[pagina 111-120]
[p. 111]
- GEBED.
-
- Mijn gebed. Hij zeide: ‘Wat zijn gebeden,
- Waarin gij needrig nadert tot uw God’
- Laat Hij tot u komen met Zijnen Vrede,
- Wiens Eeuwigheid met al ons lijden spot.’
- DE TIJD.
-
- De regendagen noch de zonnedagen,
- Keeren uit de Eeuwigheid, waarin zij gaan.
- Niets is ons lachen en niets is ons klagen.
- En wat kan de Eeuwigheid weerstaan?
- VERZUIMDE VREUGD.
-
- Als aarde en hemel al schat voor u ruimden,
- Wanneer het Lot u jeugd en leven liet,
- De Nacht, dien ge in uw nuchternis verzuimde,
- Hervindt ge in alle Eeuwigheid niet.
- OUDE SHEIKH.
-
- Zoo wijd als zijne blikken gaan zijn landen,
- Zij dragen rijker dan één streek hun vracht.
- Dertig kinderen uit zijn ingewanden.
- Hij ziet zijn leven. Het was schoon. Het is volbracht.
- ONTWAKEN.
-
- Ik zeide: ‘Het is ochtend. Zijt gij wakker?’
- En hij: ‘Ik slaap niet, als gij wakker zijt’
- Het huis open. Ziet Aboe Fares akker
- Bouwt bontgeblokt zijn rijpe heerlijkheid.
[p. 112]
- DOOR HET GEVAAR.
-
- Hij zeide, toen wij door het gevaar reden,
- ‘Wat zijt gij voor u-zelf meer dan gij zijt?
- En wat voor mij min dan den Vriend wiens vrede
- Mij meer dan 't eigen hart gelegen leit.’
- VERZUIMD.
-
- Wat baat herinnering van zoo veel prachten?
- Het feestgetij blonk. De wijn heeft geschuimd.
- Maar ik herdenk door dagen en door nachten
- Dat ik ééns één oogenblik heb verzuimd.
- GODS STEM.
-
- God sprak: ‘Leg dan heden al uw ellende,
- Gelijk mijn hemel al zijn wolken, af.
- Ik, die u in uwe moederschoot kende,
- Geleid u zeker naar uw graf.’
- VRIENDSCHAP.
-
- Want wat is leed met u minder dan vreugd?
- En wat is vreugd zonder u meer dan lijden?
- Mijn hart is rustig ofschoon veel mij heugt,
- Terwijl wij van Mootzah naar Jeruzalem rijden.
- NAAR HUIS.
-
- Hij zeide: ‘Allah heeft ons wel lief vandaag’
- In één geluk van zon en licht gevangen.
- De paarden stonden aan een rozenhaag
- Gebonden en mijn hart bond één verlangen.
[p. 113]
- NACHTRIT.
-
- Ik vroeg Adil, waaraan hij rijdend dacht.
- Hij zeide: ‘Aan Allah’ in een eenvoud groot.
- God voert ons heden veilig door den nacht,
- En morgen veilig naar den Dood.
- SCHEMERING.
-
- Schemer: er zijn geen zonschaduwen meer,
- En de maan-schaduw is nog niet begonnen.
- Wij rijden in één heerlijkheid bezonnen,
- Langzaam de dalende bergwegen neer.
- DE VROMEN.
-
- Zij jagen achter Gods blijde geboden,
- Gelijk wij jagen achter weelde en winst.
- Zij weten niets van al hijgende nooden,
- Hun is genieten minst.
- WEEMOED.
-
- Ach: al die twijfel. Al dat zeker weten.
- Die wroeging door de dagen en den nacht.
- Kon ik twijfel en zekerheid vergeten.
- Een Arabier zijn, die eet, drinkt en lacht.
- VREUGD EN WROEGING.
-
- Ontvlucht uw schaduw en ik zal ontvluchten,
- Mijn wroeging, de schaduw van onze vreugd.
- Verwijt mij niets, breek ons de roode vruchten
- En schenk wijn, die wroegend verheugt.
[p. 114]
- DOODSANGST.
-
- Laat ik u kussen en u nogmaals kussen.
- Geeft ge uw liefde voor mijne liefde weder,
- Wat baat het ons: eens zal de doodwind blusschen
- Uw vlam en mijn vlam, en wij zinken neder.
