[pagina 121-130]
[p. 121]
- GOEDE RAAD.
-
- Niets is toevallig en ook dat niet.
- Leven is meer dan Oorzaak, Ruimte en Tijd.
- Mijn goede raad? Veracht Gods aardsche schat niet.
- En niet hemelsche heerlijkheid.
- OCHTENDRIT.
-
- Ik heb u lief, gelijk het vuur het hout.
- Ik heb u lief, gelijk de zee den wind.
- De hemel breekt in geluw geel en goud,
- Terwijl onze tocht door den dag begint.
- LANDLIEDEN.
-
- Het akkerwerk spant hunne sterke spieren.
- Zij drijven ijverend hun kloeke ploeg.
- Het land, hun huis, hun werk, hun sterke dieren:
- Geeft het Leven hun niet genoeg?
- L.E.J. BROUWER.
-
- Want: ‘Wiskunde, werkelijkheid en waarheid’
- En ‘Het Joodsche Lied’: het is alles één.
- Ik lees in de klare zon uwe klaarheid,
- En mijn gedachten waren naar uw landhuis heen.
- DE HAVEN.
-
- Van alle bouw de booten,
- Die zeilen aan de Jaffa-ree.
- Stout en schoon de genooten
- Die werk vieren bij wind en zee.
[p. 122]
- RUSTELOOS.
-
- Ik trok door dorpen en door steden,
- Langs menig tuchtelooze tocht.
- Vergeefs strek ik tot rust mijn leden.
- Niets gevonden van alles wat gezocht.
- GEDREVEN.
-
- Van de zee waait de koele wind.
- Ik denk aan mijn Moeders dood.
- De avond valt en morgen begint.
- Een nieuwe dag zijn nieuwe nood.
- DE ZEE.
-
- Onrust, die zijn rust niet vindt.
- Zon en water, zand en wind.
- Hart, dat zonder beter baat
- Rusteloos als de zee slaat.
- VRIENDSCHAP.
-
- Ik heb u lief als mijn mond de granaten.
- Ik heb u lief, gelijk mijn Lied zijn maten
- En de ruisching van zijn rijmen bemint.
- Ik heb u lief als de roos zon en wind.
- DANK.
-
- Alles wordt schoon, waarmede ik u gelijk.
- De wijn, de rozen, de rijpe granaten.
- Zoo maakt ge mijn bewogen leven rijk,
- En van liederen nooit verlaten.
[p. 123]
- RIJKDOM.
-
- Want meer bemint mijn mond nu de granaten,
- Sinds wij te samen aten één granaat.
- En meer de donkre koffie, sinds wij zaten
- Samen waar de Maan langs Katamon gaat.
- GAZA.
-
- Hemel, wind en zwaluwen.
- Wolken en hun schaduwen.
- 't Land, dat met zijn open pracht
- Zooveel vrije zonen wacht.
- VERVAL.
-
- Dit is wat ik niet meer kan overwinnen:
- Zijn overmoed en mijnen ouderdom.
- Met een gretige ziel en zieke zinnen,
- Drijf ik mijn uren om.
- VERRAAD.
-
- Hoe wiekt de vogel,
- Hoe wiekt het lied.
- Totdat de kogel
- In het hart schiet.
- GOD EN HEILIG LAND.
-
- Hoor Israël: uw God is Eeuwig en is Eenig.
- En als uw God is Eeuwig en Eenig uw Land,
- Al breken de bergen van Juda steenig,
- En eenzaam strekt uw strand.
[p. 124]
- NIEUWJAAR IN HET ZIEKENHUIS.
-
- Voor de zieken wordt de Bazuin geblazen.
- Wie hoort Gods klanken voor de laatste keer?
- En ik besef met verwilderd verbazen
- Hoe wreed God is en ook hoe teer.
- GOED EN KWAAD.
-
- Kan niemand de dienaar zijn van twee Heeren?
- Ik bedien God en Satan beiden.
- Met ééne lust en één verblijden,
- En voel mijn hart in beider éénen gloed verteren.
- MACHTLOOS GEBED.
