[pagina 71-80]
[p. 71]
- SNEL ALS WATER.
-
- Grijp het water.
- Grijp den Tijd.
- Nu of later,
- Eén eeuwig-wisslende eeuwigheid.
- GESTORVEN GRIJSAARD.
-
- Gij hebt Leven genoten, wat is 't Leven?
- Gij zijt gestorven, wat is Dood?
- Wat is over de donkre grens gebleven
- Van al uw zinnelijke nood?
- DWAZE TROUW.
-
- Ik ken een Dichter te Jeruzalem,
- Een Arabier, die zijnen Vriend verloor
- Voor veertig jaar en veertig jaren door
- Op den doodsdag gedenkt een treurlied hem.
- MAANLICHT.
-
- Als ik alles vergeet, zal 'k niet vergeten,
- Jeruzalem, uw maanlicht in de Nacht
- Wanneer ik voor de stille straat gezeten
- Het naamloos Wonder wacht.
- L.E.J. BROUWER.
-
- Hoe zal het woord ooit zonder rest doordringen
- Het continu, waar 't Leven zich voltrekt?
- Dat kan alleen des Dichters Woord, wiens zingen
- Zijn intuïties in het luistrend hart wekt.
[p. 72]
- EEN BRIEF.
-
- Hij schreef: ‘Mijn jongens groeien. Mijn moeder wordt oud’
- O, Vriend, ik heb uw jongens in hun wieg gekend.
- Wel ver van u heeft het Lot mijn wegen gewend.
- En ik beschrei het zóó: geen leven, dat zich houdt.
- ZIJN BRIEF.
-
- ‘De bijen vliegen en de roerdomp brult
- De mist trekt op, die 't lage land verhult’
- Zijn brief uit Holland. In het hart geraakt,
- Heb ik zijn woorden tot mijn lied gemaakt.
- VRIENDSCHAP.
-
- Dit is Vriendschap, die boven alles lief blijft,
- Die de donkre drift der jaren weerstaat.
- Als hij, ver uit Holland, mij eenen brief schrijft
- Vindt mijn lied voor zijn woorden rijm en maat.
- FREDERIK VAN EEDEN.
-
- Haters en drijvers: kent gij die verwantschap?
- Uit zijn brieven leest mijn hart troostend Lied.
- Ons scheidt de wijde zee en 't bonte landschap.
- Maar onze vriendschap wankelt niet.
- ALS WIND EN ZEE.
-
- De wind vraagt niet, waarom hij ruischt.
- De zee vraagt niet, waarom hij bruischt.
- Wat vraagt gij, rustloos menschenkind,
- Meer dan de zee, meer dan de wind.
[p. 73]
- IN VREDE.
-
- De kleine weg, die windt, maakt mij nieuwsgierig.
- Ik ga, gelijk de wegen gaan.
- Waar tarwe ruischt en boomen hoog en zwierig
- Waaien in 't zonlicht van de Maan.
- MAANNACHT.
-
- Hoe kan ik te Jeruzalem verdwalen
- Als God mij zelf geleidt.
- En de Maan het zonlicht van zijne stralen
- Over de wegen spreidt.
- DE BLOEMEN.
-
- Wat bloemen vragen aan den wind,
- Die hunne blaadren wreed verspreidt,
- Vraag dat, o, vragend menschenkind,
- Aan de Eeuwigheid.
- RUST.
-
- Mijn leven is niet grooter dan mijn wijnglas.
- Geen Eeuwigheid duurt langer dan mijn lust.
- Alles, wat aan vreugde en verlangen mijn was
- Laat mij vanavond rust.
- ZIJN BRIEF.
-
- ‘Mijn jongens groeien, mijn moeder wordt oud’
- In één regel, de wanhoop van het leven.
- Zijn Moeder wordt door hem ter Dood gedreven.
- En hem drijven zijn Zonen sterk en stout.
[p. 74]
- HASSAN.
-
- Alleen een witte broek en een blauw truitje.
- 's Avonds vouwt hij zijn bloote pootjes saam
- Onder zijn sierlijk lijfje en op zijn fluitje
- Speelt hij van zaligheid zonder naam.
- SMEEKBEDE.
-
- Eeuwigheid: geef den dag van gistren weder.
