|
|
|
| | | | | |
Onafhankelijke PP-komplementen van nomina
*
| |
Ger J. de Haan
1. Bach en Hom (1976)
Bekijk de volgende twee zinnen:
(1) hij heeft twee boeken van Vestdijk gelezen
(2) van Vestdijk heeft hij twee boeken gelezen
In navolging van
Chomsky (1973) kan worden betoogd dat de onmiskenbare
verwantschap tussen beide zinnen verantwoord wordt door zin (2)
transformationeel af te leiden uit een onderliggende struktuur die
korrespondeert met (1) - we negeren hierbij bijzonderheden die te maken hebben
met de plaats van het werkwoord:
(3) hij heeft [NPtwee boeken
[ppvan Vestdijk]pp]NPgelezen
In deze ekstraktie-analyse ligt struktuur (3) zowel ten
grondslag aan (1) als aan (2).
Volgens
Bach en
Horn (1976) kleeft aan deze analyse het bezwaar dat de
te postuleren ekstraktie-regel aan nogal wat beperkingen onderhevig is:
(4)(a) ze hebben twee artikelen tegen die stelling
gelezen
(b)* tegen die stelling hebben ze twee artikelen
gelezen
(5)(a) hij heeft in dat land nauwelijks hoop op vrede
bespeurd
(b)* op vrede heeft hij in dat land nauwelijks hoop
bespeurd
(6)(a) ik moedig wraak op aantasting van de familie-eer
aan
(b)* op aantasting van de familie-eer moedig ik wraak
aan
(7)(a) we hebben zojuist een gevecht tegen de duivel
gezien
(b)* tegen de duivel hebben we zojuist een gevecht
gezien
(8)(a) beschuldigingen van fraude behoren tot het
verleden
(b)* van fraude behoren beschuldigingen tot het
verleden
Op basis van dit soort gegevens menen zij te mogen stellen dat
verwijderingen vanuit NP's moeten worden verboden. Hiertoe formuleren zij de
volgende restriktie op transformaties:
(9) De NP-Restriktie
Geen enkele konstituent die gedomineerd wordt door een NP kan uit
die NP verdwijnen via een transformationele regel (p. 280).
Hiermee wordt de relatie tussen zin (1) en (2) tot probleem
bestempeld. Bach en Horn presenteren vervolgens de volgende oplossing voor dit
probleem. Volgens hen liggen aan zinnen als (1) twee strukturen ten grondslag:
in de ene struktuur maakt de PP van Vestdijk deel uit van de NP, als in
(3); in de andere wordt de PP als onafhankelijke konstituent buiten de NP
gegenereerd, als in (10):
1
| | | |
(10) hij heeft [NPtwee
boeken]NP[PPvan
Vestdijk]ppgelezen
Zinnen als (4) - (8) hebben slechts een onderliggende struktuur,
waarin de PP-komplementen deel uitmaken van de NP's, dus vergelijkbaar met (3).
Zo heeft zin (4a) alleen de volgende onderliggende struktuur:
(11) ze hebben [NPtwee artikelen
[PPtegen die
stelling]PP]NPgelezen
Volgens de NP-Restriktie is vooropplaatsing van een PP-komplement
niet mogelijk in struktuur (3) en (11), maar alleen in struktuur (10), dus
wanneer de PP zich buiten de NP bevindt. Omdat deze struktuur mede ten
grondslag wordt gelegd aan zin (1), kent deze zin een variant, (2), met
vooropgeplaatst PP-komplement. Omdat zin (4a) geen onderliggende struktuur als
(10) heeft, bestaat er naast deze zin geen grammatikale variant met
vooropgeplaatst PP-komplement, zie (4b). Het verschil tussen (1), (2) en (4a),
(4b) wordt door
Bach en
Horn verantwoord op basis van de veronderstelling dat
zinnen als (1) struktureel ambigu zijn, terwijl dit niet geldt voor zinnen als
(4a).
| |
2. De bezwaren van Kooij en Wiers (1978)
Door
Kooij en
Wiers (1978) is betoogd dat de analyse van Bach en
Horn niet houdbaar is.
