[pagina 91-100]
[p. 91]
- BAZAR IN DE NACHT.
-
- Nu stilte onder de bogen,
- Waar héél den dag het drijvend leven was.
- Maar licht en schaduw zijn doortogen
- Met geur van groente en gras.
- AAN.....
-
- Ons verre huis, ik zie het weder
- In breuk van kleuren, mild en teer.
- O, klaag niet. Wat ons mocht gebeuren
- Genoten goed neemt niemand weer.
- MICHAËL TOPHAM.
-
- April.... een avond, gij zijt opgestegen.
- Gij zijt geveld, een vlieger, in uw vlucht.
- Uw Dag verjaart.... wijd spreidden mijne wegen.
- Jeruzalem.... April.... weer avond en ik zucht.
- HET LICHT.
-
- De vrome kaarsen, sterren, zon en maan,
- Die op tafel of aan den hemel staan.
- Zij hebben allen maar één eenig Licht:
- De schaduw van Gods Aangezicht.
- EEUWIGHEID.
-
- Het Eeuwig Tijdelijke, o, God, het kwelt mij,
- Vandat de Dag zijne tochten begint.
- En als ik slaap, en droom, hoe vaak ontstelt mij
- Het Eeuwig waaien van den wind.
[p. 92]
- DOMINICANEN.
-
- Weer bevangt mij de stilte van hun klooster:
- Gangen en zalen zoel van 't Heilig Huis.
- Waarom vind ik geen troost bij hunnen Trooster?
- Overal gast en nergens thuis.
- AVOND.
-
- De sterren aan de lage lucht.
- De lichtjes in het dal.
- De dag vergaat en geen gerucht
- Geleidt den avondval.
- DE STERREN.
-
- Nog kan ik wel de lage lichtjes tellen,
- In het dorp daar beneden in het dal.
- Het schemert en de trouwe sterren stellen
- Zich op naar maat en almachtig getal.
- DE WIJN.
-
- De wijn geschonken. Ik weifel te drinken.
- Gedronken wijn, wie drinkt hem immer weer.
- Wat weifelt ge? Uwe weifelingen zinken
- Reeds machtloos in den Afgrond neer.
- DOODSANGST.
-
- Omdat het Leven hier zóó prachtig is,
- En alle dagen zijn aan wondren rijk.
- Voel ik, dat de Dood overmachtig is
- En dat ik elken dag bezwijk.
[p. 93]
- ZIJN BRIEF.
-
- Hij glimlacht: ‘Vandaag moet ik een brief schrijven
- Aan mijne Moeder. Ik schrijf elke week.’
- Mijn Moeder stierf. Mijn donkre driften drijven
- Mijn hart stuurloos van streek tot streek.
- JAFFA.
-
- De Zee breekt schuimend tegen gindsche Kaap.
- Wat zoude er zijn achter dit eeuwig klotsen?
- Rustlooze Man, dwaas als een Knaap,
- Daar breekt een zee tegen andere rotsen.
- HAATLIJK LIED.
-
- Dood: wat dringt ge mij van uw Macht te zingen,
- Dien ik niet kan ontvluchten, blind van haat.
- Ik heb 't Leven lief. En mijn liedren dringen
- Als gif in 't hart van wie blij door zijn leven gaat.
- HET LIED.
-
- Met mijne liederen verlamt gij 't leven.
- Van wie bekoord mijne kwatrijnen leest.
- Dwaas Leven, waarom hebt ge mij gegeven,
- 't Lied, dat den Dood prijst, dien gij bitter vreest.
- DROEVIG LIED.
-
- Ik heb 't Leven zóó lief. O, kon ik prijzen
- Zijn milde macht boven macht van den Dood.
- Maar machtloos mijn Lied. Alle droeve wijzen
- Verlangen naar des stervens zachte nood.
[p. 94]
- KAMEELEN.
-
- Zij stappen statig door de smalle straat.
- Zij breken niets in de Bazar vol winkels.
- Zij hebben elk een kleinen kameraad,
- Die voert hen trotsch tusschen kijkende kinkels.
- WOESTIJN.
-
- In 't zand weerkaatst de hemel als in water.
- In de Eeuwigheid verbloeit de bleeke maan.
