[pagina 41-50]
[p. 41]
- ONRUST.
-
- Gij grijpt het Leven.
- U grijpt de Dood.
- Vermoeid gedreven,
- Langs lust en nood.
- KOLONEL PATTERSON.
-
- Voerder van de eerste Joodsche legerscharen,
- Die de Geschiedenis sinds eeuwen zag.
- Dank voor 't verhaal hoe dapper mijn genooten waren,
- In loopgraven en open slag.
- FREDERIK VAN EEDEN.
-
- Uw huis met heide en dennenbosschen eenzaam.
- Mijn huis, dat over den Olijfberg ziet.
- Maar over wind en water ons gemeenzaam
- Eén Liefde Gods en één belijdend Lied.
- MUZIEK.
-
- Wanneer speelt ge op uwe piano weder.
- Beethovens derde Sonate voor mij?
- En keer ik nooit: uw muziek mild en teder,
- Keert in mijn Lied zijn zachte mijmerij.
- HENRIËTTE ROLL.
-
- Hoe vaak heb ik naar uw muziek geluisterd.
- Muziek, die stormt, of muziek machtig-teer.
- Jeruzalem... Amsterdam.... stil.... het duistert.
- Vindt ge in mijn Lied uw muziek weer?
[p. 42]
- DE RIVIER.
-
- De Maan in 't water, de Maan aan de lucht.
- Wat is hier wezen? Wat is schijn?
- Vraag niet. Geniet uw avondlijk genucht.
- Laat licht en lied u zalig zijn.
- TROOST.
-
- Want óf het Leven, óf de Dood
- Bevrijdt ons van alle bezwaren.
- Kommer u niet om mijn gevaren,
- En schoone nood.
- GELATEN.
-
- Ziel: wat zendt ge uw zinnen om te verzamelen
- Schatten van volle heerlijkheid?
- Voor stoute rijken en voor stille schamelen
- Meet één Dood éénen tijd.
- INZICHT.
-
- Nooit was mijn Leven blijder
- Dan in dit wisselend getij.
- Maar ook: nooit zag ik des Levens geleider
- Den Dood zoo trouw dichtbij.
- OCHTEND.
-
- Het water speelt met den wind.
- De zon komt lachend toegeloopen.
- Machtloos zingend hart: weer begint
- Een dag van hooploos hopen.
[p. 43]
- MOEDE.
-
- Het leege Leven,
- De leege Dood.
- Waarom word ik gedreven
- Langs ijdle lust en ijdle nood?
- HET LIED.
-
- Waar geen woorden binnendringen
- Vindt des Dichters woord zijn rijm.
- Zijne liedren zingen
- Hun troostend geheim.
- HET OUDE LIED.
-
- Een lieve jongen en een héél lief meisje....
- Ik leg mijn hand op mijn hart zwaar van pijn.
- 't Is altijd weer dat oude, nieuwe, wijsje.
- Misschien zal 't leven hun genadig zijn.
- DE WIND.
-
- De wind waait zijn eeuwig gedruisch
- Van den Olijfberg om ons huis.
- De wind van Londen, Rome, Napels en de Zee.
- De wind van mijn doodenstee.
- OFFICIERENFEEST.
-
- De dooden dood, en zij, die leven
- Genieten vreugde of lijden leed.
- Wat is er meer voor ons, die voortgedreven,
- De Dood toch niet vergeet?
[p. 44]
- BIJ DE BRON.
-
- En heel dit landschap is tooneel.
- 't Mild leven is hier één gespeel.
- De Dood waakt, een almachtig regisseur,
- Over elke schaduw en elke kleur.
- ONRUST.
-
- Vind ik te Jeruzalem rust en vrede,
- Die mij rustloos te Amsterdam nooit geviel?
- O, vrager dwaas, niet in deze of een andre stede,
- Is rust of onrust, maar slechts in uw ziel.
- ONTWAKEN.
-
- Hij lachte en bracht als elken middag mild in schroom,
- Twee sinaasappels en de koffie sterk gezet.
- Ik dronk en waakte. Niet Napels, een sluwe droom.
- Jeruzalem: tijd voor 't ochtendgebed.