2 Hun voornaamste bezwaren kunnen als volgt
worden samengevat. Volgens Kooij en Wiers zijn de zinnen (1) en (2) - afgezien
van verschillen in fokuspresuppositieverhoudingen - semanties ekwivalent. Met
name is de funktie van de PP van Vestdijk in beide zinnen gelijk. Deze
semantise gelijkwaardigheid wordt in een analyse als die van Bach en Horn
waarin aan een zin als (1) twee dieptestrukturen ten grondslag worden gelegd,
niet verantwoord.
Dit bezwaar wordt volgens Kooij en Wiers nog versterkt door het
volgende: als men PP's als van Vestdijk in (2) wil afleiden uit een
struktuur waarin ze gegenereerd worden buiten de NP, dan ligt het voor de hand
om ze op te vatten als bijwoordelijke bepaling van beperking. Maar er zijn
verschillen tussen deze PP's en ‘onvervalste’ bepalingen van
beperking: de laatste zijn in tegenstelling tot de eerste niet bevraagbaar:
(12) (a) van de leerlingen in onze klas is Truus gezakt
(b)* van wie is Truus gezakt
(13) van wie heeft hij twee boeken gelezen
Derhalve kunnen PP's als van Vestdijk moeilijk gezien
worden als bepalingen van beperking.
In de derde plaats wordt bij vooropgeplaatste PP's als in (2) het
voorzetsel van de PP door het hoofd van de enkele NP geselekteerd (Kooij en
Wiers (1978, 117)). Kooij en Wiers presenteren het volgende voorbeeld:
(14) om vreemdelingen gaat het touwtrekken voorlopig voort
(NRC 1977).
Omdat dit soort selektie normaliter nooit plaats vindt tussen een
NP en een onafhankelijk gegenereerde PP, is een analyse als die van Bach en
Horn aanvechtbaar. | | | |
Voor
Kooij en
Wiers vormen deze drie bezwaren even zovele argumenten
voor een ekstraktie-analyse van vooropgeplaatste PP's van het onderhavige tipe.
De semanise gelijkwaardigheid van zinnen als (1) en (2) volgt uit een analyse
die aan (1) en (2) één dieptestruktuur, i.c. (3), ten grondslag
legt. De vooropgeplaatste PP is funktioneel gezien een bijvoeglijke nabepaling
en geen bijwoordelijke bepaling van beperking. De selektie van een voorzetsel
door het hoofd van een NP is heel gewoon wanneer het gaat om een prepositionele
nabepaling van zo'n NP.
De eerste opmerking van Kooij en Wiers dat onder de
ekstraktie-analyse direkt verantwoord wordt dat zin (1) semanties ekwivalent is
aan zin (2) is juist. Onjuist is echter hun veronderstelling dat daarmee een
argument voor deze ekstraktie-analyse is gegeven. De mogelijkheid om onder deze
analyse de semantise gelijkwaardigheid van zin (1) en (2) te verantwoorden
ondersteunt deze analyse alleen dan wanneer onder het alternatief van
Bach en
Horn deze gelijkwaardigheid onverklaard blijft. Dit nu
is niet het geval.
Laten we aannemen dat de semantise gelijkwaardigheid van zinnen
verantwoord is, wanneer aan die zinnen dezelfde semantise representatie wordt
toegekend. Er zullen nu zowel binnen het kader van Bach en Horn als binnen dat
van Kooij en Wiers semantise regels geformuleerd moeten worden die aan
struktuur (3) een semantise representatie geven. Veronderstel dat er op
onafhankelijke gronden een semantise regel beargumenteerd kan worden die aan
struktuur (10) dezelfde representatie toekent. Hiermee is de semantise
gelijkwaardigheid van (1) en (2) verantwoord.
In feite is door
Koster (1978, 76) in navolging van
Guéron (1978) zo'n onafhankelijk gemotiveerde
regel voorgesteld: een regel die aan sommige PP's die geen deel zijn van een
NP, op het nivo van semantise representatie de status geeft van komplement van
een nomen (mits dit nomen behoort tot de fokus).
Hiermee vervalt tevens het tweede bezwaar van Kooij en Wiers tegen
de analyse van Bach en Horn: het is allerminst noodzakelijk om in dat kader aan
onafhankelijk gegenereerde PP's als van Vestdijk in (2) de funktie te
geven van bijwoordelijke bepaling (van beperking).
