[pagina 1-10]
[p. 1]
- AFREIS.
-
- Dat een snelle zeiler ‘Vlaardingen’ heet,
- En ligt afgetuigd in de Maas op stroom.
- Is het Leven, Verlangen of een Droom?
- O, Lied, dat Droom en Leven vereend weet.
- JERUZALEM.
-
- De stem van Jeruzalem: door de dagen
- Roept Jeruzalem, door den donkren nacht.
- Als Moeder troost, wanneer haar zonen klagen,
- Zóó troost die Stad der Steden onze klacht.
- LONDEN.
-
- Maar de stem van Londen. In u verloren
- Valt elke schoone stem. Eén wild geweld.
- Boven de lucht, onder den weg, de sporen
- Waarlangs het leven naar den afgrond snelt.
- LONDEN.
-
- Vóór het vale dageraden
- Drijft het Lot mij langs uw Straat.
- Al uw schatten, al uw daden
- Zonder baat.
- OCHTEND IN LONDEN.
-
- Hijgende stem van het onheilig Londen,
- Wat zijt ge bij de Stilte van mijn Lied?
- Wat heeft de zwerver ooit bij u gevonden
- Des ochtends, dat hem 's avonds niet verliet?
[p. 2]
- AVOND IN LONDEN.
-
- De dag verzwaart. De hemel wordt al duister.
- Ik denk nu aan de stilte van ons Land.
- Terwijl gij de schamelheid van uw luister
- Rood tegen de breedten des hemels spant.
- DE DOOD VAN LONDEN.
-
- O, Londen: ziet gij dan uw Meester niet,
- Die even zeker u stil maakt als mij?
- Terwijl uw leven snel als water vliet
- Gaat Hij voorbij.
- GEZICHT OP LONDEN.
-
- Londen: wat vond één genieter der nachten
- Bij u, dat hem ook in den dag nog baat?
- De vale schijn van uwe valsche prachten.
- Uw drift, die toch machtloos vergaat.
- DE DOOD.
-
- Want alle menschen, die daar rustloos drijven,
- Zien zij den Meester niet?
- Hij gaat voorbij. Ik voel verstijven
- Mijn bloed en mijn Lied.
- EETWAGEN.
-
- Hij dronk den wijn. Ik zag de zonnestralen
- Eén eeuwig oogenblik verspelen in zijn glas.
- Hij zal nooit weten (God weet waar wij dwalen!)
- Dat ik de Dichter van zijn wijnkelk was.
[p. 3]
- IN DEN TREIN.
-
- Geen naam. Geen woord. Ik weet slechts, dat hij lachte,
- Hij lachte, toen hij haastig langs mij ging.
- Nu door de dagen en de nachten
- Martelt herinnering.
- NACHTTREIN.
-
- Een luitenant, maar niet meer dan een knaap.
- Wij reisden samen des nachts in den trein.
- Wat lot genoot hij lachend in zijn slaap?
- Terwijl ik waakte en kromp van pijn.
- ONTWAKEN.
-
- Ik wachtte tot hij waakte, en toen, ik schreef,
- Mijn weinig woorden op, terwijl hij lachte.
- Wij scheidden, maar ik zweer: zoolang ik leef
- Zal ik 't wonder van 't wederzien verwachten.
- DROEFHEID.
-
- IJdel zijn veel, ijdel zijn weinig woorden.
- IJdel is 't Lied, dat ik gelukkig zing.
- Voor één oogenblik, dat mij fel bekoorde,
- Martelt eeuwig herinnering.
- WEEMOED.
-
- Nooit zult gij weder denzelfden wijn drinken
- Als hedenavond. Nooit breekt gij meer open
- Dezelfde vruchten. Al uw liefde en hopen
- Verzinken.
[p. 4]
- ROME.
-
- De Eeuwige Stad. O, Lied, wat is er eeuwig?
- Van Rome naar Jeruzalem reisde ik
- Langs zeeën diep en bergen bar en sneeuwig:
- Ik vond niets eeuwig dan het oogenblik.
