[pagina 81-90]
[p. 81]
- AVOND.
-
- ‘Wat zijn de zinnen en wat is de ziel?’
- O, dwaze vrager, laat u kussen door den wind,
- Die den heeten dag heenwaait en begint
- Zijn tochten door het land nu de avond viel.
- RUST.
-
- Zacht.... de avond komt van ver.... heel verre,
- Boven de Stad staan al de sterren.
- En door het dal van Silouân,
- Zie ik de boeren huiswaarts gaan.
- ONRUST.
-
- Wanneer de vromen zijn gegaan,
- De Tempelmuur alleen blijft staan,
- Geen man meer weent, geen vrouw de steenen kust,
- O, God, mijn God, dan vind ik nog geen rust.
- VERLANGEN.
-
- Mijn onrust drijft mij. Wat zoude ik weer gaarne
- Knaap zijn in het lage land langs de Zaan.
- Of weer in Haarlem, waar boven het Spaarne
- Nu zeker schooner sterren staan.
- ZOMER.
-
- Eens bloeit de zomer, dat verloren
- In zon, als nu, de vogels fluiten.
- Maar dat ik het niet meer zal hooren,
- De Stad is schoon. Gods Hof ligt buiten.
[p. 82]
- HAARDVUUR.
-
- Wat drijft het vuur?
- De wind.
- O, mijn onrust, die dag noch uur
- Uw vrede vindt.
- NIEUWEMAANSFEEST.
-
- Weer keert een maand. Weer zeg ik de gebeden
- Gelijk gesteld voor het Nieuwemaansfeest.
- In het Gebed proef ik, dat weer geen vrede
- Mijn leendeel is geweest.
- AAN......
-
- De zwaluwen vliegen ver.... zóó ver.
- Van verder komt uw brief.
- In 't avondblauw bloeit ster na ster.
- Vergeet mij niet. Ik heb Holland zoo lief.
- JEUGD.
-
- Uw jeugd is jeugd. Omdat al jeugd vergaat
- En gij de jeugd slechts aan ouderdom meet,
- Geniet daarom niet minder al uw baat.
- Het Feest vergaat vóór dat de drinker 't weet.
- WANHOOP.
-
- Dat mijn ziel door vreugd en wroeging geteisterd,
- Verlangde naar Jeruzalem en rust.
- En dat ik hier, gehavend en ontheisterd,
- Verbrand van wanhoop, die de Dood slechts bluscht.
[p. 83]
- SCHEIDING.
-
- ‘Wij zitten weer onder de beukenboomen’
- Zoo schreef hij. En ik lees.... ik hoor zijn stem.
- Laat landen strekken en de zeeën stroomen
- Tusschen zijn landhuis en Jeruzalem.
- EEN BRIEF.
-
- Zijn brief: ‘De boomen rijker dan ik zag,
- De peren zijn als een witte boeket.
- En de appelen als rozen rood. En rag
- De bruine beuk tegen de blauwe lucht gezet.’
- HOLLAND.
-
- Wat Holland bloeit, lees ik in zijne woorden:
- ‘Het is hier heet voor Holland en voor Mei.
- De waterbloemen langs de waterboorden.
- En elke dag gaat angstig-snel voorbij.’
- EEN KIND.
-
- Het verlangen van een Kind gaat niet ver.
- En zijn herinneren reikt nog niet wijd.
- Ik ben geen kind.... ik verlang her en der,
- En ik herinner mij verboden heerlijkheid.
- DROEFHEID.
-
- Die 's avonds langs den Jaffa-straatweg loopt,
- Met een anjelier, die naar kaneel geurt,
- Die geen verlies telt en geen winst meer hoopt,
- Hij weent en weet niet, wat met hem gebeurt.
[p. 84]
- BEMOEDIGING.
-
- Vanmiddag heb ik Jesajah gelezen.
- Toen ben ik naar de Tempelmuur gegaan.
- O, Rest van Israël: wat is uw vreezen?
- Eeuwen heeft in ons hart de Muur weerstaan.
- MOED.
-
- God heeft mij naar dit Land doen gaan.
- God laat mij verlangend in dit Land blijven.
- Wat ook de donkre haters drijven,
- Zoolang God steunt, zal ik weerstaan.