Dan het derde bezwaar. Dat het hoofd van de NP in zinnen als (2)
strikt gesubkategoriseerd wordt door het voorzetsel van de vooropgeplaatste PP,
beargumenteren Kooij en Wiers ondermeer met behulp van de dubieuze voorbeeldzin
(14). Echter, het is allerminst duidelijk of voorzetsels als van in
zinnen als (2) een rol spelen in de subkategorisatie-kenmerken van nomina. Het
is niet toevallig, lijkt me, dat van de grote verzameling voorzetsels waarvoor
nomina gesubkategoriseerd kunnen worden slechts een uiterst bescheiden aantal,
o.a. voor, over en van, in vooropgeplaatste PP's figureert. In
die gevallen waarin duidelijk sprake is van subkategorisatie, zie de
voorbeelden (4) - (8), is ekstraktie onmogelijk. Deze feiten pleiten eerder
tégen, dan vóór de ekstraktie-analyse.
Mijn konklusie is dat de bezwaren van Kooij en Wiers tegen de
analyse van Bach en Horn ongegrond zijn.
| |
3. Beperkingen op vooropgeplaatste PP's
3.1. Fokus-presuppositieverhoudingen
Kooij en Wiers maken in hun artikel uitvoerig duidelijk dat
vooropgeplaatste PP's in hoge mate beperkt worden door
fokus-presuppositieverhoudingen. Voorzover daarvan de suggestie uitgaat dat er
in de voorstellen van Bach en Horn geen ruimte | | | | zou zijn voor
verantwoording van dit soort gegevens, wil ik er op wijzen dat dit onjuist
is.
In
Koster (1978) wordt aangegeven dat een verantwoording
van feiten zoals door
Kooij en
Wiers verzameld niet onverenigbaar is met de analyse
van
Bach en
Horn. De door hem geformuleerde semantise regel wordt
beschouwd als een ‘discourse’ regel waarin de notie fokus een
prominente rol speelt. Hoewel een nadere bestudering van de data van Kooij en
Wiers buiten het bestek van dit artikel valt, lijkt het me niet te gewaagd te
veronderstellen dat veel ervan in termen van dit soort regels beschreven kan
worden. Zo ook bijvoorbeeld het volgende zinnetje dat door Kooij en Wiers wordt
gesignaleerd wordt als probleem voor de analyse van Bach en Horn:
(15) ik heb die roman niet van Vestdijk gelezen.
Ervan uitgaande dat (15) ongrammatikaal is, stellen Kooij en Wiers
dat hun ekstraktie-voorstel de ongrammatikaliteit verklaart. In het Nederlands
kan een PP-komplement van een nomen niet door het element niet van de NP
die het modificeert worden gescheiden. Omdat Bach en Horn veronderstellen dat
de NP die roman en de PP van Vestdijk altans in één
lezing sintakties onafhankelijk van elkaar zijn, is onder hun voorstel niet in
te zien waarom (15) ongrammatikaal is. Echter, volgens Koster's discourse-regel
moet de PP van Vestdijk verbonden worden met de fokus NP. De hiervoor in
aanmerking komende NP, die roman, bevindt zich links van het element
niet, terwijl in gevallen zonder kontrasteffekten een direkt objekt
alleen maar fokus kan zijn als het rechts van de zinsnegatie staat. De PP
van Vestdijk kan niet met het direkte objekt verbonden worden omdat dit
objekt geen mogelijke fokus is, vandaar de ongrammatikaliteit van (15).
Het voorstel van Koster houdt in essentie in dat vrij gegenereerde
sintaktise strukturen gefilterd worden door semantise regels die geformuleerd
zijn in termen van fokus-presuppositieverhoudingen. Hoewel Kooij en Wiers zich
- helaas - niet ekspliciet uitlaten over een beregeling van dit soort
verhoudingen, zullen ook zij gebruik moeten maken van filterende semantise
regels die niet principieel verschillen van die van Koster. Het enige verschil
tussen beide analyses is op dit punt dat bij Koster de te filteren sintaktise
strukturen niet het resultaat zijn van verwijdering van PP-komplementen uit
NP's, terwijl dit wel het geval is bij Kooij en Wiers. Hoewel de verantwoording
van dit soort gegevens zich in een beginstadium bevindt, en veel onduidelijk
is, is het door Koster geschetste perspektief aantrekkelijk. Er is dan ook geen
reden de analyse van Bach en Horn op basis van dit soort gegevens te
verwerpen.
| |
3.2. Een sintaktise beperking op verwijdering vanuit
NP's?
