[pagina 31-40]
[p. 31]
- SPECERIJEN-BAZAR.
-
- Droomend gaan door de specerijenstraatjes.
- De huisjes zijn van zoeten geur doorstoofd.
- Het wolkt uit doozen, balen, kast en laadjes
- Eene bedwelming om mijn zalig hoofd.
- MAANNACHT.
-
- De Maan bloeit zalig als de zon,
- De Nacht ligt open als een Dag.
- Dank, dat ik door al leed dit won
- En dit bezingen mag.
- JEUGDGEDICHTEN.
-
- In mijne jeugd schreef ik deze gedichten.
- Ik lees: daar bloeit mijn jeugd open en teer.
- Wat zal meer dan het eigen lied verlichten
- De duisternis, waarin ik hier verteer?
- VERLATEN.
-
- Aan het eigen Lied heb ik rijk gegeven
- Het bloed van mijn hart, de lust van mijn ziel.
- Jeruzalem: ik ben alleen gebleven
- En lees wat mij in Holland toen geviel.
- DE STERREN.
-
- O, kon ik het boek van de Sterren lezen.
- Hun eeuwige maat. Hun schatrijke rijmen.
- Maar hun tochten en hun geheimen,
- Wien zullen zij gegeven wezen?
[p. 32]
- HOLLAND.
-
- Het Lied, dat ik in Holland schreef,
- Lees ik te Jeruzalem weder.
- Holland: houd stand. Zoolang ik leef
- Min ik u mild en teder.
- DE SCHOOIERS.
-
- Laat mij de schalke schooiers. Houdt uw rijken,
- Die dom en doelloos door de straten gaan.
- Wanneer hun Dagen voor den Dood bezwijken,
- Wie ziet hun dan nog al hun schatten aan?
- GAARKEUKENSTRAATJE.
-
- O, dit is zeker een der beste straatjes,
- Waarin de genieter zijn dag verslijt.
- De kok stooft en zijn lieve, luie maatjes
- Bedienen u van alle heerlijkheid.
- GENERAAL RONALD STORRS.
-
- Generaal Storrs, die in uw sterke handen
- Macht over 't Heilig Jeruzalem houdt,
- Gezegend worde uw naam in alle landen,
- Waar ons Volk op uw rijk beleid vertrouwt.
- JOODSCHE RUITER.
-
- Een Ruiter: trotsch in het zonnige landschap.
- Hij houdt zijn paard, dat kopstapt stout en fel.
- Hij spreekt mijn taal. Hij is van mijn verwantschap,
- Wachter van het herboren Israël.
[p. 33]
- DE BAZAR.
-
- Hier is koop en verkoop gewijde kunst.
- De verkoopers zitten stil of zij droomen.
- Zij vragen niet luid aller lieden gunst.
- Zij wachten tot de koopers komen.
- MAANLICHT.
-
- Mijn ziel beleeft het wonder-zonnig maanlicht.
- Mijn zang beschrijft het niet.
- Is dit het Licht van Gods gezegend Aanzicht,
- Dat de Ziel zalig ziet?
- BEZORGD GENOT.
-
- Bezorgd genieten is 't lot, ons beschoren,
- Die zonen zijn van dezen zwaren Tijd.
- Maar toch: wat is gewonnen en verloren,
- Ons blijft het Lied in Heerlijkheid.
- EEN ZIEKE.
-
- Terwijl ik u schrijf in mijn zoeten zomer,
- Is uw lot in uw winter reeds beslist,
- Leven of Dood: vrees niet. Gij zijt een Droomer,
- Die God in uw nabijheid wist.
- STERRENHEMEL.
-
- De Maan strooit de stralende sterren
- Langs den eeuwigen hemel heen.
- Wie waken er nog heinde en verre?
- Mijn hart en mijn lied alleen.
[p. 34]
- AAN.....
-
- De bergen zijn zilver en ver als zeeën,
- De heuvels staan als Hollands duinen daar.
- Meet land en water niet tusschen ons tweeën.
- Is hier mijn ziel buiten gevaar?
- WIJN.