- VRIJHEID.
-
- Hij zeide: ‘God is God.’ En onze paarden
- Rijden wij nog heden trotsch over 't Land.
- Hoe korte tijd, dan dekt ons de donkere aarde.
- Geniet uw licht, zoolang uw vreugde brandt.
- ONRUST.
-
- Adil is moede en hij legt zich te slapen.
- Ik ben moe, die rustloos niet slapen kan.
- Hij is te El-Kuds de stoutste van de Knapen.
- Ik ben een angstig-rustloos man.
- BERUSTING.
-
- Hij, die de winden spreidt, verspreidt de wegen.
- Die den wind houdt, behoudt het Al bijeen.
- Klaag niet om mij achter winden en regen.
- Elk Lot drijft elk man langs zijn wegen geen.
- DE WIJN.
-
- De diepe wijn, die ons de lippen kust....
- Moe van de rit dronken we uit ééne beker.
- Is 't Oogenblik minder schoon en min zeker
- Omdat Tijd noch Eeuwigheid rust?
[p. 115]
- GODS GELEIDING.
-
- Die van de wegen aller zonden blijde
- Weer naar de wegen van de vroomheid gaat,
- Die weet, dat God hem meest van al geleidde
- Langs de wegen van het bekorend kwaad.
- ARABISCH PAARD.
-
- Was ik gekomen langs al wegen wijde,
- Verliet ik meer dan ik in Holland liet
- Om éénen dag dit trotsche paard te rijden
- Ik klaagde niet.
- ADIL RIJDT UIT.
-
- Denkt gij, dat des Dichters liederen treden
- Trotscher met hunne rijmen en hun maat,
- Dan dit Arabische paard, stout van leden
- Met zijn ruiter door 't zontij gaat.
- VRIENDSCHAP.
-
- Gedenk ons milde bloeien zonder schaamte.
- Schaamt zich de naakte roos in Katmons dal?
- Zweer mij, dat nog in uw graf uw geraamte
- Ons genot sidderend gedenken zal.
- VERLEIDING.
-
- 'k Zal aan God en aan Jeruzalem denken.
- Mijn hart zal hijgen van hunkrende pijn.
- En toch zal ik u weer van den wijn schenken.
- En met u verloren toch zalig zijn.
[p. 116]
- GENOT.
-
- Mijn lijf is niets dan één siddrend geheugen.
- Mijn hart is niets dan één bloedend gemis.
- Laat ons den wijn met volle dronken teugen.
- Totdat onze dag leeggedronken is.
- KLAAGMUUR.
-
- Ik leg mijn handen vol herinneringen
- Tegen de steenen van den eeuwgen Muur.
- Dat hun heilige heugenis verdringe
- Het heilloos heugen van zoo menig uur.
- TROOST.
-
- Over ons verlangen spannen de dagen.
- Over onze daden spant koele nacht.
- Laat dagen drijven en de nachten jagen
- Wat harten wonnen, neemt geen macht.
- HET TROUWE LIED.
-
- En is de wijnkruik leeggeschonken?
- Zijn onze handen van liefkozing leeg?
- Zijn onze oogen van liefde volgedronken?
- Is er één dag, dat mijn Lied voor u zweeg?
- KEERENDE HERDER.
-
- Zijn schapen gaan zoo licht. Geen donkre vragen
- Benarren hem het hunkerend gemoed.
- Hij gaat des morgens vroeg. En als de dagen
- Dalen, keert hij door de avondgloed.
[p. 117]
- DOODSANGST.
-
- Mijn hart rust niet. Hoe zal mijn lied dan rusten?
- Benijdt mij niet, gij, die mijn liedren leest.
- Wat bleef over van luide en stille lusten?
- Een leven, dat leven en sterven vreest.
- ANGSTIG HART.
-
- Hart, dat niet rusten kunt, als gij kondt rusten,
- Gij zoudt niet willen rusten in uw angst.
- Gedreven door uw luide lusten.
- Gehavend door uw wroeging wrangst.
- VOLLE LENTE.
-
- De bloemen langs de hellingen.
- De bloemen in de dellingen.
- Het water, dat diep valt door de valleien.
- In de lucht de donkre bijen.
- TE PAARD.