Kooij en Wiers staan zoals gezegd ekstraktie toe van
PP-komplementen vanuit NP's. Verwijdering van dit soort komplementen is lang
niet altijd mogelijk, getuige de (b) gevallen van (4) - (8). Kooij en Wiers
geven zelf nog de volgende voorbeelden (p. 131):
(16) * van kunststof heb ik een werphengel zien liggen
(17) * met een tuin heb ik een mooi huis gezien
(18) * uit China heb ik een vaas gekocht
| | | |
(19) * met rood haar kwam een meisje de kamer in
(20) * in die auto vind ik de man verdacht
Het is voor de ekstraktie-analyse van kruciaal belang dat een
verklaring mogelijk is voor deze beperkingen op de verwijdering van
PP-komplementen uit NP's. Volgens
Kooij en
Wiers moet deze verklaring gedeeltelijk worden gezocht
in de sintaktise eigenschappen van de PP's die voor verwijdering in aanmerking
komen. Zij aksepteren hier voor een voorstel van
Jackendoff (1977) over de interne struktuur van
NP's:
Jackendoff neemt aan dat de komplementen in een NP op drie
niveau's kunnen worden aangehecht: Op het hoogste niveau, het N'''-niveau,
uitbreidende bepalingen op het N''-niveau - beperkende bepalingen - en op het
N'-niveau funktionele argumenten, d.w.z. elementen die door het nomen strikt
gesubkategoriseerd zijn. We nemen aan dat extraheerbare komplementen die
komplementen zijn die aangehecht zijn op het N' -niveau (p. 131).
Met andere woorden, ekstraktie van de PP van Vestdijk is
mogelijk in (3), omdat deze PP is aangehecht op het N'-nivo; PP's als van
kunststof in (16) mogen niet uit hun NP worden verwijderd omdat ze zich
onderliggend bevinden op het N"-nivo. Deze sintaktise ‘verklaring’
van Kooij en Wiers deugt niet en wel om de volgende twee redenen.
Het door Jackendoff gepostuleerde positionele onderscheid tussen
komplementen binnen NP's wordt in
Blom (1977) bevestigd door verschijnselen die te maken
hebben met de kategoriale status van het kwantitatieve er in het
Nederlands. Als we met Blom aannemen dat het kwantitatieve er tot de
kategorie N' behoort, dan volgt daaruit dat dit er slechts verenigbaar
is met PP-komplementen van het N"-nivo (of hoger) en niet met PP-komplementen
van het N'-nivo:
(21) (a) ik heb twee werphengels van kunststof zien
liggen
(b) ik heb er twee van kunststof zien liggen
(22) (a) ze hebben twee artikelen tegen die stelling
gelezen
(b)* ze hebben er twee tegen die stelling gelezen
De ongrammatikaliteit van (22b) vloeit voort uit het feit dat de
PP tegen die stelling waarvoor het nomen strikt gesubkategoriseerd is,
aangehecht moet zijn op het N'-nivo; de aanwezigheid van het kwantitatieve
er maakt dit echter onmogelijk. Als Kooij en Wiers gelijk hebben met hun
bewering dat ekstraheerbare komplementen zich op het N'-nivo bevinden, dan is
te verwachten dat met zinnen waarin ekstraktie mogelijk is, geen zinnen
korresponderen waarin een kwantitatief er figureert. Voorspeld wordt dat
in een zin als (1) geen kwantitatief er kan voorkomen - vergelijk
hiervoor ook de opmerking van Blom (1977, 395 voetnoot 4). Zie nu echter het
volgende voorbeeld:
(23) hij heeft er twee van Vestdijk gelezen
Deze voorspelling blijkt niet uit te komen. Gegeven de juistheid
van Blom (1977) is hiermee de stelling van Kooij en Wiers dat vooropgeplaatste
PP-komplementen als van Vestdijk onderliggend zijn aangehecht op het
N'-nivo weerlegd, en daarmee hun sintaktise verklaring voor beperkingen op
ekstraktie uit NP's.