-
- Ik drink den wijn. Zult gij nog eenmaal wezen
- Een glas met wijn, o, Glas vol Wijn?
- Wie zal (wie weet hoe lang na dezen?)
- Weer uw genieter zijn?
- GOD.
-
- Ik vind U overal. Ik vind U nergens.
- Ik wil U beelden met mijn woord.
- Maar machteloos. Waar sterf ik ergens,
- Als allen sterven onverhoord?
- DE STEM.
-
- Gij roept. Ik sidder. En ik kom.
- Nu zal de wreede Eeuwigheid breken.
- Maar het is niets. Uw Eeuwigheid blijft stom
- Voor 't eeuwig smeken.
- HET LIED.
-
- O, kon mijn machteloos lied zwijgen.
- Kon ik stom zijn als de Eeuwigheid.
- Maar neen: zoolang de harten haten en de harten hijgen.
- Kwelt het lied met machtlooze zaligheid.
[p. 35]
- MOEDER.
-
- Wij genoten 't goede naar onze lust.
- Wij vragen God zegen in dankgebeden.
- Moeder voor u niet meer. Is waar gij rust
- Een rust in vrede?
- HAAT.
-
- Knaap, die mijn liedren leest, ook uwe jeugd
- Zal als mijn jeugd vergaan.
- Geene smeekbeden en geen vreugd
- Niets kan Hem weerstaan.
- KLAAGMUUR.
-
- Mijn lippen kussen en mijn handen streelen
- De steenen eeuwen van den Tempelmuur.
- Verheug u weer. Eerste Zonen van velen
- Keer ik tot u in dit gezegend uur.
- MOEDE HERFST.
-
- Ik ben zoo moede. Ik denk aan hen, die waren
- Met mij knapen in eene blijde klas.
- Weer daalt een jaar. De bruine en gele blaren
- Dwarrelen in het gras.
- DROOM.
-
- Een blijde knaap. Na vijf en twintig jaren
- Heb ik vannacht van hem gedroomd.
- Door welke diepten, sinds wij kindren waren
- Is mijn heugen van hem gestroomd?
[p. 36]
- DROEFHEID.
-
- Ik ween. Maar niet om mijn verloren jeugd.
- Maar omdat zij, die met mij knapen waren,
- Als ik verloren hun onschuld en deugd,
- En als ik zwerven door de leege jaren.
- JAFFAPOORT.
-
- Mijn zingend Hart: wat is er mooier
- Dan de Poort van Jeruzalem.
- Waar in de zon een schalken schooier
- Een liedje zingt met een verloren stem.
- EZELTJE.
-
- Ezeltje op uwe sterke hertepootjes,
- Wat gaat gij driftig door de smalle straat.
- Gij struikelt niet over steenen en gootjes.
- Een trouw en sober kameraad.
- SCHIJN EN WEZEN.
-
- De Maan in gloed. Vanwaar vangt hij zijn licht?
- Van de zon. Van waar vangt de zon het zijne?
- 't Is alles schijn, waarmee zij allen schijnen,
- Hun wezen is de glans van Gods gezicht.
- KLACHT.
-
- Neen: niet omdat ik ouder ben geworden.
- Is het, dat mijn bedroefde hartzang klaagt.
- Maar omdat uw oogen en lippen dorden,
- Uw hart niets meer van mijn hart vraagt.
[p. 37]
- ZOMER.
-
- Wat zal ik ziel en zinnen moede maken
- In den zomer, die toch machtloos vergaat?
- De zon verdort. De donkre dagen naken,
- Dat regen en wind langs de ruiten slaat.
- TWIJFEL.
-
- Het Heilig Land: daar branden zijne wegen
- Waar ik vergeefs één schaarsche schaduw zoek.
- Roept het Land ons op tot zijn nieuwe zegen?
- Of weert het ons af met een wreede vloek.
- VOLLE MAAN.
-
- O, rhytme van de donkre en lichte nachten
- Maatslag der Maan, die door de Eeuwigheid gaat.
- Weer bloeit hij vol. Weer meerderen zijn prachten.
- Tot hij stralend tusschen de sterren staat.
- STERREN.