- KLAAGMUUR.
-
- Wat zou die Muur meer dan eene muur zijn
- Wanneer hij niet gemuurd stond in ons hart.
- Het is geen muur van steen, maar Muur van pijn,
- Geen Macht verzet zijn smart.
- ZEE VAN JAFFA.
-
- O, levend wonder, kon ik u doen leven
- Voor die lezers zijn van dit kleine lied.
- Maar hoe zal ik in weinig woorden geven
- Wat mijn oog zóó vol vreugden ziet.
[p. 45]
- BRANDZON.
-
- De zon. De zon. De zon. Wat zoude ik geven
- Om eens door een Hollandschen wind te gaan.
- Maar mijn lot lag besloten in mijn leven.
- En ik leed ook, had ik anders gedaan.
- THUISKOMST.
-
- En als ik weerkwam en de bel liet vallen
- Zijn snelle klanken door de wijde gang.
- Hoe zoudt ge dan verbaasd staan, mijn lieve allen.
- Maar ik keer niet, schoon ik verlang.
- TROOST.
-
- Troost u, want was ik in Holland gebleven,
- 't Verlangen naar dit Land liet mij geen rust.
- In onrust geboren, word ik gedreven
- Tot waar de Dood mij kust.
- BERUSTING.
-
- Wie te Jeruzalem sterft, vindt zijn stede
- Waar de Olijfberg diep helt naar 't lage dal.
- Wat zal ik dan nog zwerven in onvrede?
- Gods aarde wacht ons overal.
- HEIMWEE.
-
- En is mijn verlangen tot rust gekomen
- Naar Jeruzalem, nu laat mij geen rust
- Verlangen naar Holland, zijn diepe stroomen
- Zijn woud en weide, duin en kust.
[p. 46]
- GRAFSTEE.
-
- Langs vreugd gedreven en tot vreugd gezeten,
- Wat is het, dat het laatste lot hem liet?
- Zooveel aarde als een doode wordt gemeten
- Waar de Olijfberg over de dalen ziet.
- JOODSCHE RUITER.
-
- Hij heeft zijn paard buiten de Poort gelaten.
- Hij zit met ons saam aan het middagmaal.
- Zoo stout, zoo sterk, als mijn Hollandsche maten.
- Maar hij spreekt Hebreeuwsch, onze rijke taal.
- EEN RUITER.
-
- Ik vroeg: ‘Was het niet héél heet langs de wegen’
- Hij zeide: ‘Ik kwam gereden in de Nacht’
- Meer niet. Maar mijn Lied lachte hem genegen.
- O, Joodsche Ruiter: van ons Volk de kracht.
- LENTE.
-
- Ik ga vanavond uit zonder lantaarn.
- De volle maan hangt zijn licht in de lucht.
- En van de Olijfberg komt de wind gevaren,
- De lentewind, zóó zoet als zomervrucht.
- NIETS.
-
- 't Is alles niets. IJdelheid. IJdelheid.
- De lente.... tranen.... Pyramiden.... jeugd....
- Mijn eigen Joodsche vriend.... al zijne vreugd.
- Machtloos tegen de Eeuwigheid is de Tijd.
[p. 47]
- TIJD-EEUWIGHEID.
-
- Machtloos tegen de Eeuwigheid is de Tijd.
- Maar óók: de Eeuwigheid kan Tijd niet verslaan.
- Den Tijd, die de Eeuwigheid eeuwig bestrijdt.
- En eeuwig winnend moet eeuwig vergaan.
- TIJD-EEUWIGHEID.
-
- Geen dag, die duurt. Maar zoude ik de onduur weten
- Van iederen dag zonder de Eeuwigheid?
- Waaraan zal ik tijdlooze Eeuwigheid meten
- Dan aan den eeuwigen onduur van den Tijd?
- ADIL EFFENDI.
-
- O, zal de Nacht ook voor hem leeg en heet zijn?
- Die naast mij rijdt, Adil, een stoute knaap.
- Zal 't leven hem vol lust en onlust wreed zijn.
- Eén marteling waken en slaap.
- NACHT.
-
- Als we in deze Nacht aan alles ontsterven,
- Deze tedere Nacht, zou 't niet goed zijn?