- AAN ALLE VRIENDEN.
-
- O, schrijf mij dikwijls uit Holland een brief.
- Gij zijt zoo ver en ik ben zóó alleen.
- Meer dan ik dacht heb ik u allen lief.
- Meer dan gij weet is het, dat ik hier ween.
- ONMACHT.
-
- Alles is niets: de waanzin en de wijsheid.
- Hier bouwt de Muur. Daar bouwt Jeruzalem.
- Wat blijft van uw jeugd? Wat blijft van de grijsheid.
- Wat van uw lach en van mijn stem?
- TROOST.
-
- Ik heb te Jeruzalem veel geleden.
- Maar dit is het heil, dat het leed vergoedt.
- Dat ik des avonds, ten stille gebede
- Bij de Klaagmuur Gods genooten ontmoet.
[p. 85]
- EXTASE.
-
- Op den gewijden grond tegen de Muur,
- Lig ik van alles ontdaan, uur en uur.
- Het Lijf verdwijnt sidderend in 't Heelal.
- Dit is het Uur, dat God mij spreken zal.
- LIJDZAAM.
-
- Tegen mijn hoofd voel ik de harde steenen
- Maar in mijn hart, hoor ik de stem van God.
- Meer leed dan lief ging door mijn dagen henen
- Maar ik berust en draag lijdzaam mijn Lot.
- MIJN ONTROERINGEN.
-
- Ontroeringen: een bron, die ruischend breekt.
- Een roode rozenstruik in het ravijn.
- Een kind, dat lacht, maar nog geen woorden spreekt.
- De zon spelend met een glas rooden wijn.
- HARTERAAD.
-
- Geniet elk oogenblik de Lust,
- Die door uw ziel en zinnen trekt.
- Vóór dat gij neerligt in de Rust
- Waaruit geen God u wekt.
- DE BRON.
-
- Een kleine Knaap: hij komt koel water halen
- Voor zijne moeder uit de diepe bron.
- Met al de knapen van het dorp, veel malen.
- Hij lacht.... ik dacht, dat hij 't niet dragen kon.
[p. 86]
- TIJD EN EEUWIGHEID.
-
- Want hoe veel Eeuwigheden zijn gelegen
- In 't Oogenblik, tusschen dien zomerdag,
- Dat ik hem komen zag langs bloemenwegen,
- En nu ik zijn dood gedenk met geklag.
- AAN EEN JONGEN DICHTER.
-
- O, groet den Hollandschen zomer van mij.
- Ik zend u den straffen groet van mijn zomer.
- Dank voor uw brief, verrukkelijke Droomer.
- Mijn Droom van Jeruzalem is voorbij.
- AAN EEN JONGEN VRIEND.
-
- Gij zult mijn brief in den zomer ontvangen.
- Geniet uw vrije zomerdagen goed.
- Bloemen.... vogels met vroege en late zangen
- De vruchten berstend zwaar en zonnig-zoet.
- HERINNERING.
-
- O, waar gij woont, ben ik zoo vaak gegaan.
- En uw adres herlezend op uw brief,
- Slaan jaren weg. Ik heb mijn jeugd zóó lief.
- 'k Heb veel genoten en weinig weerstaan.
- IETS TEDERS.
-
- Er is toch wel iets teders in het leven:
- Een jongen heeft mij postzegels gevraagd.
- En ik heb hem een vollen brief geschreven
- Terwijl het schemert en een vogel klaagt.
[p. 87]
- GRENZEN.
-
- De Tijd kan niet één Ding Eeuwig bewaren.
- Alles vergaat. Maar het blijft altijd Iets.
- De Stof drijft eeuwig-wisslend door de jaren.
- Maar eeuwig-wisselend wordt nimmer Niets.
- MAANLICHT.
-
- Het waait hier zalig met den avondval,
- Is het de wind of waait de volle maan?
- Ik weet niet, waar ik rustloos dwalen zal
- Maar dit geluk zal niet vergaan.
- JERUZALEM.
-
- O, wes en waar ik zwerven zal,
- Jeruzalem vergeet ik niet.
- De volle Maan, de sterrenval,
- En de avondwind met zijn droef lied.