- De Woestijn. Wat is nu en wat is later?
- Menschen sterven en de sterren vergaan.
- FACHMI.
-
- Nooit zag ik zulk een stout en zeker ruiter,
- Zoo licht gezeten op 't Arabisch paard.
- Langs alle wegen vaart hij, een vrij buiter,
- Voor wien elk uur volle schatten bewaart.
- VREDE.
-
- Het Leven laat mij rust van mijn verlangen.
- De Dood laat mij vrede van al mijn vrees.
- En ik glimlach, terwijl ik mijne zangen
- Van verlangen en doodsangst weer herlees.
- ONRUST.
-
- O, de herfstdag, waarvan Windekind spreekt.
- ‘Geen schaduw schuift, geen takje kreunt of breekt’
- Dwaas, dat ik achter zeeën, achter winden,
- In een vreemd land den herfstdag dacht te vinden.
[p. 95]
- AAN SIDNEY.
-
- Ik heb geslapen, maar mijn hart was wakker.
- En ik heb rusteloos van u gedroomd.
- Wat zijn uw driften en uw daden, makker,
- In 't land, waardoor de Ganges stroomt?
- HARTELIED.
-
- Mijn hart is een gebroken Eeuwigheid.
- Mijn lied valt zwaar, omdat ik lijd.
- Ik ben langs zooveel wegen heengegaan,
- Te veel genoten, te min weerstaan.
- SIDNEY TOPHAM.
-
- Toen wij gemoetten, waart gij dertien jaar.
- Zoo zal ik u nooit weerzien noch vergeten.
- Vanavond aan een machtig feest gezeten,
- Dacht ik aan u en 't Lot viel zwaar.
- DE WIJN.
-
- Ach, dwaze vrager, kijk niet in het diep
- Der eeuwen, maar kijk in een glas met wijn,
- Waar de lamp gloed en glorie wakker riep.
- Dan drink, het zal maar eens gedronken zijn.
- HET JOODSCHE LIED.
-
- Toen alles mij verliet, waart gij mij teder,
- O, Lied, mijn Lied, des Harten eigen stem.
- Daarom verlaat ik alles, keer ik weder
- Tot uw dienst te Jeruzalem.
[p. 96]
- GELATEN AVOND.
-
- De schemerwind waait door mijn kamer.
- Iedere dag laat mij eenzamer.
- Hoe blijde ik Holland eens verliet,
- Wat mijn hart verlangt, vond ik niet.
- VERLOREN JEUGD.
-
- Kon ik op wieken van den wind
- Als vogel vliegen naar de sterren.
- Dat kan alleen een schuldloos kind.
- En mijn jeugd is verre.
- DE WIND.
-
- De wind is van de sterren gekomen.
- De wind zal weder naar de sterren gaan.
- Hij kent hun verlangen, hun droomen.
- Ik blijf met leeg verlangen staan.
- NACHTWIND.
-
- De wind ruischt als de donkre zee,
- Die in zijn ban gevangen is.
- Wat bindt en scheidt ons machtelooze twee:
- Genot, verlangen, gemis.
- TERUGKEER.
-
- O, weder geeft God mij zijne Bescherming.
- Ik voel het in de sterren, in mijn hart.
- Ook hier dwaalde ik ver buiten zijn Ontferming.
- En zocht de vreugde en vond de smart.
[p. 97]
- JERUZALEM.
-
- Mijn hart is hier van smarten toegeschroefd.
- Vraag mij dan niet het Joodsche Lied te zingen.
- Hoe kwam ik blijde en werd ik hier bedroefd
- Door tuchtloos drijven en eerzuchtig dringen.
- FREDERIK VAN EEDEN.
-
- Ik was een Knaap, een zoeker en een taster,
- Die tot u kwam, vandaag voor twintig jaar.
- Ik werd een man. Daaglijks dieper en vaster
- Voel ik uw vriendschap, trouw en wonderbaar.
- EEUWIG OOGENBLIK.
-
- Hemel. Wind. De sterren. Adil en Ik.
- De Eeuwigheid heeft eeuwig voor mij bewaard
- In zijn eeuwig verband dit Oogenblik.
- Maar 't valt uiteen in eeuwgen vaart.
