[pagina 101-110]
[p. 101]
- HONGEREND KIND.
-
- Een jongen schreit zóó smartelijk en zuiver.
- Hij kent honger en niet één andre smart.
- Ik luister met hartstochtelijken huiver.
- Wat is het leeg in mijn moe hart.
- HARTSTOCHT.
-
- Laat mij niet slapen in een bed van rozen.
- Maar laat mij liggen aan uw borst.
- Breek mij geen vruchten, die bersten en blozen.
- Drenk met uw droeven wijn mijn dorst.
- AMELAND.
-
- Een duinendal. Een duinenkling.
- Een overvloed van Friesche kindren.
- Wat jaren machtloos maken of vermindren:
- Dit blijft een zalige herinnering.
- KLACHT.
-
- Gij klaagt: ‘Alles ontneemt mij de Eeuwigheid’
- Ook meer dan de Eeuwigheid u heeft gegeven?
- Gevangen klaagt ge in den ban van den Tijd.
- Klaag niet. Zelfs uw klacht kan buiten den tijd niet leven.
- OOGENBLIK.
-
- De Eeuwigheid voegt alles eeuwig bijeen.
- En slaat het oogenbliklijk uit elkander.
- Dit Oogenblik het is voor eeuwig heen.
- En nooit herhaalt een oogenblik een ander.
[p. 102]
- RUST.
-
- Ik heb van aangezicht tot aangezicht.
- Met mijnen Dood gesproken.
- Een teder licht als Jeruzalemsch avondlicht,
- Is in mijn ziel ontloken.
- KUDDEN.
-
- De zwarte geiten en de witte schapen,
- Liggen loom op 't zonnige veld.
- Onder schaduw schuilen de herdersknapen
- Wien ieder uur zijn wonderen vertelt.
- AVOND.
-
- Hoe zal mijn Lied anders dan Gods Woord spreken?
- Hij zendt den koelen avondwind tot mij.
- Mijn lippen sidderen, mijn tranen breken.
- Gebonden aan God ben ik vrij.
- HEIMWEE.
-
- Ach: alles wat ik nog verlang,
- Is moe van drift en moe van drang,
- Moede van winst en moe van derven
- In Holland leven en in Holland sterven.
- DWALEN.
-
- Doelloos verdwalen, waar het maandal straalt.
- En waar de vijgen van Katamon rijpen.
- De dauw de rozen drenkt en dan begrijpen
- Dat nooit een mensch doelloos verdwaalt.
[p. 103]
- EINDE.
-
- Genoeg, dat ik een Dichter was.
- Laat nu mijn jongren dichters zijn.
- Ik luister gaarne. Mijne jeugd ging ras
- En ieder lied eindigt in pijn.
- NIEUWE LIEDEREN.
-
- O, dacht ik, dat het Lied mij had verlaten,
- God schenkt den Dichter macht op zijnen Tijd.
- De rijke rijmen en de losse maten
- Brengen mij dezen Nacht weer heerlijkheid.
- DE WIJN.
-
- Wie kent den wijn?
- Wie kent het bloed?
- Laat mij maar zijn
- Eenzaam, dien wijn het hart verzoet.
- BEDOUIENEN.
-
- Daar staan zij naakt in hunne bruine broosheid.
- Van het hoofd tot de voeten rank gebouwd.
- Zij weten niet van schaamte en schaamteloosheid,
- Terwijl mijn Lied hen valsch beschouwt.
- AVOND AAN ZEE.
-
- De zee van Jaffa breekt zijn breede reven.
- De zon in 't Westen daalt zijn laatste tocht.
- Weer voel ik de macht van mijn Lied herleven.
- God heeft mij blij bezocht.
[p. 104]
- WANHOOP.
-
- Jeruzalem: moet ik U dan verlaten,
- Gij, die de pracht waart van het Joodsche Lied.
- Ik dwaalde doelloos door uw dorre straten
- En vond uw vroomheid niet.
- EEN BADER.
-
- En zoo zal ik de wereld steeds onthouden,
- Als ik hem dit eeuwig oogenblik zag.
- De zee wijduit, waarboven hemel blauwde,
- Gij stralend gaand door den hemelschen dag.
