[pagina 11-20]
[p. 11]
- ONTROERING.
-
- Twee sinaasappels van één tak met blaren.
- Ik zie schreiend het wonder aan:
- Neen: niet vergeefs zijn zóó veel kwade jaren
- Over mij heengegaan.
- DE ZEE.
-
- Hier is geen andre boekerij
- Dan water, zon en hemel.
- Maar o, wat lees ik in dat bont gewemel
- Zóó snel voorbij.
- JERUZALEM.
-
- Neen: niet Napels zien en dan sterven
- In den droom van het zeegeruisch.
- Maar Napels zien en dan verwerven
- In Jeruzalem weer een eigen huis.
- HERINNERING.
-
- Of Napels dan voor het laatste uur van scheiden
- Al zijn zalig schoon bewaarde?
- In een onzegbaar verblijden
- Bloeien hemel, zee en aarde.
- GENOT.
-
- Omdat geen Oogenblik duurt tot in Eeuwigheid,
- Omdat geen Leven den Dood overwint,
- Mag ik daarom niet graag genieten van den Tijd,
- Die ziel en zinnen gretig vindt?
[p. 12]
- DE ZWEMMERS.
-
- Waarom zal ik meer van het Leven vragen,
- Dan deze jongens in het water naakt:
- Hemel en zee de lange dagen
- En zon van dat de morgen waakt.
- EEN NAAM.
-
- Ik vraag zijn naam. Een mooie naam: Renato
- En waar hij woont. Hij lacht en zegt Sorrento.
- Wij scheiden. Mijn stoomer ligt op de zee.
- Niets dan wat klank van namen neem ik mee.
- NAPELS.
-
- Men zal u, Napels, nooit vergeten.
- Uw leven is een lachend Feest.
- En u gedenkend, zal men altijd weten,
- Dat ik uw Dichter ben geweest.
- VERLEIDING.
-
- Ik sluit mijn raam. Laat mij niet hooren
- O, Zee van Napels, uwe stem.
- Want luisterend ben ik verloren
- Voor mijne Stad, Jeruzalem.
- ZIEL EN ZINNEN.
-
- Het Oogenblik zoeken mijn zinnen.
- En mijne Ziel zoekt de Eeuwigheid.
- Van dat mijne dagen beginnen
- Martelt mij deze strijd.
[p. 13]
- SMART.
-
- Dit: dat ik overal heb liefgehad,
- En nergens kon vergeten,
- Dat ik tot Vreugde neergezeten,
- Slechts wroeging had.
- BERUSTING.
-
- Is dit misschien mijn laatste zonnedag?
- Laat het getroost de laatste zijn. Geniet
- Te feller dan wat gij heden nog ziet
- Aan liefde en lach.
- SNEL GELUK.
-
- O, pluk de donkre rozen vóór zij dorren.
- En kus den lentewind: hij waait snel over.
- Geen tweemaal wandelt ge onder 't zelfde loover.
- Machtloos als al uw vreugd is al uw morren.
- DE DOOD.
-
- Als het vandaag niet is, dan is het morgen.
- Wat baat ontvluchten, als gij zeker weet,
- Dat zijn handen uw keel verworgen.
- Zijn worm uw hart vervreet.
- EEUWIGE SPOT.
-
- Ik denk aan alles, wat ons heeft bewogen
- Van getij tot getij.
- De Eeuwigheid glimlacht met zijn spottende oogen.
- De Aarde valt voorbij.
[p. 14]
- EINDSOM.
-
- Geen dag, geen uur, geen minuut, geen seconde
- Dat mijn Leven niet tegen zijn Dood strijdt.
- 'k Heb veel gezocht en zalig veel gevonden,
- Tot dit: ‘Alles is Niets bij de Eeuwigheid.’
- MACHTLOOS.
-
- Aan wal, aan boord: 't is alles, alles, één,
- Eén wind en één eindlijk getij.
- Wat de dagen gul geven, dat neemt mij
- De Eeuwigheid heen.