-
- Hij vroeg: ‘Hoe laat is het, sinds dat wij reden?’
- En ik: ‘Hier is alles geluk, geen tijd’
- Hij lachte en ik lachte één lach met hem mede.
- O, God, dank voor uw heerlijkheid.
- DE RUST.
-
- Hij sliep in het veld van bloemen gelegen,
- Die nooit rustiger en veiliger sliep.
- Ik waakte, machtloos moe van alle wegen,
- En wachtte lang vóór ik hem wakker riep.
[p. 118]
- NA DEN REGEN.
-
- De beken stroomen in raadsels van zon
- En zon-schaduw door de diepe valleien.
- Velden van bloemen rond de rijke bron.
- En vol de lucht van bronzen bijen.
- WATER VAN BITTÎR.
-
- Het water stuwt zijn warrelend gewemel
- Langs de hagen en de gebloemde hekken.
- Tusschen de aarde en den schitterenden hemel
- Voert het zijn fluistrende gesprekken.
- ELIAS-BRON.
-
- Het water windt zijn wervels door het woud
- Van pisang-boomen rond de zware bron.
- Wij schuilen onder 't schaduw-geurend hout
- Voor 't felle zoeken van de middagzon.
- ADIL.
-
- Hij sliep in de bonte weelde van bloemen.
- Wat stoorde zijne droom? Een vreemde geur?
- Of de donkere bijen, die zwaar zoemen?
- Of booze herinnering van een kleur.
- TE PAARD IN DE BERGEN.
-
- De lente luwt. De winter is geleden.
- Wat doodgebroken scheen, breekt levend uit.
- Wij stijgen: alles bont en groen beneden.
- En boven ons speelt een vogel met zijn gefluit.
[p. 119]
- AVOND.
-
- De mijmrende lente-avond liefkoost mij.
- De Tijd vliegt als de zwaluwen voorbij.
- De lucht heeft alle kleuren zacht en teer.
- 't Verloren oogenblik vindt niemand weer.
- ZIEKENHUIS.
-
- Een bleek raam. De kleine, gekleurde luchten,
- Die langzaam duisteren over het Huis.
- Wij liggen ziek. De verre stadsgeruchten
- Verdwalen hier tot één geruisch.
- NAAR HUIS.
-
- Het water zingt: de zonnestilte luistert.
- Het water schatert, de echo schatert na.
- De dag vervalt en de eerste schaduw duistert
- Terwijl ik met Adil naar huis toe ga.
- BUITEN.
-
- Het water lacht, als het de zon begroet.
- Het water schatert, dat van de rots breekt.
- Hier is het leven klein, maar het is goed,
- Terwijl Adil Arabisch met mij spreekt.
- BUITEN DE BUI.
-
- Wij liggen hier héél zonnig en héél lui
- Te luistren naar het water, dat verschiet.
- Ver boven Bittîr breekt een barre bui.
- Maar de regen bereikt de bergen niet.
[p. 120]
- DE BRON EN DE BEEK.
-
- Dit is de streek van Gods goddelijk water
- Het breekt. Het borrelt. Weer bijeen. Vaneen.
- Hier ruischt het stil en daar met stout geschater.
- Stroomt het langs stroomen bonte bloemen heen.
- HET LICHTE LEVEN.
-
- Adil. De paarden langs de bloemenwegen
- Gaan als de maat van een vreedzaam gedicht.
- Mijn hart is als rijpe bloemen vol zegen
- En 't leven valt ons beiden vandaag licht.
- VREDE.
-
- Adil Effendi komt naast mij gereden.
- Wij zien op. Wat zien we? Elkanders glimlach.
- Hij zegt: ‘Allah geve als oogst van zijn vrede
- Aan elk, dien gij gedenkt, op dezen dag.’
- TERUGRIT.
-
- Een herder. Wij zien hem niet. Maar verloren
- Als vogel in 't wijde verliest zijn stem.
- Terwijl wij rijden tusschen hout en koren
- De middagwegen naar Jeruzalem.
- DONKERE OOGEN.
-
- Uw oogen zonder de zon zijn uw oogen.
- Maar wat is zonder uw oogen de zon?’
- Wij rijden door de woudlaan windbewogen
- Waar het diepe water breekt uit de bron.
|