-
- Als de lage lampjes in het dal dooven
- Blijven de sterren stralen in de lucht.
- Zij branden in Gods geheiligde hoven,
- Tot de Nacht voor den Morgen vlucht.
- LEEGTE.
-
- Londen, Parijs, Napels, het rijke Rome.
- Langs zooveel wegen ben ik hier gekomen.
- De ziel vraagt, wat zóó rijke tocht haar liet.
- Een leegte, die zich nooit verzadigd ziet.
[p. 38]
- DE STERREN.
-
- Staan boven iedre stad de sterren anders,
- 't Is Gods hemel, alom, alleen.
- Uw hooge sterren staan hier laag. Mijn branders
- Stralen niet door uw hemel heen.
- DAL VAN SILOUÂN.
-
- De diepe hemel. Het diepe dal.
- De hooge sterren en de lage lichten.
- 't Is alles één en God is overal
- Waar wij getrouw ons werk verrichten.
- VREDE.
-
- De sterren hoog en licht.
- Het lage dal beneden.
- Stil: voor Gods aangezicht
- Zegt alles: ‘Vrede. Vrede.’
- KLAAGMUUR.
-
- In droefheid waar zal ik veiliger weenen,
- Dan met het moede hoofd tegen den Tempelmuur.
- De jaren waaien over ons Volk henen.
- Nog houden we onzen stand en duur.
- DE KLAAGMUUR.
-
- God kent onze smart, als de dagen
- Het hart bezwaren, dat voor den Nacht vreest.
- God hoort allen, maar zij, die klagen
- Tegen den Tempelmuur hoort Hij het meest.
[p. 39]
- VÓÓR DEN AVOND.
-
- Nog lichten in het lage dal geen lampen.
- Nog staan geen sterren aan de stille lucht.
- Maar van de heuvels dalen reeds de dampen.
- De dag vergaat zonder gerucht.
- AVOND.
-
- De eerste lampen in het lage dal.
- De eerste sterren bloeien op den wind.
- Vrede, Gods Vrede is overal,
- O, hevig hart, waarom gij niet Gods vrede vindt?
- HET DAL.
-
- Ik zie de lichtjes in het Dal bewegen.
- Ik zie de lichtjes stil als sterren staan.
- Wie rust van zijn tochten en rijke wegen?
- Wie ziet den Nacht benard en angstig aan?
- NACHT.
-
- Wat zijn sterren aan den donkeren hemel?
- Wat zijn lichten in het donkere dal?
- De Nacht maakt alles één. Het is gewemel
- Van licht in duister overal.
- GRAFGEWELF.
-
- De steenen steunen 't geweldig gewelf.
- En het gewelf grijpt machtig elke steen.
- Geen Uur. Geen Tijd. Over mijn siddrend Zelf,
- Waaien de stormwinden der eeuwen heen.
[p. 40]
- AVONDVREDE.
-
- Straks zal de Nacht er weer zijn, heet en ledig.
- En morgen weer de driften van den Dag.
- Klaag niet, mijn hart, geniet uw avond vredig,
- Gelukkig, dat ik dit beleven mag.
- STERRENACHT.
-
- In 't Dal branden lampen dichtbij en verre.
- De hemel bloeit open, aan sterren rijk.
- Geen Uur. Geen Tijd. Alles is niets gelijk:
- De lage lampen en de stralen sterren.
- GEBED.
-
- Laat mij Gods Dichter zijn, zoolang ik leef.
- Hem zingen al dagen van mijn bestaan.
- Moge mijn Lied, dat ik belijdend geef
- Als offergeur vergaan.
- GOUVERNEUR-GENERAAL R. STORRS.
-
- 't Leven drijft dreigend door de Jaffastraat.
- Hij gaat, Generaal, eerbiedig en trotsch.
- Wat is zijn Droom? Wat is zijn stoute Daad?
- Heerscher der Heilge Stad, door de wil Gods.
- HAMSÎN.
-
- De wegen wit. Wreed-wit. Diep door de dalen.
- De heuvels in de zonnevlagen heet.
- De hemel is een hel van zonnestralen:
- Terwijl de Hamsîn langs mijn lippen vreet.
|