[pagina 51-60]
[p. 51]
- STRIJD.
-
- Het oogenblik is 't oogenblik der Eeuwigheid.
- De Eeuwigheid is de eeuwigheid van het oogenblik.
- Van den ochtend tot den avond voer ik
- Tegen hen beiden machteloozen strijd.
- AAN FREDERIK VAN EEDEN.
-
- ‘Zendt dan uw ziel een wijl naar 't neevlig Noorden,
- Gedenk den verren vriend en deze woorden’
- Mijn Vriend: het einde van uw afscheidslied.
- Hier ben ik thuis, maar ik vergeet u niet.
- GOD.
-
- Voor God vluchtte ik, langs zóó veel lust gedreven,
- Naar God, naar God alleen.
- Ik wil terug naar mijn Godde-loos leven.
- Geen macht dan God brengt mij daarheen.
- ONMACHT.
-
- Kon ik mijn Zelf aan de Eeuwigheid gansch geven.
- Of gansch van de Eeuwigheid vrij zijn.
- Maar eeuwig langs het Oogenblik gedreven,
- Hijgt mijn ziel van pijn.
- DROEF DANKLIED.
-
- Adil: kon ik één blij lied voor u zingen.
- Gij zorgt zóó mild voor mij.
- Maar in mijn Lied weenen herinneringen
- Van zóó veel liefs, voor goed voorbij.
[p. 52]
- EERSTE WIJNVREUGD.
-
- Gij schenkt den Wijn ter eer van ons ontmoeten,
- Terwijl gij machtig vleit.
- Ik denk aan 't na verraad en in den zoeten,
- Den zachten wijn proef ik reeds bitterheid.
- VRIENDSCHAP.
-
- De scheiding martelt mij reeds in 't ontmoeten.
- In ieder lief woord proef ik uw verraad.
- Schenk mij den wijn, den droeven en den zoeten,
- En geef mij vreugd tot vreugd vergaat.
- HET ZELF.
-
- Is alles niets. Het eigen Ik,
- Dat dit beseft is altijd iets.
- Blijft van de Eeuwigheid eeuwig niets,
- Toch nog het eeuwig oogenblik.
- BIJ DE BRON.
-
- Een bloementuin, een schaduwhoek,
- Waarin de zon zijn wondren spint.
- Alles, wat ik machteloos zoek,
- Vindt hier een spelend kind.
- LENTEWIND.
-
- De wind kust mijne wangen.
- Mijn mond kust blij den wind.
- Weg waait al mijn verlangen.
- Zoo rustig als een kind.
[p. 53]
- GELEIDING.
-
- Ik ben (wat zochten mijn geheime zinnen?)
- Doelloos verdwalend langs wegen gegaan.
- Buiten de stad.... een tuin.... een huis, daarbinnen
- Zag ik een knaap peinzend voor zijn bed staan.
- KATAMON.
-
- De vogels zijn vervlogen.
- De menschen zijn gegaan.
- Met tranen in mijn oogen.
- Staar ik 't verlaten landhuis aan.
- SLAPEND KIND.
-
- Want wat de vogels spreken met den wind,
- En van den wind het minnend wederwoord,
- Dat verstaat hier het droomend kind.
- Maar ik, die zwaar ga, heb het niet gehoord.
- LENTE.
-
- Wie kent het Lied, wie kent de Maat,
- Wie kent het rijke Rijm?
- De vogel, die in vrijheid slaat
- En de wind zwaar van zoete zwijm.
- GEHEIM GELEIDE.
-
- Dacht gij te dwalen, Dwaas. Uw zinnen zochten
- Gretig, wat ij thans, als verwonderd vindt.
- Den tuin, de zon, peinzend van zijne tochten
- En bij de bron, het slapend kind.
[p. 54]
- DROOM.
-
- Vannacht.... ik droomde. (Of waakte ik? Was het dag
- En droom ik thans het lied, dat ik u schrijf?)
- Ik zag, hoe schoon Amsterdam westwaarts lag
- Aan water wijd en vol bedrijf.
- BOOSHEID.
-
- Dood en Leven? IJdelheid. IJdelheid.