- NAPELS.
-
- Hier voel ik weer het lieve leven lichter
- En vindt mijn hart, van wroeging vrij, weer vreugd.
- Hier ben ik weer de onbekommerde Dichter
- Van zon en zee, van jok en jeugd.
- AAN FREDERIK VAN EEDEN.
-
- O, Vriend, dragen uw dagen zwaar in 't Noorden,
- Van droevig werk en wrange zorgen.
- Hier bloeit Napels langs zijn ruischende boorden
- En is er zon vanaf den morgen.
- BEDELJONGENS.
-
- Zij hebben zeker niets dan hunne kleederen
- Sierlijk geslagen om hun lijf.
- Maar o, hoe zij mijn hart vertederen
- Met hun blikken en hun bedrijf.
- EEN MONNIK.
-
- Een monnik: diep in zijn gebeden.
- Ik kwam. Hij keek. Ik werd bewogen.
- Gods hemel lachte nooit zoo in aardsche oogen
- Wat schrikkelijk verleden sleept hij mede?
[p. 5]
- HET HUIS AAN DE ZEE.
-
- Wanneer ik waak uit mijn bloeiende droomen,
- Hoor ik het weidsche zeegeruisch.
- Deed God of het Toeval mij komen
- Naar dit gelegen Huis?
- RUST.
-
- Het ruischen van den regen hoor ik niet
- Door het ruischen van de Zee.
- Ademloos luistert mijn Lied.
- Soms ruischt de zeewind mee.
- ‘ROSE-CASTLE.’
-
- Hij ligt op stroom, de stoute stoomer,
- Voor de overtocht gereed gemaakt.
- Leef ik in Napels, of ben ik een Droomer,
- Die straks in Amsterdam ontwaakt?
- VERTROUWEN.
-
- Neen: ik benijd u niet de rust van 't klooster
- En niet de veiligheid van uw bestaan
- Als mijn Moeder is nog mijn God mijn trooster;
- Ik durf weer door dagen en daden gaan.
- TROOST.
-
- Klaag niet over ons ontmoeten,
- Klaag niet over onze scheiding
- 't Is alles één en de eindlijke verblijding
- Zal 't bitter leed verzoeten.
[p. 6]
- VERBLIJDEN.
-
- Wolken, bergen, droom en daden,
- Kan ik nauwlijks onderscheiden.
- Maar ik ga langs al mijn paden
- In een bezonnen verblijden.
- BRANDING.
-
- De Zee breekt over de schuimende keien,
- De Eeuwigheid luistert naar zijn Lied.
- Wanneer mijn Liederen schreien
- Luistert de Eeuwigheid niet.
- BERUSTING.
-
- Vraag niet naar veilig of onveilig
- Want in Gods wil is alles één.
- Langs lusten heilig en onheilig
- Voert Zijne Liefde mij naar Jeruzalem heen.
- VERLATEN.
-
- Hoe zal het Woord, het al-gemeene
- Beelden wat ons beiden verbindt?
- Nacht breidt zich over de zee henen,
- En door het scheepswant waait de wind.
- VREDE.
-
- Ik luister naar de Zee.
- Luistert de Zee naar mij?
- Glimlachend langs de zilvren ree
- Mijmert de Tijd voorbij.
[p. 7]
- ONVEILIG.
-
- In een lichte duizling leef ik.
- Mijn leven schuimt als de Turijnsche wijn.
- Voor mijn ziel en zinnen beef ik.
- Waar zal het einde van mijn zwerven zijn?
- DE REGENBOOG.
-
- Wie zal in de regenboog scheiden
- Den regen van de zon?
- Zóó dacht ik, dat ons beiden
- Niets scheiden kon.
- EEN MATROOS.
-
- Een lichtmatroos: zijn donkre haren,
- Zijn oogen bloeien, zijne wangen blozen.
- Denk niet aan de duizenden lichtmatrozen,
- Die jong en schoon als deze waren.
- DE DOOD LANGS VIA PARTENOPE.