Een tweede reden waarom de verklaring van Kooij en Wiers voor
beperkingen op | | | | ekstrakties van PP-komplementen onhoudbaar is, wordt
gevormd door de observatie dat in die gevallen waarin de aanhechting van
PP-komplementen aan het N' -nivo vanwege hun aandeel in
subkategorisatie-kenmerken van nomina niet omstreden is, ekstraktie niet
mogelijk is, vergelijk hiervoor de voorbeelden in (4)-(8).
Dat de door
Kooij en
Wiers geformuleerde sintaktise beperking op
verwijdering vanuit NP's verworpen moet worden, betekent overigens niet per
implikatie dat hun voorstel dáárom ook inferieur is aan dat yan
Bach en
Horn. We hebben zo-even al gezien dat Kooij en Wiers
voor de verantwoording van beperkingen op vooropgeplaatste PP's in termen van
fokus-presuppositie verhoudingen, een beroep zullen moeten doen op de
filterende werking van een semantise regel (of regels), in de geest van Koster
(1978): de vooropgeplaatste PP moet betrokken worden op de fokus van de zin.
Het is met andere woorden helemaal niet noodzakelijk om de ongrammatikaliteit
van de voorbeelden (4)-(8) en (16)-(20) toe te schrijven aan sintaktise
oorzaken. Volgens Guéron (1978, 47) is het zó, dat
vooropgeplaatste PP-komplementen van nomina die komplementen zijn waarvan de NP
een speciale semantise relatie onderhoudt met het hoofd van de NP waar het
komplement bij hoort. Het gaat daarbij om deel-geheel relaties, relaties van
onvervreemdbaar bezit e.d. Staat een vooropgeplaatste PP niet in een
dergelijke, uiteraard nader te specificeren, relatie met zijn NP, dan is
ongrammatikaliteit het gevolg. In de ekstraktie-analyse kan met andere woorden
ekstraktie vanuit NP's sintakties vrij zijn, waarbij de ongrammatikaliteit van
de voorbeelden (4)-(8) en (16)-(20) aan een semantise oorzaak worden
toegeschreven.
In feite zullen ook de aanhangers van de analyse van Bach en Horn
gebruik moeten maken van een identiek soort semantise filtering. Laten we nog
eens kijken naar het ongrammatikale voorbeeld (16):
(16) * van kunststof heb ik een werphengel zien liggen
De PP van kunststof kan dankzij de NP-Restriktie alleen
vooropgeplaatst worden als de PP als onafhankelijke konstituent buiten de NP
een werphengel gegenereerd is. De ongrammatikaliteit van (16) zou
verklaard zijn wanneer de kombinatie NP en onafhankelijke PP niet voor zou
komen in samenhang met het werkwoord liggen. Maar dat is wel het
geval:
(24) van Vestdijk heb ik (in de étalage) een roman zien
liggen
De ongrammatikaliteit van (16) kan derhalve niet teruggebracht
worden tot de werking van de NP-Restriktie. Uitwerking van het idee dat de
werkelijke oorzaak van de ongrammatikaliteit van (16) te maken heeft met
semantise restrikties op de relatie tussen het vooropgeplaatste PP-komplement
en de NP waarmee dit komplement verbonden is, kan een oplossing bieden. Omdat
zoals hierboven is betoogd een dergelijke oplossing ook binnen het kader van
een ekstraktie-analyse akseptabel is, is niet te verwachten dat uit
beschrijvingen van de voorbeelden (4)-(8) en (16)-(20) argumenten te halen zijn
voor of tegen de ene of de andere analyse.
| |
4. De argumenten van Bach en Horn
Op basis van het tot nu toe besprokene is er weinig reden om de
voorkeur te geven | | | | aan de ene analyse boven de andere. Anders wordt
het wanneer we de oorspronkelijke evidentie van
Bach en
Horn voor hun analyse erbij betrekken.