- LEEGTE.
-
- Het is zoo koud, zoo eeuwig om ons heen.
- Alles wat ons verbindt, het zijn maar woorden.
- Maar soms alsof de Eeuwigheid ons verhoorde
- Bindt ons een blik, een lach, een droef geween.
- DE BEEK.
-
- Het paarlend water, welke eeuwige tochten
- Ging het door aardsche en door hemelsche streek.
- Totdat mijn lippen zijn lafenis zochten
- Waar zon en schaduw spelen in de beek.
[p. 98]
- HET EINDE.
-
- Bloeien honderd wegen open.
- Voor de voeten van een Knaap.
- Alles niets. Langs haat en hopen
- Gaat elke weg naar één Slaap.
- DWANG.
-
- Gij hebt uw zoete zinlijkheid bedwongen,
- En in die dwang te teerder slechts getoond.
- Wat schaamt gij u? Ik heb het lied gezongen,
- Dat zinnelijk de vrome ziel beloont.
- BERUSTING.
-
- Gij plukt der bloemen en vruchten genot.
- Maar als uw handen branden in de doornen
- Zoudt gij dan tegen uw God willen toornen?
- Dwaas: schiep Hij niet het lichte en 't donker lot.
- MACHTLOOS LEVEN.
-
- Leven, dat mij tegen den Dood beschermt,
- Maar ook, machteloos, naar den dood toe dringt.
- Wat baat het Lied, waardoor mijn wanhoop kermt?
- Des avonds sterft, die 's morgens zingt.
- AANVAARDING.
-
- Zeg niet: ‘Mijn rust is beter dan uw zwerven’
- Ik zeg niet, dat mijn zwerven beter is.
- Gij blijft, omdat gij niet uw rust kunt derven.
- Ik verdwaal, omdat ik meest onrust mis.
[p. 99]
- GELATEN.
-
- Wat wilt ge steeds naar goed of beter vragen?
- Ik vraag niet meer. Ik zwerf en ik aanvaard.
- Want één Dood telt ons beider levensdagen
- En beiden rusten we onder de aard.
- UW SCHATTEN.
-
- De wegen van uw leven over de Aarde.
- De Dood meet u niet meer dan een aardsch graf.
- Wijs mij den Doode dan, die iets bewaarde.
- Van alle schatten, die hem 't Leven gaf.
- MACHTLOOS LIED.
-
- Waar zal ik vluchten voor het Leven?
- Waar zal ik vluchten voor den Dood?
- O, Lied, wat kunt gij machtger geven
- Dan een rozenhut voor stormende nood.
- DOODSANGST.
-
- Ik zag Hem over mij gebogen.
- Hij vroeg: ‘wat vreest gij wreed voor mij?’
- O, Dood: hoe schoon waren uw donkere oogen.
- Voor hoe lang is mijn angst voorbij?
- OCHTENDROOD.
-
- De Dag is voor het Leven.
- De Nacht is voor den Dood.
- O, wonderteder beven
- Vandaag van 't ochtendrood.
[p. 100]
- AVOND.
-
- Wat ben ik vandaag mild en blij geweest.
- Van ochtendrood tot avondrood.
- En ik verlang, als naar een innig feest,
- Vannacht naar mijnen Dood.
- DE DOOD.
-
- Ik heb hem zóó gehaat. En ziet: zóó teder
- Komt hij tot mij in mijnen milden slaap.
- Hij buigt zich over mijne stede henen,
- Een glimlachende Knaap.
- TROOST.
-
- Klaag niet, dat uw dagen vergaan
- Tot de machtloosheid van uw jaren.
- Wanneer de ouderen niet gestorven waren
- Hoe zouden wij in 't Leven staan?
- HET LEVEN.
-
- Want van uw ouderen heb ik genomen
- Wat mijne hand u dagelijks mild geeft.
- Geniet uw daden rijk en uwe droomen
- Zoolang uw hart mij nog beleeft.
- HET ANGSTIG HART.
-
- Hart, dat niet voor de onrust des levens vreest,
- Wat zult gij vreezen voor de rust des Doods?
- Zijt gij niet lang genoeg benard geweest,
- Bij wrange drank en bittre bete broods.
|