-
- Napels: 't leven drijft driftig heen,
- Langs vlotte vreugd en luide lust.
- Groot en onzichtbaar gaat er Eén,
- Die alles voert tot rust.
- EEN JONGEN.
-
- Een bonte groentekar, daarvóór een ezel,
- Een jongen staande en hij stuurt trotsch en stout.
- Hij spant iedere spier en iedre vezel,
- Terwijl hij het koppig dier binnenhoudt.
[p. 8]
- EEN VROME.
-
- Al uw Zonen zijn leerlingen van God.
- En heerlijk is de vrede van uw Zonen.
- Zij vertrouwen op Hem in ieder Lot,
- Niet vragend naar beloonen.
- ZELFMOORD.
-
- Toen scheidde ons het Leven.
- Thans scheidt ons de Dood.
- Gij rust. Ik word gedreven.
- Langs wroeging, vreugde en nood.
- AVOND.
-
- Strepen van licht langs het land,
- Aan de lucht een schijn van rood.
- De Stad, die hijgt en brandt,
- Wat is het Leven, Moeder, en wat is de Dood?
- EEN DIENAAR.
-
- Hij dient mij statig. Moest ik hem niet eerder
- Dienen, die zóó veel schooner is?
- Nooit had ik een Dienaar schuwer en teerder
- Nooit voelde ik zóó mijn vreugde en mijn gemis.
- MIJN DIENAAR.
-
- Als ik hem roep, zal hij mij gaarne geven
- Twee sinaasappelen aan ééne tros.
- Ik kan zijn oogen donker laten beven,
- Zijn wangen gloeien doen van snelle blos.
[p. 9]
- EEN SPEL.
-
- Ik zal de pracht der sinaasappels loven.
- Hij zegt héél statig: ‘Si, Signor, geen land,
- Dat mijn Land, Italië, gaat te boven
- In overvloed, in schoonheid en verstand.’
- BERUSTING.
-
- In dit spel van wind en water
- Schouw ik peinzend héél den dag.
- 'k Vraag niet meer naar toen en later.
- Ik draag wat er komen mag.
- ONRUST.
-
- Ik lees gedichten van Gutteling en van Perk.
- Zij stierven. Als ik sterf, wie zal mij dan nog lezen?
- Wat baat alles? Het Lied is menschlijk werk
- Thans of later: 't zal eens vergeten wezen.
- HAVENROEIERS.
-
- O, kon ik in de Maat van 't Lied,
- De maat van mijn twee roeiers vangen.
- Maar ach: het leven van mijn zangen
- Is het leven van 't Leven niet.
- SCHOONHEID.
-
- De Schoonheid kent niet anders dan het Schoone.
- Hij acht geen Deugd, geen Eer.
- Hij laat zich dwingen noch beloonen
- Los van al wet en leer.
[p. 10]
- NA DEN REGEN.
-
- In den sidderenden waterdrop
- Geeft zich des Hemels Eeuwigheid.
- In elk bevende harteklop
- Slaat het wreed Raadsel van den Eeuwgen Tijd.
- VERTREK.
-
- Nog ééne Nacht. Wij scheiden morgen,
- De Stad van Napels en mijn ziel.
- Maar zóó diep droeg mijn ziel geen zorgen,
- Dat de lach van Napels niet troostend binnenviel.
- VREUGDE.
-
- Hoe kan ik een Stad zóó beminnen,
- Waar ik zóó kort verbleef?
- Omdat zijn Lach van mijn ziel en mijn zinnen
- Alle zorgen verdreef.
- AFSCHEID.
-
- Vaarwel Napels: daar ligt gij stralend open.
- De boot kiest naar het Westen zee.
- Meer schoonheid dan mijn hart mocht hopen,
- Geeft Gij scheidend mee.
- LAATSTE BLIK.
-
- Wij varen ver. Een laatste blik op Napels,
- Vol dank voor alles, wat ik hier genoot.
- De kust vol zon. De huizen hoog in stapels,
- En vóór de Stad een wijde vloot.
|