- Wat ben ik, die Dood en Leven beseft?
- Mijn driften drijf ik door den droeven tijd.
- Tot hen het lot van ieder drijver treft.
- LENTE-AVOND.
-
- Onrust en bloei. De lente lokt. De lente,
- Met mild gefluister door het avond-uur.
- De herdersknapen keeren naar hun tenten.
- Of liggen onrustig voor 't spelend vuur.
- KATAMON.
-
- De vijgen rijpen al in Katamon.
- Diep in het dal bloeien de roode rozen.
- Een Arabische knaap breekt uit de bron
- De diepe, stille, bron het water op bij poozen.
- ONRUST.
-
- 't Is alles onrust en brekende bloei.
- De roode rozen en de rijpe vijgen.
- Zeg honderd jaar.... nog honderd.... weder hijgen
- Dan nieuwe harten in een nieuwen groei.
[p. 55]
- DROEFHEID.
-
- Gisteren was het mijn verlangen,
- Wat heden genot is.
- Morgen beweenen mijn machtlooze zangen
- Machtloos gemis.
- GOD.
-
- Uw aanwezen? Eeuwige afwezigheid.
- Ik zoek overal en waar vind ik ergens?
- En toch weet ik, dat Gij overal zijt.
- Gij geeft U in alles. Gij geeft U nergens.
- JONGE HERDERS.
-
- Zij weten niets, mijn Arabische knapen,
- Van al wat mijn hijgend hart verontrust.
- Zij sterven zalig, als zij zijn geschapen,
- In ongebondenheid en hartelust.
- MIJMERING.
-
- De fel-rijpende granaatappels hangen
- In schaduw van 't geblaarte zonnig-teer.
- Ik mijmer en in de maat van mijn zangen
- Proeft gij daarin de rijpe vruchten weer?
- RUST.
-
- Wat zal ik heden weten,
- Wat morgen mijn Lied zingen zal?
- In één zalig vergeten
- Wacht ik 't Lied, dat Morgen uit mijn Hart dringen zal.
[p. 56]
- VREDE.
-
- Iedren dag zijn leven.
- Iedren dag zijn Lied.
- Liefde en lied gegeven.
- Rijkdom heb ik niet.
- HERDERS.
-
- In ongebondenheid zijn zij ontvangen.
- In ongebondenheid wekken zij weer.
- Mij martelt staag het gebonden verlangen.
- Wat baat mij de zede en wat baat mij de eer?
- EEN KNAAP.
-
- Al uw verlangen was eens mijn verlangen.
- En al uw rijk genot was mijn genot.
- In de zachte mijmering van mijn zangen
- Weent ook uw Lot.
- ZWERVERS.
-
- Zij weten niets van zeden en van zonden.
- En niets van al onze gebonden eer.
- Maar waar zij, zat van zon, de schaduw vonden
- Leggen zij zich te samen neer.
- RUSTLOOS LIED.
-
- God: waarom zendt Ge mijn rustlooze zangen,
- Die mij storen diep in onze gebeden?
- Ontbindt mij van al mijn verlangen,
- En geef Uw vrede.
[p. 57]
- JERUZALEM.
-
- In Amsterdam was het mijn heilge Stad.
- Hier is het een stad vol geheime straten.
- Een driftig volk van verleidlijke Maten.
- 'k Heb steeds schoonheid meer dan heiligheid liefgehad.
- SCHOONHEID.
-
- Hoe vaal zou vreugd zijn zonder Lied.
- En leed ondraaglijk zonder zang.
- Schoonheid, mijn Vriend, verlaat mij niet.
- Het bitter leven lang.
- KLACHT.
-
- Niets dwazer dan het klagen om een Doode.
- Niets dwazer dan om levenden één klacht.
- Voor korten tijd zijn wij genooden
- Dan wordt het nacht.
- SCHOONHEID.
-
- Ik kan niet leven zonder schoonheid.
- Ik kan niet leven zonder lied.
- Al uw weelde, al uw rustige gewoonheid,
- Zijn meer dan mijn onrustge schoonheid niet.
- ADIL.
