[pagina 21-30]
[p. 21]
- NAAR HET OOSTEN.
-
- Ik kan hier licht het Oosten vinden,
- Ochtend, Middag en Avond voor 't Gebed,
- Want daarheen baant onder de milde winden
- De boot zijn weg door 't eindloos waterwed.
- ZORGELOOS.
-
- Waar is de wijn, dien ik gisteren schonk?
- Waar is de wijnglans, die gisteren blonk?
- Vraag niet. Klaag niet. Reik mij den nieuwen wijn
- En laat ons elken dag éénen dag zorgloos zijn.
- TALMUDISTEN.
-
- Zij hebben 't eigen Zelf aan de Eeuwigheid gegeven.
- Nu noch door hun Zelf noch door de Eeuwigheid geplaagd.
- Terwijl mijn hijgend hart, moede van machtloos leven,
- Zich niet verliezen kan en toch verloren klaagt.
- VLUCHTEND GELUK.
-
- ‘Wat ben ik toch gelukkig’ dacht ik heden,
- Toen ik de Mousky van een balkon zag.
- Maar de Eeuwigheid sprak strak: ‘Het is verleden.
- Uw Oogenblik’ en zwaar viel mij de dag.
- ARMOEDE.
-
- Het zachte leven en de zachte dood.
- Niet meer kleederen dan men daaglijks draagt.
- Wat dadels, water en Arabisch brood.
- Koning, die niet meer van de Eeuwigheid vraagt.
[p. 22]
- BEGRAFENIS.
-
- In eene smalle kist wordt hij gedragen,
- Die niet genoeg voor rijker uitvaart won.
- Als men ons rijk uitdraagt zijn dan de vlagen
- Ons zoeter van lentewind en van zon?
- CAIRO.
-
- De felle middagzon houdt mij hier binnen.
- Maar neen. De zon roept mij toch droomend uit.
- O, blijde ziel, o, zielsverblijde zinnen:
- Daar bouwt Caïro. Waar is rijker buit?
- NA-MIDDAG.
-
- Straks zwerf ik uit, bij 't dauwend avonddalen.
- Niets zoekend en niet wetend, waar ik ga.
- Zal ik heden, als gistren, droomend dwalen
- Tot ik voor den stralenden Nijlstroom sta?
- MOUSKY.
-
- Een herdersknaap. Een arm vol geurend gras,
- Gaat droomend door de driften van de straat.
- Alsof de Stad een zonnig weiland was,
- Loopen zijn schapen mee met mild geblaat.
- OCHTEND.
-
- De milde morgenwind kust mijne wangen.
- Waar heeft de wind mij voor het eerst gekust?
- 't Is alles een. Onrust en fel verlangen
- Wordt in de Eeuwigheid rust.
[p. 23]
- ROZENGEUR.
-
- Vraag, waar hij dwaalde, aan deze rozengeur.
- Vraag naar allen, dien hij weldadig was.
- Hij antwoordt: ‘Eén is het wisslend gebeur.
- Jeugd en rozen vergaan zóó ras.’
- EENZAAM.
-
- Ik zegen niemand, want ik ben geen Vader.
- Mij zegent niemand, want ik ben geen Zoon.
- Toch voert Gods Liefde mij tot mijn Land nader.
- En ik vraag angstig: ‘Voor wat lot dit loon.’
- GESLAGEN.
-
- O, Ziel, zend niet uwe gretige zinnen,
- Elken dag om weelden en winsten uit.
- Want al wat zij aan lust en vreugde winnen,
- Valt de Eeuwigheid ten buit.
- SPELEND KIND.
-
- Dit spelend kind kan de sterren niet plukken.
- Maar zijn ziel plukt bonte bundels te saam.
- Ik leed zóó veel en in naamloos verrukken
- Zegent mijn Lied Gods Heilgen Naam.
- ‘ROSE CASTLE.’
-
- Hier is mijn Land. Maar 'k volg uw wijde wegen,
- Schip, dat mijn schip was, over verre baren.
- God geef u goed getijde en rijke zegen,
- Aan vracht en voere u veilig door gevaren.
[p. 24]
- SLAPELOOS.
