteit van (16) zou verklaard zijn wanneer de kombinatie NP en onafhankelijke PP niet voor zou komen in samenhang met het werkwoord liggen. Maar dat is wel het geval:

 

(24) van Vestdijk heb ik (in de étalage) een roman zien liggen

 

De ongrammatikaliteit van (16) kan derhalve niet teruggebracht worden tot de werking van de NP-Restriktie. Uitwerking van het idee dat de werkelijke oorzaak van de ongrammatikaliteit van (16) te maken heeft met semantise restrikties op de relatie tussen het vooropgeplaatste PP-komplement en de NP waarmee dit komplement verbonden is, kan een oplossing bieden. Omdat zoals hierboven is betoogd een dergelijke oplossing ook binnen het kader van een ekstraktie-analyse akseptabel is, is niet te verwachten dat uit beschrijvingen van de voorbeelden (4)-(8) en (16)-(20) argumenten te halen zijn voor of tegen de ene of de andere analyse.

4. De argumenten van Bach en Horn

Op basis van het tot nu toe besprokene is er weinig reden om de voorkeur te geven

[p. 336]

aan de ene analyse boven de andere. Anders wordt het wanneer we de oorspronkelijke evidentie van Bach en Horn voor hun analyse erbij betrekken.

Allereerst is er het punt van het verschil in bereik van sommige kwantoren in zinnen van het tipe (1). In de opvatting van Bach en Horn zijn zinnen van dit tipe zoals (25) struktureel ambigu:

 

(25) hij heeft zijn eerste twee boeken over Vestdijk geschreven

 

De PP over Vestdijk kan deel uitmaken van de NP; de PP kan ook als onafhankelijke konstituent buiten de NP gegenereerd worden:

 

(26) (a) hij heeft [NPzijn eerste twee boeken [PPover Vestdijk]PP]NP geschreven

(b) hij heeft [NPzijn eerste twee boeken]PP[PPover Vestdijk]PPgeschreven

 

Zin (25) kent twee lezingen die korresponderen met een verschil in bereik van de kwantorgroep eerste twee. In één lezing van (25) omvat het bereik van de kwantor eerste twee alleen boeken: het gaat hier om de eerste twee boeken die hij ooit heeft geschreven. In de tweede lezing omvat de kwantor boeken over Vestdijk, waarbij het helemaal niet hoeft te gaan om de eerste twee boeken die hij ooit heeft geschreven.

Zinnen van het tipe (4)-(8), zoals (27), zijn niet struktureel ambigu:

 

(27) ze hebben hun eerste twee artikelen tegen die stelling gelezen

 

De PP tegen die stelling wordt alleen gegenereerd binnen de grotere NP. 3 In (27) heeft de kwantorgroep eerste twee geen twee verschillende bereiken: het bereik is in dit geval uitsluitend artikelen tegen die stelling.

Bach en Horn verklaren deze verschillen in bereik door ze te relateren aan mogelijke strukturele verschillen. De twee mogelijke bereiken voor (25) korresponderen met mogelijke dieptestrukturen als (26a) en (26b). Als het bereik van de kwantor de NP is waarin de kwantor zich bevindt, dan wisselt het bereik ervan met het verschil in positie van de PP: bevindt de PP zich in de NP, dan valt de PP binnen het bereik van de kwantor, anders erbuiten. Het niet-ambigue karakter van (27) volgt hieruit dat voor (27) slechts één dieptestruktuur verondersteld wordt, en wel één waarin de PP zich in de NP bevindt. Omdat vooropplaatsing van de PP in de analyse van Bach en Horn uitsluitend geoorloofd is wanneer de PP buiten de NP zit, voorspelt hun analyse dat in zinnen met vooropgeplaatste PP's de ambiguïteit in het bereik van de kwantor afwezig is:

 

(28) over Vestdijk heeft hij zijn eerste twee boeken geschreven

 

Deze voorspelling is juist: het bereik is hier alleen boeken.