-
- Gij kunt niet zonder onrust bloeien,
- Stoute Knaap, die tot een stouten Man rijpt,
- Van onrust tot onrust, zóó zult gij groeien,
- Tot rust des Doods uw onrust grijpt.
[p. 58]
- AAN EEN ONRUSTIGE.
-
- Al wat gij lijdt, heb ik geleden
- Door dagen dor, door nachten leeg en heet.
- Als ik het kon, hoe graag gaf ik u vrede.
- Maar ik ben een, die van geen vrede weet.
- WANHOOP.
-
- Want in den wijn proeft elk Man zijn verleden.
- Ik proef in elken wijn slechts bitterheid.
- Ik heb vergeefs gedwaald, vergeefs geleden.
- Zwaarder dan te Amsterdam is hier mijn strijd.
- SUBHI.
-
- Onrustige Vriend: dit zijn uw schoonste jaren.
- Gij voelt uw jeugd als een machtloos gemis.
- Met teedre vrees voor al schuwe gevaren,
- Die meer dan het genoten gevaar is.
- DE STILLE TUIN.
-
- 't Leven raast door Rusland en Hongarije.
- Hier bloeit de rozentuin Katamon rijk.
- O, Leven, dat vermoeid van vreugd en schreien,
- Nog bloedend bloeit, roode rozen gelijk.
- DE TAAL.
-
- Het meest verlang ik weer de taal te hooren.
- De taal van Holland, altijd om mij heen.
- Hier leef ik, half verheugd en half verloren.
- De taal van mijne liedren spreekt niet één.
[p. 59]
- HEIMWEE.
-
- Kon ik vanavond dwalen langs een vaart.
- Een Hollandsche vaart onder Hollands luchten.
- Waar kalme tjalken varen breed-bedaard.
- En vogels strijken hunne laatste vluchten.
- HORIZON.
-
- Wonder, dat aarde en hemel bindt.
- Wonder, dat aarde en hemel scheidt.
- Waar de zwerver verdwaalt, hij vindt
- Elken avond uw tederheid.
- KLAAGMUUR.
-
- Denk niet te veel aan deze Muur van Steenen.
- De Tempelmuur bouwt in uw kloek Joodsch hart.
- Wel dringt het Woord zich dicht door alles henen.
- Maar eeuwig is, wat woorden tart.
- AVOND.
-
- Wanneer het niet meer dag en nog geen nacht is,
- Voordat de sterren aan den hemel staan.
- Wanneer de wind zóó wonderzoet en zacht is,
- Laat ik mijne droomen naar Holland gaan.
- HERDENKEN.
-
- Wat is de Zaan een mooie, breede, stroom.
- Ik ben een jongen te Zaandam geweest.
- Jeruzalem: zóó teder als een droom,
- Herdenk ik hier mijn jeugd en elk Joodsch Feest.
[p. 60]
- HOLLAND.
-
- Moest ik Holland, onrustig, eerst verlaten
- Om te weten, hoe rijk en schoon het is?
- Onrustig hier, herdenk ik in de maten
- Van mijn lied mijn machtloos gemis.
- ADIL.
-
- Gij wilt uw jeugd voor mijne jaren geven?
- Ik geef gaarne mijn jaren voor uw jeugd.
- Gij wordt door uw stout verlangen gedreven.
- Terwijl mij niets dan machtloos missen heugt.
- HET EEUWIG LIED.
-
- Toen een vogel in den tuin Katamon floot,
- Nazem het paard Saïed bereed.
- De Maan zijn licht langs Silwân goot,
- Was mijn Lied sterker dan mijn Leed.
- VERGANKLIJKHEID.
-
- Toen mijn leven arm en machtloos was,
- Heb ik getroost aan den nabijen Dood gedacht.
- Nu, te paard, rijdende van pracht naar pracht,
- Denk ik: ‘het gaat te ras.’
- DWAASHEID.
-
- O, dwaze Knaap, die om den Grijsaard lacht.
- Dwaze grijsaard, die den Knaap jeugd benijdt.
- Of niet des grijsaards lot den jongen wacht,
- De grijsaard niet jong was te zijner tijd.
|