- Wat kunnen wij zwervend nog meer verwerven,
- Dan nog wat vreugde en pijn?
- BERUSTING.
-
- O, laten wij berusten in den Tijd.
- En niet meer worstelen met de Eeuwigheid.
- Geniet uw avondvrede, kameraad.
- Is de dag dan niet schoon, omdat de dag vergaat?
[p. 48]
- EEUWIGHEID.
-
- Eeuwigheid: breek tot vaagsel al mijn dagen.
- 't Is toch eeuwig vaagsel, dat gij mij breekt.
- En gij waart niet, zonder mijn tijdelijk klagen.
- Wat was uw stilte als niet mijn wanhoop spreekt?
- KWATRIJNEN.
-
- Die na mij komen, lezen mijn kwatrijnen.
- Zij zullen sidderen, als zij verstaan,
- Met welk een marteling van hartepijnen
- Ik zingend door het Leven ben gegaan.
- DOODSANGST.
-
- Ik weet zeker, dat Gij zult overwinnen,
- Eeuwigheid: met uw slechten knecht, de Dood.
- Maar met mijn ziel en mijne felle zinnen,
- Zal 'k u bestrijden tot mijn laatste nood.
- STRIJD.
-
- Ik waakte en ben den stuggen strijd begonnen.
- Tegen het Oogenblik en de Eeuwigheid,
- Totdat ik in de laatste snik verwonnen
- Mijn leden tot de laatste rust bereid.
- OOGENBLIK-EEUWIGHEID.
-
- Kon 'k één oogenblik hen getweeën scheiden:
- Oogenblik en Eeuwigheid,
- Of één oogenblik hen vereenen beiden,
- Ik rustte van mijn strijd.
[p. 49]
- TWEE ARABIEREN.
-
- Eén heeft een kaftan donkerblauw verschoten.
- En de ander eene kaftan zwaar en paars.
- Zij spreken als twee vertrouwde genooten.
- Leven is toch wel iets héél wonderbaars.
- R. CHAÏM SONNEFELD.
-
- Boven alle schat houdt Gij Gods Leer heilig.
- Van ochtend tot avond uw hartelust.
- In uw armoede leeft gij vroom en veilig,
- Voor al wat een genieter verontrust.
- PASCHEN.
-
- Nacht der Bewaring: bewaar, God, bewaar mij
- Voor wat vannacht en andre nachten dreigt.
- Voor schanden en voor medelijden spaar mij
- Tot mijn leven in laatste snikken zwijgt.
- ONRUST.
-
- Is mijn hart uitgeleden?
- Is gezongen mijn Lied?
- Neen, neen: Ik vind geen vrede.
- En rusten kan ik niet.
- BONT LEVEN.
-
- Londen, Rome, Parijs: het zijn maar straten
- Van de Stad, waardoor ik verlangend reis.
- Oovral vind ik wel wijn en vrije Maten,
- En zingt mijn Lied zijn wijs.
[p. 50]
- ONRUST.
-
- De Zon van Napels was zoo licht.
- De Zee valt daar zóó teer.
- Jeruzalem.... in mijn gedicht
- Vindt ge altijd onrust en verlangen weer.
- ONZEKER.
-
- Droom ik van Jeruzalem te Amsterdam?
- Of leef ik wakker te Jeruzalem?
- Ik vraag. Maar als er antwoord kwam
- Ik zou weer vragen: ‘Is dit Droom of Stem?’
- PAASCHNACHT.
-
- Brood der ellende, dat onze ouders aten.
- Brood der ellende, dat ik daaglijks eet.
- Jeruzalem.... ik ben hier zóó verlaten,
- Die geen genoten Nacht vergeet.
- PAASCHNACHT.
-
- Heilgen Wijn: vannacht drinken wij met mate
- Vier voorgeschreven bekers en niet meer.
- O, God, waarom heb ik vrijheid verlaten?
- Voer mij tot den ongewijden wijn weer.
- BERUSTING.
-
- Verlangen, genot, gemis,
- 't Is alles, alles, één.
- Wat onverganglijk is?
- Verganklijkheid alleen.
|