In de ekstraktie-analyse zijn zinnen als (25) niet struktureel ambigu en bestaat er evenmin een struktureel verschil tussen (25) en (27). Het is dan ook niet mogelijk een verschil in bereik van kwantoren te relateren aan een struktureel verschil. Kooij en Wiers besteden geen aandacht aan dit eerste argument van Bach en Horn. 4

Het tweede argument van Bach en Horn voor het postuleren van een struktureel verschil tussen zinnen met PP-komplementen die vooropgeplaatst kunnen worden en zinnen met PP-komplementen waarmee dit niet mogelijk is, is gebaseerd op

[p. 337]

pronominaliseringsverschijnselen. Volgens Bach en Horn heeft zin (4a) uitsluitend de volgende dieptestruktuur:

 

(29) ze hebben[NP twee [N' [N artikelen]N[PP tegen die stelling]PP] N'] NP gelezen

 

Afgezien van het PP-komplement is binnen de komplete NP geen konstituent aanwezig die in aanmerking kan komen voor vervanging door een pronomen:

 

(30) * ze hebben ze tegen die stelling gelezen

 

Wel is pronominale vervanging van de komplete NP mogelijk, met inbegrip van het PP-komplement:

 

(31) ze hebben ze gelezen

 

De ongrammatikaliteit van (30) vormt onafhankelijke bevestiging voor de juistheid van struktuur (29): PP-komplementen van nomina die niet vooropgeplaatst kunnen worden maken deel uit van de NP waarmee ze semanties verbonden zijn. Op deze wijze wordt het ontbreken van pronominale vormen in kombinatie met PP-komplementen die niet vooropgeplaatst kunnen worden verklaard.

Zinnen als (1) zijn volgens Bach en Horn struktureel ambigu: zin (1) heeft de volgende twee dieptestrukturen:

 

(3) hij heeft [NP twee boeken [PP van Vestdijk]PP]NP gelezen

(10) hij heeft [NPtwee boeken] NP[PP van Vestdijk] PPgelezen

 

In struktuur (10) is wel degelijk ruimte voor pronominale vervanging, zonder dat het PP-komplement hieronder valt. Omdat een PP-komplement dat vooropgeplaatst kan worden onafhankelijk van de NP wordt gegenereerd, waarmee het semanties verbonden is, mag verwacht worden dat een pronomen hier wel op kan treden in kombinatie met een PP-komplement:

 

(37) (a) hij heeft ze van Vestdijk gelezen

(b) van Vestdijk heeft hij ze gelezen

 

Ook hier vinden we onafhankelijke bevestiging voor de door Bach en Horn gepostuleerde strukturen.

Verantwoording van de genoemde pronominaliseringsverschijnselen in zinnen als (32a) en (32b) is in het voorstel van Kooij en Wiers niet mogelijk. Volgens hen (p. 133) moeten we ons de struktuur van NP's met ekstraheerbare komplementen als volgt voorstellen:

 

(33)



illustratie

[p. 338]

Het valt niet goed in te zien hoe op basis van dit soort strukturen zinnen kunnen worden verantwoord als (32a) en (32b): in (33) is eenvoudigweg geen plaats voor aanhechting van pronomina als ze met handhaving van de PP van Vestdijk binnen de grotere NP.

Omdat er volgens Kooij en Wiers geen struktureel verschil bestaat tussen NP's met ekstraheerbare komplementen als in (1) en NP's met subkategoriserende, niet-ekstraheerbare komplementen als in (4)-(8), zal iedere poging om strukturen als (33) zodanig aan te passen dat pronominale aanhechting mogelijk wordt, het ongewenste effect hebben dat deze aanhechting nu ook mogelijk wordt voor NP's met subkategoriserende, niet-ekstraheerbare komplementen. Dus nog afgezien van het feit dat Kooij en Wiers geen verklaring kunnen geven voor het optreden van pronomina in kombinatie met ekstraheerbare komplementen, laten zij onverklaard de samenhang die er bestaat tussen de mogelijkheid van vooropplaatsing van PP-komplementen en de mogelijkheid van pronominale vervanging aan de ene kant en de onmogelijkheid van vooropplaatsing van PP-komplementen en de onmogelijkheid van pronominale vervanging aan de andere kant. Vergeleken met het voorstel van Bach en Horn schiet de ekstraktie-analyse hier principieel tekort.