- ARABISCHE KNAPEN.
-
- Zij koelen in de zee hun heete leden.
- En branden zich in 't zonnig zand weer heet.
- En de Dag is in de Eeuwigheid vergleden
- Eer één van Dag en van Eeuwigheid weet.
- BERUSTING.
-
- En gelijk God zijn Eeuwigheid verdeelt,
- Aanvaard ik, die veel leed en nu berust.
- Eén de Knaap, die zijn Dag in zee verspeelt.
- En één de Dichter zwaar van zijnen Dag bewust.
- INZICHT.
-
- Mijn jeugd, mijn blijde jaren, mijn worstlende jaren,
- 't Ligt alles heden open als één Dag.
- Langs hoeveel nood ben ik gevaren,
- Voor ik mij zelven als een ander zag.
[p. 105]
- DE REGEN.
-
- Hoe ruischt de regen over de zee blijde.
- En hangt zijn schoonheid wonderteer en wijd.
- Verheugd, dat hij door wisselende tijden,
- Weer keert tot de zee en zijn eeuwigheid.
- AVOND.
-
- Ik heb mijn dag in haat en hoop gesleten.
- Hij versleet zijn dag met wind, zon en zee.
- Zie de avond daalt. Wat zal de Eeuwigheid weten
- Van het verschil tusschen ons twee?
- JEUGDLIED.
-
- Geef mij nog eens het lied der eerste jaren.
- Mijn jongenslied, mijn zwak, maar zuiver lied.
- Niet wreed, niet wroegend, niet vol van gevaren.
- Maar zalig-zingend, anders niet.
- BONT LEVEN.
-
- Wat heb ik hier mijn zinnen vol genoten.
- De zee brandt brekend en de helle zon
- Slaat wierook uit de boomen en de loten.
- Achter het duin een diepe, koele, bron.
- TERUGKEER.
-
- De zee, zon en wind ieder uur,
- Hebben mijne zinnen verzadigd.
- Nu weer, door 't lot niet begenadigd
- Keer ik naar Jeruzalem, naar den Tempelmuur.
[p. 106]
- TWEESTRIJD.
-
- Over de zee de wijde zon.
- Te Jeruzalem, onze Tempelmuur.
- O, dat mijne ziel eens genieten kon
- Een enkel zinlijk uur.
- SCHEEPSBOUWMEESTER.
-
- Hij sprak: ‘Zijt gij de Dichter van de Zee?’
- Ik ben de trotsche bouwer van dien stoomer,
- Die hecht-gebouwd, als uw Lied, door den zomer
- Zijn rijke daden zoekt langs elke ree.’
- ARABISCHE JONGENS.
-
- Wat hebben zij dan hun naakte en hun kleeren,
- De wijdte van de zee en van het strand.
- Terwijl vreugd en wroeging mijn hart verteren,
- En rustloos drijven door elk land.
- HET EILAND.
-
- Tusschen den hemel en de lucht,
- Een wit zeil als een witte ster.
- En als een grijze wolkenvlucht,
- Het eiland vaag en ver.
- STOUTE ZWEMMERS.
-
- Zij dansen op de maten van de golven.
- En zoeken blij het matelooze ruim.
- Waar zij onder 't zonnig water bedolven
- Verdwijnen achter brekend schuim.
[p. 107]
- VLOED.
-
- Sporen van snelle voeten over 't strand.
- De lange dagweg van een visschersknaap.
- De vloed zwelt aan, zijn schuimgebroken rand
- Neemt de kust van kaap tot kaap.
- DE VERLEIDER.
-
- Door welke diepe dalen trok ik heen,
- Wier duistre bloei mijn oog hunkerend zag,
- Voor ik hier te Jeruzalem alleen
- Genade vond in zijne milde lach.
- ANTWOORD.
-
- Hij schreef: ‘Oovral is één Volk en één God.
- Keer weder tot uw Stad en tot uw Landschap’
- Hoe kan ik keeren? Hier is mijn verwantschap.
- Eenheid? Ja. Maar in elk verscheiden Lot.
- ONRUST.
-
- Eeuwigheid: wat is Jaffa? Wat is Napels?