-
- Hij, die de slaap rooft uit mijne rauwe oogen.
- Die 't bloed opdrinkt uit mijn gereten hart,
- Wordt door geen lied en door geen lot bewogen.
- Hij lacht noch weent bij mijn geslagen smart.
- NACHT.
-
- De Nacht met zijne spitse borsten,
- Buigt zich over mijn leden henen.
- Mijn lippen, die dorden en dorstten,
- Drinken zich zacht aan zijne spenen.
- AAN.....
-
- Nu herdenken mijn handen al de streken
- Onzer verboden vreugd.
- Ons scheiden land en water vele weken,
- Wien geeft gij thans uw schoon-verdoven jeugd?
- DONKERE NACHT.
-
- Mijn handen tasten. Niets dan de nacht
- En mijn hart, dat hijgt en vreest.
- Wat is er vroeger, mild en zacht
- Menig stout Feest geweest.
- ANGST.
-
- Mijn handen vol herinneringen.
- Mijn hart doodsvol van angst.
- Wat zal ik nog spelen en zingen?
- De wroeging duurt het langst.
[p. 25]
- VLOEK.
-
- Des daags verlang ik naar den avond.
- Misschien zal hij koel zijn en teer.
- En 's avonds, hijgend en gehavend
- Verlang ik naar den morgen weer.
- JEMENIETISCH LIED.
-
- Mijn hart kan van uw Lied niet scheiden.
- Ons Volk leed door al eeuwen pijn.
- Zing het nog eens, voordat tusschen ons beiden
- Dagen en jaren zijn.
- EEN LIED.
-
- Zal ik ooit in mijn zangen vinden
- De zoete weelden van het droeve Jemenietisch Lied?
- Wat Joodsche harten kan verbinden,
- Die haten weten 't niet.
- NIEUWE LIEDEREN.
-
- Zoo vaak denk ik: ‘Dit is het laatste Lied
- Nu zal die weelde mij voor goed verlaten.’
- En altijd weder vind ik nieuwe en rijke maten
- Voor vreugde en voor verdriet.
- EEN ZANGER.
-
- Een Dichter ben ik en gij zijt een zanger.
- O, dat ge eenmaal mijn liedren zingen zoudt.
- Steeds wil ik scheiden en steeds toef ik langer,
- Lijdend om wat me aan u verbonden houdt.
[p. 26]
- ANGST.
-
- Hij zong vandaag. Tot in mijn diepe droomen
- Vervolgt mijn hart de schoonheid van zijn zangen.
- Waarom is hij langs mijn wegen gekomen?
- Draag ik niet reeds genoeg verlangen?
- DROOM.
-
- De vogels in het nest,
- Zijn zangen in mijn droomen.
- Toch was het mij het best,
- Als hij niet zingend langs mijn wegen was gekomen.
- ZIJN LIED.
-
- Hij zong. En zalig is mij 't zoeken
- Van zijn Lied tusschen waak en slaap.
- Wat men niet vindt in zooveel boeken,
- Men vindt het in 't Lied van een Jemenietenknaap.
- STERREN.
-
- Wat weten de sterren van hen, die ver zijn?
- O, kon mijn Ziel voor dezen Nacht een ster zijn.
- Dan zoude ik stralen hoog boven de Stad
- Waar gij mij nooit hebt liefgehad.
- HERINNERING.
-
- O, toen ik reisde was het niet zoo schoon,
- Als nu ik droom van al mijn reis.
- Geef mij geen ander lot en loon,
- Dan onrust schoon en droom en wijs.
[p. 27]
- ONRUST.
-
- Ik kan niet rusten vóór ik nog eens hoor,
- Dat lied, dat droeve Jemenieten1ied.
- Zing het nog eens. Dan reis ik rustig door.
- Ik zweer 't u toe: mijn hart vergeet u niet.
- MACHTELOOS.
-
- Uw droef Lied viel in de Eeuwigheid verloren.
- Van de Eeuwigheid vraag ik het staag weerom.
- Maar nooit zal de Eeuwigheid één bee verhooren.
- Hij luistert stom.
- ZIJN LIED.
-
- Was ik geen Dichter, ik was het geworden
- Luisterend naar zijn Jemenietisch Lied.