4. Konklusie

In het voorafgaande hebben we het volgende aangetoond:

(a) De bezwaren van Kooij en Wiers tegen de analyse van Bach en Horn zijn ongegrond;
(b) Er bestaan geen wezenlijke verschillen tussen de ekstraktie-analyse en de analyse van Bach en Horn voorzover het gaat om de verantwoording van beperkingen op de relatie tussen NP's en hun vooropgeplaatste PP-komplementen in termen van fokus-presuppositieverhoudingen. Hetzelfde geldt voor de verantwoording van andersoortige semantise beperkingen op deze relatie;
(c) De argumenten die Bach en Horn aanvoeren voor hun analyse zijn niet door Kooij en Wiers weerlegd. Deze argumenten vormen even zovele bezwaren tegen de ekstraktie-analyse.

Samenvattend kunnen we zeggen dat Kooij en Wiers er niet in geslaagd zijn aan te tonen dat de ekstraktie-analyse de voorkeur verdient boven het voorstel van Bach en Horn. Integendeel, daar waar er verschillen zijn tussen beide voorstellen is het voorstel om vooropgeplaatste PP-komplementen van nomina af te leiden uit een struktuur waarin deze PP's onafhankelijk gegenereerd worden van de NP's waarmee ze semanties verbonden zijn, superieur.

De konsekwentie voor de algemene teorie die Kooij en Wiers aan hun betoog verbinden, namelijk dat een principe als de NP-Restriktie - en de hier buiten beschouwing gelaten Gespecificeerde Subjektskonditie, de Subjacentie-konditie, het A-over-A Principe en de Left Branch Condition- onhoudbaar is, blijkt gebaseerd op een ondeugdelijke afweging van beide analyses. 5 Hiermee is niet gezegd dat ik dit soort principes juist acht.

[p. 339]

Bibliografie

Bach, E. en G.M. Horn (1976): ‘Remarks on ‘Conditions on transformations’’, Linguistic Inquiry 7, 265-299.
Blom, A. (1977): ‘Het kwantitatieve erSpektator 6, 1976-1977, 387-395.
Chomsky, N. (1973): ‘Conditions on transformations’, in S. Anderson en P. Kiparsky (eds.), A festschrift for Morris Halle, 232-286, New York.
Guéron, J. (1978): ‘The grammar of PP extraposition’, unpublished manuscript.
Haan, G.J. de (in voorbereiding): Dutch syntax and the theory of grammar.
Jackendoff, R.S. (1977): X-bar syntax: a study of phrase structure, Cambridge (Mass.).
Klein, M. en M.C. van den Toorn (1978): ‘Vooropplaatsing van PP's’ Spektator 7, 1977-1978, 423-433.
Kooij, J.G. en E.L. Wiers (1977): ‘Vooropplaatsing van PP's in het Nederlands’, Spektator 6, 1976-1977, 445-449.
Kooij, J.G. en E.L. Wiers (1978): ‘Vooropplaatsing, verplaatsingsregels en de interne struktuur van nominale groepen’, in J.G. Kooij (red.), Aspekten van woordvolgorde in het Nederlands, 105-143, Leiden.
Koster, J. (1978): Locality principles in syntax, Dordrecht.
Zwarts, F. (1978): ‘Extractie uit prepositionele woordgroepen in het Nederlands’, in Proeven van Neerlandistiek, aangeboden aan Prof. Dr. Albert Sassen, 303-399, Groningen