- En ik zal morgen weer gelukkig zijn.
- Maar gij geeft niets. Ik leg mij neder
- In één kwellende pijn.
- SLAPENDE KNAAP.
-
- Op 't zonnig muurtje bij de Jaffapoort,
- Legt hij, de stoute Knaap zich slapend neer.
- Het leven drijft zijn dwaze driften voort.
- Hij glimlacht in een droom zoo teer.
- WIJSHEID.
-
- Is niet wijzer de Knaap, die droomend rust,
- Waar de zon zalig schijnt over de Muur.
- Dan hij, die drijft van lust tot lust
- In één verlangen zonder duur.
- NAAR SCHOOL.
-
- Geen lied gaat zóó goed in de Maat
- Als deze kleine kameraad.
- Die zich van huis naar school toe haast
- En mijn Lied door zijn schoon verbaast.
[p. 75]
- NADERING.
-
- O, Tijd, die mij van een Knaap ongepijnd,
- Gemaakt heeft tot een drift-gepijnigd man,
- Ik voel het zeer: gij drijft mij naar het eind,
- Dat ieder vreest en niemand keeren kan.
- EEUWIGE TIJD.
-
- Mijn Vader was een Knaap. Ik ben geworden
- Ouder dan hij bij mijn geboorte was.
- Geslachten bloeiden en geslachten dorden:
- De Eeuwige Tijd gaat ras.
- BEGRAFENIS.
-
- Vier dragers dragen hem met lichte schreden.
- Hij strekt, die stierf, op zijnen doodenbaar.
- Straks is het lot der dragers óók geleden
- En valt hun hart, als zijn hart, dood en zwaar.
- DROEFHEID.
-
- Ik ben moede van 't leven.
- En ik wil niet sterven.
- Zoo word ik machteloos gedreven
- Langs verlangen en verderven.
- ONRUST.
-
- Rusten in 't Leven kan ik niet.
- Rusten in de Dood wil ik niet.
- Mijn angst en wroeging ban ik niet.
- Mijn doffe klagen stil ik niet.
[p. 76]
- SABBATH-UITGANG.
-
- Twee sterren staan in 't avondblauw zóó ver.
- Nu wachten wij samen de derde ster.
- Dan wijden wij hier bij den Tempelmuur,
- Den Sabbath uit, in 't heilig avonduur.
- GENERAAL DJOUNKOVSKY.
-
- Wel waart gij streng. Maar eens toch zijt gij teder
- (Mijn lied gedenkt het!) voor mijn Vriend geweest.
- Uw getij keerde. Een vijand schoot u neder
- (Mijn lied beweent u!) gelijk een hondsch beest.
- HAVEN VAN ZAANDAM.
-
- Eén oogenblik bracht de Eeuwigheid bijeen
- Het schip Sint-Kilda en den Joodschen Knaap.
- Op welke winden voer de zeiler heen?
- Wat beulen droomen mijn onvaste slaap?
- KONING DAVID.
-
- Want dat Gij Koning waart, het was vergeten.
- Maar dat Gij Dichter waart, vergeet men niet.
- Uur in, uur uit, hier bij de Muur gezeten
- Bidden de Vromen van mijn Volk uw Lied.
- KEUZE.
-
- O, dat ik het behouden kon.
- Alles, wat ik zinnelijk won.
- Of dat ik leeg van ziel en zin.
- Voor 't Leven van den Dood niets win.
[p. 77]
- SINT-KILDA.
-
- Zeg nog eens weer ‘Sint-Kilda,’ dan bloeit open
- Onder de lage lucht, de haven van Zaandam.
- Stoomers stampen, lossers en laders loopen.
- Een barkschip ligt stil, dat uit Zweden kwam.
- TWIJFEL.
-
- Wat wacht ik in dit avonduur,
- De Stad beslopen door de slaap,
- Gezeten bij den Tempelmuur:
- God of den Marokkaanschen Knaap?
- VREDE.
-
- Ik dwaalde veel en ik heb veel geleden,
- Tot aan het uur van dit verzoenend leed,
- Dat ik hier bij de Klaagmuur spreek mijn beden,
- En rustig blijf, terwijl ik niets vergeet.
- KLAAGMUUR.