- Zij dreven ons door eeuwen heen, de horden,
- Maar de kracht van ons Volk braken zij niet.
- HAÏEM CHAËR.
-
- Zoo leef gelukkig, mijn geliefde zanger,
- Gelukkiger dan ik, uw droeve Dichter.
- Maar waar het lot mij drijve, droef en banger,
- Uw Lied maakt mijn hart lichter.
- AFREIS.
-
- Want altijd scheiding. Altijd weer begroeten,
- Gedreven door verlangen en gemis.
- Tot aan het uur van 't eindelijk ontmoeten,
- Waaruit geen scheiden is.
[p. 28]
- TALMUDISTEN.
-
- Zij branden hun zielen als witte lampen
- In de voorhoven van Gods Heiligheid.
- Zij kennen geene vreugde en geene rampen
- In één gedachtenlooze veiligheid.
- DWAALTOCHT.
-
- Ik ga hier door een dwarreling van kleuren.
- En ga de wegen, die mijn voeten gaan.
- De uren verdwijnen. Er kan niets gebeuren.
- Ik ben van vreugd en droefenis ontdaan.
- EEN JONGEN IN DE ZON.
-
- Het zilver spint in donkre haren
- Een zachte, zijden droom.
- Door mijne ziel komt wild gevaren
- Der weelden driftge stroom.
- SPEL.
-
- De zon speelt met zijn oogen.
- De zon speelt met zijn milden mond.
- Hoe zalig werd mijn ziel bewogen
- Toen ik hem deze woorden zond.
- ANGST.
-
- Als ik de zon was, kon ik vreedzaam zijn
- Met zijn mond, zijn oogen, zijn haren.
- Nu blijf ik ver, met doffe pijn,
- Sidderend voor gevaren.
[p. 29]
- VERTEDERING.
-
- Zon en schaduw glijden over
- In de stille schemering.
- Ik beef gevangen in den toover
- Van één vertedering.
- ZATHEID.
-
- De zon is over hem henengegleden.
- Ach: de uren dreigen grauw.
- Door mijn bevende leden
- De doode kou.
- LEZING ERNEST RICHMOND.
-
- Ivoren wit en de diep-blauwe randen,
- Die rondom de Omar-mozaïeken staan.
- Op welken wind waait het stof van de handen,
- Die dit hebben gedaan?
- HUIVERING.
-
- Als ik mijn donkere gedachten
- Niet kon verbergen achter woord en lach,
- Hoe zoudt gij weten van mijn wilde nachten
- Van mijn gedreven dag.
- JERUZALEM.
-
- Ook hier ben ik de diep-gekwelde mensch.
- Mij martelt het raadsel en zijn onthulling.
- Wat baat mijn mateloos hart de vervulling?
- Altijd, altijd, drijft mij een stouter wensch.
[p. 30]
- IN RUST.
-
- Maar lees de woorden van mijn liedren niet.
- Lees het onleesbare achter woorden.
- Dan zult gij weten, wat mij wreed bekoorde,
- Wat mij verlokte en toen verliet.
- STORMWIND (OLIJFBERG).
-
- Hoor: de eeuwen waaien weg gelijk de winden.
- Die spelen met het licht van mijn lantaren.
- Den dag van gisteren, wie zal hem vinden?
- Als schaduwen verdwijnen onze jaren.
- DOOD.
-
- Het Leven kan men niet beschrijven, maar beleven.
- Geef uw ziel en zinnen aan 't leven over.
- Dan altijd vrij, gevangen in zijn toover
- Zal 't leven u vol van zijn schatten geven.
- SLAPEND KIND.
-
- Hij slaapt. De zon legt over zijne leden
- De luwte van zijn zachtgesponnen zij.
- De wind komt nieuwsgierig nadergetreden
- Hij ziet en gaat dan glimlachend voorbij.
- BIALIK.
-
- Want toen ik las zijn woorden mild en machtig,
- In maten zwaar, in maten blijde en lichter,
- Toen sloeg mijn hart, het hart van mijn Volk, krachtig,
- En ik was trotsch: ook ik ben een Joodsch Dichter.
|