- VOORJAAR IN HOLLAND.
-
- ‘Het voorjaar is hier wel héél laat gekomen,’
- Schrijft hij uit Holland: ‘maar nu is het mooi.
- De blaren breken haastig uit de boomen.
- En 't Land bloeit bont in zijne bloementooi.’
- TWIJFEL.
-
- Schrijf mij niet over Holland en de Mei.
- Hoe mooi en mild die alle dagen is....
- Neen: schrijf mij wel. Mijn onrust is voorbij.
- Rustig weet ik mijn werk en mijn gemis.
[p. 88]
- STORM.
-
- Ik denk aan hen, die met mij kindren waren,
- Terwijl de storm langs Jeruzalem gaat.
- Als wind verwaaien al onze ijdle jaren,
- Machtloos in liefde en machteloos in haat.
- HEETE DAG.
-
- Laat maar de zon het schreiend land verschroeien,
- Schaatrend dwazen over den spleten grond.
- De avond is koel. De klare sterren bloeien
- Over de wijdten van het hemelrond.
- EEN STER.
-
- Ik kus die ster.
- En de ster kust u.
- Wel ben ik ver,
- Maar wij zijn samen nu.
- MAANNACHT.
-
- De Maan staat in zijn droom verzonken.
- Tusschen de bergen straalt het landschap stil.
- Laat mijne ziel van zomer volgedronken
- Die stralen rust, zonder één weet of wil.
- KNAPEN BIJ DE BRON.
-
- De grond breekt open: het gedreven water
- Dringt hijgend naar het licht en naar de zon.
- Mijn hart: zij verspelen met blij geschater,
- Die jong en ledig zijn, hun leven bij de bron.
[p. 89]
- DE REIS.
-
- Mijn Reis: de Droom beleeft het al te samen,
- De weelden van dezen bewogen Tijd.
- Londen, Parijs, Napels: het zijn maar namen
- Voor één bewogen Eeuwigheid.
- AAN ZEE.
-
- Ik woon zóó dicht aan Zee, gelijk mijn Vader
- Ver in Amsterdam aan den Amstel woont.
- De golven drijven door het zonlicht nader
- En breken schuim-gekroond.
- JERUZALEM.
-
- Jeruzalem: ik lees in droom gevangen
- Wat ik vroeger te Napels peinzend schreef.
- Wat is Uur of Tijd? Het is één verlangen
- Eén Droom, één Daad, dien ik overal leef.
- NAPELS.
-
- De huizen zoeken zon en zee en wind.
- Overal dringend over de steile rotsen.
- De wind wappert, de schuimen golven klotsen,
- Terwijl de zon zijn hooge tocht begint.
- OP ZEE.
-
- En droevig denk ik: ‘weder zijn wij verder
- Gescheiden door wind en door zonnegloed.’
- Vrees niet. Zon, wind en zeeën meet één Herder,
- Die schepen gelijk schapen hoedt.
[p. 90]
- ‘ROSE-CASTLE’.
-
- Nooit zal hij weten, dat ik eens de Dichter
- Van zijn schip ‘Rose-Castle’ ben geweest.
- Door tochten duister en door tochten lichter
- Gaan wij naar 't eind, dat ieder vreest.
- ZEEREIS.
-
- Napels: 't Eeuwig Lot heeft ons saamgebracht.
- Port-Saïed: het Lot heeft ons weer gescheiden.
- Jeruzalem: maanblauw verbloeit de Nacht:
- Langs verre sterren zie ik uw schip glijden.
- DE HEILIGE STAD.
-
- Jeruzalem: Gods Huis. Al Heiligheid
- Spreken huizen en de gebroken muren.
- Ik ga gelukkig in Gods veiligheid
- Door zijn hooge en lichte uren.
- ANGST.
-
- Schaduw en lantarenlicht zijn doorgeurd.
- De huizen geuren van de kleine straat.
- Ik huiver, wijl er toch niet meer gebeurt
- Dan dat de Eeuwigheid door het Specerijenstraatje gaat.
- TROOST.
-
- Neen: niet verlaten,
- En niet verloren
- Zoolang ik nog de rijmen en de maten
- Van het hartelied mag hooren.
|