Allereerst is er het punt van het verschil in bereik van sommige
kwantoren in zinnen van het tipe (1). In de opvatting van Bach en Horn zijn
zinnen van dit tipe zoals (25) struktureel ambigu:
(25) hij heeft zijn eerste twee boeken over Vestdijk
geschreven
De PP over Vestdijk kan deel uitmaken van de NP; de PP kan
ook als onafhankelijke konstituent buiten de NP gegenereerd worden:
(26) (a) hij heeft [NPzijn eerste twee
boeken [PPover Vestdijk]PP]NP
geschreven
(b) hij heeft [NPzijn eerste twee
boeken]PP[PPover
Vestdijk]PPgeschreven
Zin (25) kent twee lezingen die korresponderen met een verschil in
bereik van de kwantorgroep eerste twee. In één lezing van
(25) omvat het bereik van de kwantor eerste twee alleen boeken:
het gaat hier om de eerste twee boeken die hij ooit heeft geschreven. In de
tweede lezing omvat de kwantor boeken over Vestdijk, waarbij het
helemaal niet hoeft te gaan om de eerste twee boeken die hij ooit heeft
geschreven.
Zinnen van het tipe (4)-(8), zoals (27), zijn niet struktureel
ambigu:
(27) ze hebben hun eerste twee artikelen tegen die stelling
gelezen
De PP tegen die stelling wordt alleen gegenereerd binnen de
grotere NP.
3 In (27) heeft de
kwantorgroep eerste twee geen twee verschillende bereiken: het bereik is
in dit geval uitsluitend artikelen tegen die stelling.
Bach en Horn verklaren deze verschillen in bereik door ze te
relateren aan mogelijke strukturele verschillen. De twee mogelijke bereiken
voor (25) korresponderen met mogelijke dieptestrukturen als (26a) en (26b). Als
het bereik van de kwantor de NP is waarin de kwantor zich bevindt, dan wisselt
het bereik ervan met het verschil in positie van de PP: bevindt de PP zich in
de NP, dan valt de PP binnen het bereik van de kwantor, anders erbuiten. Het
niet-ambigue karakter van (27) volgt hieruit dat voor (27) slechts
één dieptestruktuur verondersteld wordt, en wel één
waarin de PP zich in de NP bevindt. Omdat vooropplaatsing van de PP in de
analyse van Bach en Horn uitsluitend geoorloofd is wanneer de PP buiten de NP
zit, voorspelt hun analyse dat in zinnen met vooropgeplaatste PP's de
ambiguïteit in het bereik van de kwantor afwezig is:
(28) over Vestdijk heeft hij zijn eerste twee boeken
geschreven
Deze voorspelling is juist: het bereik is hier alleen
boeken.
In de ekstraktie-analyse zijn zinnen als (25) niet struktureel
ambigu en bestaat er evenmin een struktureel verschil tussen (25) en (27). Het
is dan ook niet mogelijk een verschil in bereik van kwantoren te relateren aan
een struktureel verschil. Kooij en Wiers besteden geen aandacht aan dit eerste
argument van Bach en Horn.
4
Het tweede argument van Bach en Horn voor het postuleren van een
struktureel verschil tussen zinnen met PP-komplementen die vooropgeplaatst
kunnen worden en zinnen met PP-komplementen waarmee dit niet mogelijk is, is
gebaseerd op | | | | pronominaliseringsverschijnselen. Volgens
Bach en
Horn heeft zin (4a) uitsluitend de volgende
dieptestruktuur:
(29) ze hebben[NP twee [N'
[N artikelen]N[PP tegen die
stelling]PP] N'] NP gelezen
Afgezien van het PP-komplement is binnen de komplete NP geen
konstituent aanwezig die in aanmerking kan komen voor vervanging door een
pronomen:
(30) * ze hebben ze tegen die stelling gelezen
Wel is pronominale vervanging van de komplete NP mogelijk, met
inbegrip van het PP-komplement:
(31) ze hebben ze gelezen
De ongrammatikaliteit van (30) vormt onafhankelijke bevestiging
voor de juistheid van struktuur (29): PP-komplementen van nomina die niet
vooropgeplaatst kunnen worden maken deel uit van de NP waarmee ze semanties
verbonden zijn. Op deze wijze wordt het ontbreken van pronominale vormen in
kombinatie met PP-komplementen die niet vooropgeplaatst kunnen worden
verklaard.