-
- De lentewind is hier ook zoel en teder.
- Ik wacht de drie sterren van 't Avonduur.
- Dan leg ik mijn hoofd verbiddend ter neder,
- Met zooveel rouwenden tegen den Muur.
- OCHTENDGEBED.
-
- Ga ik naar de Klaagmuur voor de gebeden?
- Of voor den kleinen Marokkaanschen Knaap?
- Die stout van lach en liefelijk van leden
- Mij dringend riep in onrustige slaap.
[p. 78]
- KLAAGMUUR.
-
- Ook hier ben ik de zinnelijke Dichter,
- Genietend door zoo menig Land gegaan.
- De lach van den Marokkaan valt mij lichter
- Dan 't weenen van wie met mij biddend staan.
- WOEDE.
-
- Neen: ik ben om te weenen niet geboren
- Hier met mijn Volk tegen den Tempelmuur.
- Laat de lach van wie schoon zijn, mij bekoren
- Van ieder volk, op ieder uur.
- VREUGD.
-
- Mijn gebed is het Lied van Vreugd.
- Mijn God is enkel schoone Jeugd.
- In onrust geboren.
- In onrust verloren.
- VERLEIDER.
-
- Hij weet, wanneer ik komen zal.
- En ik ga, omdat hij het weet.
- Tegen het uur, dat de avondval
- De lucht stil maakt en 't luide leed.
- BACKSCHISCH.
-
- Hij loopt zoo lief op zijne bloote pootjes.
- Of zijn woorden op bloote pootjes gaan
- Zóó lief vraagt hij backschisch. En zijn genootjes,
- Die backschisch vragen, komen om ons staan.
[p. 79]
- SMART.
-
- Waarlijk: ik zoek de smarten niet.
- Ik zoek de vrijheid en de vreugd.
- Maar smart besluipt mijn hart en lied
- Sinds mijn verloren jeugd.
- ELIËZER BEN JEHOEDAH.
-
- Gij, die de Taal boekt en die de Taal bouwt,
- De schat, die ons Volk zich door de eeuwen won
- Als Minnaar en Meester in uw Hart houdt:
- Dat 'k U in een Hebreeuwsch Lied danken kon.
- GEBED.
-
- O, God, ben ik een van Uwe leenlaten,
- Laat mij dan niet alleen met dit wreed Lot.
- En ben ik niet? Laat mij dan los, mijn Maten
- Wachten met vreugde en vrije spot.
- AAN VELE VRIENDEN.
-
- Want nooit te vergeefs zend ik mijn verlangen
- Naar schoonheid. Dit is des Dichters geheim:
- Die hem bekoort, dien viert hij met zijn zangen
- Maatvol en rijk van ruischend rijm.
- WEIFELING.
-
- Waarom ga ik op 't avonduur,
- Het teder avonduur naar den Heiligen Muur?
- Omdat mijn hart tot God zijn smarten klaagt?
- Of omdat Hassan daar mij vleit en vraagt?
[p. 80]
- KLAAGMUUR.
-
- De Klaagmuur: mijn onwankelbaar geweten,
- Waaraan ik de macht van Gods Liefde weet.
- Of ik in het wijdend gebed gezeten
- Hassan gedenk of hem vergeet.
- VERMANING.
-
- Omdat geluk niet eeuwig duurt
- Is daarom geen geluk geweest?
- Drink uw wijn vóór dat hij verzuurt.
- Slechts één Nacht duurt een nacht van feest.
- TROOST.
-
- Jeruzalem: laten ook hier de menschen
- Maar menschen zijn, met al wat menschlijk is.
- Hun kleine daden, al hun enge wenschen,
- Toch voel ik hier minder mijn zeer gemis.
- WANKELING.
-
- De lente-zomeravond.... van verlangen,
- Van angst en onrust hangt mijn hart wel zwaar.
- Maar o, de zoele wind kust mijne wangen.
- En de avondhemel bleekt zoo wonderbaar.
- SARA ZILVERSMIT-GOLDSMID.
-
- Moeder van veertig moederloozen,
- Die trouwer dan een eigen moeder zijt,
- Uw oogen blinken, uwe wangen blozen,
- (Mijn Moeder stierf) wijl gij den Sabbath wijdt.
|