- WANHOOP.
-
- Eeuwig: ik heb van 't Eeuwig Lied gesproken
- Als Dichters doen, tot ik de Eeuwigheid zag.
- En weet: tot eeuwig vaagsel wordt gebroken
- De bouw van elken dag.
- DE ZEEMEEUW.
-
- En als ik dan een zeemeeuw was,
- Die wiekt zoo vrij langs de ongebonden baan,
- Op vleugels spits, den snellen wind te ras
- Zoude ik dan den Dood ontgaan?
- EEUWIGHEID.
-
- En kon het water van de zee verhalen
- Van zijne tochten door de Eeuwigheid heen,
- Door wolken, menschen, bloemen, duizend malen.
- 't Bleek achter alle wisseling toch één.
[p. 15]
- KEUZE.
-
- Ik kan wel de Eeuwigheid winnen
- Als ik mij-zelf verlies.
- Maar mijn ziel en mijn gretige zinnen
- Schreien, dat ik mij-zelven kies.
- EEN DOODE.
-
- Nu gaande tot een rijker leven
- Hoe kan ik u vergeten, vrome Vriend?
- Gij stierft te vroeg, maar mij hebt gij gegeven
- Meer dan ik had verdiend.
- OP ZEE.
-
- Hier luwt de lucht zóó zuiver en het water
- Verdiept onder de hooge lucht.
- De uren gaan. Het wordt later, later,
- Zonder één goed of kwaad gerucht.
- VREDE.
-
- Hier wordt mijn oog van de zon zalig blind,
- Hier drink ik mij dronken aan vollen wind.
- Dwaas, dat ik dan door drift en droeve nood
- Een wereld wijder zoek dan deze boot.
- GEEN LAND MEER.
-
- Wij zien geen land: alleen de waterkolken
- Wij zien geen schip, alleen zeilende wolken.
- Maar schooner dan al steden, die ik zag,
- Is de eeuwige zee, nacht en dag.
[p. 16]
- ZEEWIND.
-
- Zijn sterke maat, zijn ruischende rijmen
- Heeft het zeelied niet minder dan het menschenlied.
- Ik luister. Maar de hartsgeheimen
- Van de zingende zee versta ik niet.
- INTREE VAN DEN SABBATH.
-
- 't Is alles anders en toch alles één.
- Mij brengt de Dag zijn Heiligheid
- Op volle zee. Trok ik ook zwervend heen
- Overal is de Sabbath en Gods veiligheid.
- SABBATHLICHT.
-
- Met lied en licht heb ik u blijde ontvangen
- Hier op de zee als in mijn Stad.
- Laat mij nimmer één ander heil verlangen
- Dan uw heilige schat.
- AVONDGEBED.
-
- Die heilig van onheilig scheidt,
- En mijn Lied rijk maakt met Zijn zegen
- Voert mij, waar nu de Zon daalt, tegen
- Den Sabbath en zijn heiligheid.
- PSALMEN.
-
- Hij kent mijn lust. Hij kent mijn nooden.
- Weet wat het hijgend hart behoeft.
- Hij zendt den Sabbath, Zijnen Bode,
- Wiens Boodschap nooit bedroeft.
[p. 17]
- EENZAAM.
-
- Neen: ik ben niet alleen. Ik ben vereenigd
- Met u allen in ieder land,
- Wier harten nu de Sabbath lenigt,
- Die wijn zegent en lichten brandt.
- VERLATEN.
-
- Geen Vader zegent mij vanavond.
- Ik zegen geenen Zoon. Ik reis alleen.
- Klaag niet: het leven heeft mijn hart gehavend,
- Maar God wendt mij langs beter wegen heen.
- VREDE.
-
- Zóó goed als ooit heb ik al de gebeden
- Toen de Sabbath mij naderde, gezegd.
- En in de veiligheid van zijnen vrede
- Heb ik mij schreiend neergelegd.