Zinnen als (1) zijn volgens Bach en Horn struktureel ambigu: zin
(1) heeft de volgende twee dieptestrukturen:
(3) hij heeft [NP twee boeken
[PP van Vestdijk]PP]NP
gelezen
(10) hij heeft [NPtwee boeken]
NP[PP van Vestdijk]
PPgelezen
In struktuur (10) is wel degelijk ruimte voor pronominale
vervanging, zonder dat het PP-komplement hieronder valt. Omdat een
PP-komplement dat vooropgeplaatst kan worden onafhankelijk van de NP wordt
gegenereerd, waarmee het semanties verbonden is, mag verwacht worden dat een
pronomen hier wel op kan treden in kombinatie met een PP-komplement:
(37) (a) hij heeft ze van Vestdijk gelezen
(b) van Vestdijk heeft hij ze gelezen
Ook hier vinden we onafhankelijke bevestiging voor de door Bach en
Horn gepostuleerde strukturen.
Verantwoording van de genoemde pronominaliseringsverschijnselen in
zinnen als (32a) en (32b) is in het voorstel van
Kooij en
Wiers niet mogelijk. Volgens hen (p. 133) moeten we
ons de struktuur van NP's met ekstraheerbare komplementen als volgt
voorstellen:
(33)

| | | |
Het valt niet goed in te zien hoe op basis van dit soort
strukturen zinnen kunnen worden verantwoord als (32a) en (32b): in (33) is
eenvoudigweg geen plaats voor aanhechting van pronomina als ze met
handhaving van de PP van Vestdijk binnen de grotere NP.
Omdat er volgens
Kooij en
Wiers geen struktureel verschil bestaat tussen NP's
met ekstraheerbare komplementen als in (1) en NP's met subkategoriserende,
niet-ekstraheerbare komplementen als in (4)-(8), zal iedere poging om
strukturen als (33) zodanig aan te passen dat pronominale aanhechting mogelijk
wordt, het ongewenste effect hebben dat deze aanhechting nu ook mogelijk wordt
voor NP's met subkategoriserende, niet-ekstraheerbare komplementen. Dus nog
afgezien van het feit dat Kooij en Wiers geen verklaring kunnen geven voor het
optreden van pronomina in kombinatie met ekstraheerbare komplementen, laten zij
onverklaard de samenhang die er bestaat tussen de mogelijkheid van
vooropplaatsing van PP-komplementen en de mogelijkheid van pronominale
vervanging aan de ene kant en de onmogelijkheid van vooropplaatsing van
PP-komplementen en de onmogelijkheid van pronominale vervanging aan de andere
kant. Vergeleken met het voorstel van
Bach en
Horn schiet de ekstraktie-analyse hier principieel
tekort.
| |
4. Konklusie
In het voorafgaande hebben we het volgende aangetoond:
| (a) De bezwaren van Kooij en Wiers tegen de analyse van Bach en
Horn zijn ongegrond; |
| (b) Er bestaan geen wezenlijke verschillen tussen de
ekstraktie-analyse en de analyse van Bach en Horn voorzover het gaat om de
verantwoording van beperkingen op de relatie tussen NP's en hun
vooropgeplaatste PP-komplementen in termen van fokus-presuppositieverhoudingen.
Hetzelfde geldt voor de verantwoording van andersoortige semantise beperkingen
op deze relatie; |
| (c) De argumenten die Bach en Horn aanvoeren voor hun analyse zijn
niet door Kooij en Wiers weerlegd. Deze argumenten vormen even zovele bezwaren
tegen de ekstraktie-analyse. |
Samenvattend kunnen we zeggen dat Kooij en Wiers er niet in
geslaagd zijn aan te tonen dat de ekstraktie-analyse de voorkeur verdient boven
het voorstel van Bach en Horn. Integendeel, daar waar er verschillen zijn
tussen beide voorstellen is het voorstel om vooropgeplaatste PP-komplementen
van nomina af te leiden uit een struktuur waarin deze PP's onafhankelijk
gegenereerd worden van de NP's waarmee ze semanties verbonden zijn,
superieur.