- Wat is de eene, wat is de andere Kust?
- De zee. De zon. De huizen hoog in stapels.
- En overal mijn hart ontrust.
- VERLEIDING.
-
- Drie sterren stralen: het wordt duister
- Boven de Stad Jeruzalem.
- Avondgebed. In 't windgefluister
- Hoor ik toch uwe stem.
[p. 108]
- STRIJD.
-
- Die heilig van onheilig scheidt,
- En gescheiden weer in mijn hart vereenigt,
- Voert mij door eenen wreeden strijd,
- Waarin geen rust mij lenigt.
- GODS EENHEID.
-
- Denkt gij dan dat langs den weg van de zonden
- Gods genade niet met u gaat?
- Buiten Zijn Wil wordt niets gevonden.
- Goed noch kwaad.
- TROOST.
-
- Nu weet ik, dat de wegen der Verleiding,
- Wegen zijn door de Hand van God verspreid.
- Hij voert ons door wijding en door ontwijding
- Tot de vertroosting van Zijn Heiligheid.
- ZIEL EN ZINNEN.
-
- De vreugd der ziel en de vreugd van de zinnen:
- Het is in Gods Eenheid toch alles één.
- Aanvaard uw haat, aanvaard uw fel beminnen.
- Er is eenheid in wat gescheiden scheen.
- INZICHT.
-
- Draag uw vreugde en draag uw wroeging niet zwaarder.
- Verleider en Vertrooster zijn van God.
- Hij is in al verkwisting de Bewaarder
- Van uw onaantastbaar Lot.
[p. 109]
- FARIED.
-
- Hij zeide: ‘Ik zal vannacht naar Hebron rijden’
- Een Arabier op een Arabisch paard.
- Hij zal nooit weten, wat tusschen ons beiden
- Mijn hart verheugt en wreed bezwaart.
- EERSTE GRANATEN.
-
- Zijn eigen handen breken (is er puiker?)
- Onze granaatappels voor 't mild ontbijt.
- Met rozenwater en gebroken suiker,
- Eén heerlijkheid.
- NIEUWJAARSDAG.
-
- Ontzenuwd treed ik den Grooten Dag tegen.
- God en ik-zelven weten het alleen.
- Wat brengt het Jaar: dood of schatrijke zegen?
- Aanvaard. In God is alles Eén.
- VRIENDSCHAP.
-
- Ik zeide: ‘Ik telde de uren tot den avond’
- Hij zeide: ‘Ik heb de minuten geteld’
- O, hart van vreugde en van wroeging gehavend
- En telkens toch door nieuwe vreugd gekweld.
- GELUK.
-
- Wanneer wij rijden door de nachtlandschappen,
- Rondom de Heilge Stad Jeruzalem.
- Als onze paarden door de nachtdauw stappen,
- Wat hoor ik dan in zijne blijde stem?
[p. 110]
- VERGEEFSCH GEBED.
-
- De volle Maan en de drie sterren stralen,
- Wij spreken bij de Muur 't Avondgebed.
- Straks zal ik met Adil Effendi dwalen,
- Waar geene vroomheid mijn ziel redt.
- NACHTRIT.
-
- In maneschaduw zijn wij weggereden.
- Wij keeren in 't schaduwloos zonnelicht.
- Eén nacht. Hoe zwak vallen alle gebeden.
- Hoe gaarne ben ik voor mijn lot gezwicht.
- HET OOGENBLIK.
-
- Elk Oogenblik, uit de Eeuwigheid geboren,
- Breekt oogenbliklijk in eeuwigheden uiteen.
- 't Is alles niets. Gewonnen of verloren.
- IJdel zijn liedren en geween.
- HERFST.
-
- De wind waait heden. Morgen zal het regenen.
- Een weemoed zwelt in mijn verlaten hart.
- Adil: God moog uw lot weer dan 't mijn zegenen.
- 't Is goed: voor u de vreugd, voor mij de smart.
- VREUGDE.
-
- Gelijk de wijn vervult den gouden beker,
- Zóó vervult uwe heugenis mijn ziel.
- Hoe was mijn lied onzuiver en onzeker
- Tot uwe lach over zijn woorden viel.
|