- TROOST.
-
- Neen: er was geen gewijde wijn, geen brooden,
- Er was het vreemde scheepsvolk om mij heen.
- Toch liet de Sabbath, trooster van al nooden
- Mij niet alleen.
- STERRENHEMEL.
-
- Elken avond bouwen de sterren anders,
- Naar God hen eeuwig heeft geboekt.
- De gele fonkelaars, de blauwe branders,
- Waardoor de stoomer zijn zee-wegen zoekt.
[p. 18]
- DE STERREN.
-
- Ik kan geen heilig licht ontsteken.
- Maar God ontsteekt het mild voor mij.
- De sterren aan al hemelstreken
- Van wind en wolken vrij.
- NACHT.
-
- De nacht is het gebed van de Aarde
- Tot den levenden God.
- Die mij tot dezen nacht getrouw bewaarde
- Geef ik getroost mijn lot.
- VERLEIDING.
-
- Ik zat aan dek in het Gebed gebogen,
- Hij kwam met lach en vraag tot mij.
- Al wat geen man uitspreekt lachte in zijn oogen.
- Ik zuchtte en legde het gebed op zij.
- LAATSTE SABBATH (AMSTERDAM).
-
- Den laatsten dag. Langs uwe grachten
- Mijn schoone stad, ga ik aanbiddend voort.
- Nooit en nergens vergeet ik uwe prachten.
- Maar ik heb de stem van Jeruzalem gehoord.
- LONDEN.
-
- Heesch en onheilig schort uw stem, o, Londen.
- Gij haart al boete en al gebeden.
- En toch heb ik ook hier een plaats gevonden
- Voor Sabbathdienst en Sabbathvrede.
[p. 19]
- PARIJS.
-
- Uw straten zijn rijker dan steden.
- Mijn Lied onthoudt u niet zijn Lof.
- Maar bij de weelde onzer Sabbathgebeden
- Valt al uw weelde wan en dof.
- ROME.
-
- Rome: gij hebt u schat van schoon vergaderd,
- Door de eeuwen heen, meer dan één Stad.
- Maar als de tijd der Sabbathbeden nadert,
- Keert zich mijn hart tot eeuwger schat.
- NAPELS.
-
- Een wonder bloeit die stille hof.
- Van zon en schaduw onder donkre bogen.
- Hier bouwt de Godgewijde synagoge.
- En het is Tijd voor Sabbathlof.
- DE STORMENDE ZEE.
-
- De zeeën schuimen en de stormen gieren.
- Wij varen in Gods veiligheid.
- Vroom en aandachtig zal ik vieren
- Den Sabbath en zijn heiligheid.
- JERUSALEM.
-
- Den eersten Sabbath langs uw straten,
- Jeruzalem ga ik verwonderd voort.
- Een vreemde? Neen: nooit meer verlaten
- Sinds God mijn bede heeft verhoord.
[p. 20]
- DE ZEE.
-
- Is één stad rijker of schooner
- Dan de zee eindeloos?
- Kent gij milder bewoner
- Dan schipper en matroos?
- GEDRONKEN WIJN.
-
- De wijn gedronken, het uur genoten,
- Zeg mij wat overblijft.
- Tusschen verlangen en gemis ligt het besloten,
- Al wat het leven drijft.
- VOORBIJ.
-
- Ik heb één langen dag de zon gedronken.
- Is een dag zon meer dan een glas met wijn?
- Gevuld. Geleegd. In de Eeuwigheid verzonken.
- En zal nooit meer genoten zijn.
- ZONNESCHIJN.
-
- Wij zien maar zee. Wij zien maar zon.
- En ziet de zon niet meer dan wij?
- Van dat de vroege dag begon,
- Lacht zij blijde en vrij.
- EEN DOODE.
-
- Wat scheidt den wind over zijn graf,
- Van den wind hier over zee?
- God heeft den vriend genomen, dien Hij gaf.
- Ik draag mijn onrust mee.
|