De konsekwentie voor de algemene teorie die Kooij en Wiers aan hun
betoog verbinden, namelijk dat een principe als de NP-Restriktie - en de hier
buiten beschouwing gelaten Gespecificeerde Subjektskonditie, de
Subjacentie-konditie, het A-over-A Principe en de Left Branch Condition-
onhoudbaar is, blijkt gebaseerd op een ondeugdelijke afweging van beide
analyses.
5 Hiermee is niet gezegd dat
ik dit soort principes juist acht.
| | | | | |
Bibliografie
| Bach, E. en G.M. Horn (1976): ‘Remarks on
‘Conditions on transformations’’, Linguistic Inquiry
7, 265-299. |
| Blom, A. (1977): ‘Het kwantitatieve er’
Spektator 6, 1976-1977, 387-395. |
| Chomsky, N. (1973): ‘Conditions on
transformations’, in S. Anderson en P. Kiparsky (eds.), A festschrift
for Morris Halle, 232-286, New York. |
| Guéron, J. (1978): ‘The grammar of PP
extraposition’, unpublished manuscript. |
| Haan, G.J. de (in voorbereiding): Dutch syntax and the
theory of grammar. |
| Jackendoff, R.S. (1977): X-bar syntax: a study of phrase
structure, Cambridge (Mass.). |
| Klein, M. en M.C. van den Toorn (1978):
‘Vooropplaatsing van PP's’ Spektator 7, 1977-1978,
423-433. |
| Kooij, J.G. en E.L. Wiers (1977): ‘Vooropplaatsing
van PP's in het Nederlands’, Spektator 6, 1976-1977, 445-449. |
| Kooij, J.G. en E.L. Wiers (1978): ‘Vooropplaatsing,
verplaatsingsregels en de interne struktuur van nominale groepen’, in
J.G. Kooij (red.), Aspekten van woordvolgorde in het Nederlands,
105-143, Leiden. |
| Koster, J. (1978): Locality principles in syntax,
Dordrecht. |
| Zwarts, F. (1978): ‘Extractie uit prepositionele
woordgroepen in het Nederlands’, in Proeven van Neerlandistiek,
aangeboden aan Prof. Dr. Albert Sassen, 303-399, Groningen |
|
*Ik dank J.G. Kooij, M.C. van den Toorn en
Evelyn Wiers voor hun kommentaar op een eerdere versie van dit
artikel.
1Eigenlijk is volgens mij niet (10) de
onderliggende struktuur waarin de PP als onafhankelijke konstituent buiten de
NP gegenereerd wordt, maar (i): (i) hij heeft [ ppvan
Vestdijk] pp [ NPtwee boeken] NP
gelezen
Struktuur (10) is afgeleid van (i) via NP Movement, zie De
Haan (in voorbereiding). Naast (1) en (2) is ook (ii) mogelijk: (ii)
hij heeft van Vestdijk twee boeken gelezen
2Kooij en Wiers (1978) is een uitgebreide
versie van Kooij en Wiers (1977). Op dit laatste artikel is krities gereageerd
door Klein en Van den Toorn (1978), waarin een verdediging van de analyse van
Bach en Horn wordt gegeven.
3Strikt genomen is dit niet juist: het
werkwoord lezen kan een kombinatie bij zich krijgen van een direkt
objekt en een daarbij behorende, onafhankelijk gegenereerde PP, zie de
voorbeelden (1) en (2). De PP tegen die stelling in (4a) kan zijn
oorsprong vinden in de PP-positie onafhankelijk van het direkt objekt. Deze
sintaktise struktuur zal echter weggefilterd worden.
4In hun kommentaar op een eerdere versie
van dit artikel stellen Kooij en Wiers zich op het standpunt dat een zin als
(25) ook voor hen struktureel ambigu is. De vraag naar de eksakte inhoud van de
door hen verdedigde ekstraktie-analyse wordt daarmee akuut.
5Hieraan kan worden toegevoegd dat in meer
recent werk, bijvoorbeeld Koster (1978) en Zwarts (1978), betoogd is dat de
NP-Restriktie een subgeval is van een principe met een veel groter bereik.
Omdat de ekstraktie-analyse hiermee in strijd is, kunnen we alleen daarom al
deze analyse rustig vergeten, tenzij de verdedigers ervan komen met een
principe dat een even grote (liefst grotere) verklarende waarde heeft dan de
principes in Koster (1978) en Zwarts (1978).
|
|