-
- Ik zoek mijn hulp bij ieder heilig woord.
- Maar de woorden zijn voor mijn smeken doof.
- Mijn hart verdwaalt door heugenis bekoord.
- Bittîr.... water.... de zon.... de wind in 't loof.
- DWALING.
-
- Wie denkt aan Djemal onder de gebeden,
- En verlangt hartstochtelijk naar zijn paard,
- Hij is gelukkig, al heeft hij geleden,
- En vreest niet, wat het Leven nog bewaart.
- LAATSTE EER.
-
- Wij gaan mede drie schreden achter 't lijk.
- Lente.... een Knaap. De Dood grijpt knapen en grijzen.
- Eens zal men ons zoo de laatste eer bewijzen.
- Drie vrome schreden voor arm en voor rijk.
[p. 125]
- TOEVAL EN WONDER.
-
- Wat is 't verschil tusschen Toeval en Wonder?
- Ik kwam de Poort uit met mijn lot bezwaard.
- De Sabbath eindigt en de zon gaat onder.
- Daar draaft Fachmie voorbij trotsch op zijn paard.
- WANHOOP.
-
- Waar is het lieve, waar is het lichte,
- Dat nooit verdriet en nooit verlaat?
- Goed: wij gaan weder een gebed verrichten,
- Maar ik haat God met een volkomen haat.
- NACHT.
-
- Vroom en stil en zwaar,
- Wat heb ik verwacht?
- De laatste dag van 't Oude Jaar.
- Ik beef voor de Nacht.
- SCHAARE-ZEDEK.
-
- Dag des Gerechts: hier in der zieken Huis,
- Dat de Poorten der Gerechtigheid heet.
- De Bazuin breekt zijn almachtig gedruisch,
- Weet God meer dan een stervende weet?
- ARABISCHE RUITERS.
-
- Zij weten niets van wroeging en gebeden.
- Zij weten niets van Gods groote Bazuin.
- Maar op hun paarden komen zij gereden.
- Land en leven liggen voor hen open gelijk een tuin.
[p. 126]
- DE BAZUIN.
-
- In 't Ziekenhuis wordt de Bazuin gedreven.
- Zij die sterven gaan, hooren het Geluid.
- Dit is de zekerheid van mijn wankelend leven:
- ‘Dat God niet veel beduidt.’
- MORGENRIT.
-
- Dat ik God heden haat, het is Zijn Wil.
- Dat ik Hem liefheb, het is Zijn Genade.
- In de morgenmist geurt het Land zóó stil.
- De paarden gaan peinzend hun smalle paden.
- NUTTELOOS.
-
- Wat zal ik heden de gebeden zeggen?
- Morgen is de dag van vandaag voorbij.
- Vromen en vrijen zal men eender leggen
- Waar de Olijfberg helt naar de stadsvallei.
- LEVENSWONDER.
-
- Dit is het wonder van het Leven:
- Zoo moede en gekweld kan een hart niet zijn,
- Of het wil zich toch aan den Dood niet geven,
- Maar leven voort in alle pijn.
- DE PREDIKER.
-
- Hij Predikt: ‘IJdelheid der IJdelheden’
- Was hij niet ijdel, die 't schreef en bewaarde?
- Dichter: laat af van liedren en gebeden.
- Geen lied is eeuwiger dan uw wentelende aarde.
[p. 127]
- DE WIND.
-
- De wind is gelukkiger dan de menschen,
- Hij waait en is voorbij.
- Hij kent geen wetten en geen wenschen.
- Geen wanhoop en geen medelij.
- AAN EEN GROOTEN DWAAS.
-
- Gij zegt: ‘Ieder leven ontstaat uit leven’
- Maar zeg: ‘Waar is het Leven uit ontstaan?’
- Wat is de Dood? Wat God? Wat is zijn Streven
- Wat is al mijn bestaan?
- HEETE DAG.
-
- Heden vind ik Jeruzalem vervelend.
- Al mijn vreugde en mijn spanning zijn voorbij.
- Vaal stuift het Land. Het gras broeit grauw en gelend.
- De dofheid van een moede Mei.
- G. MANNOURY.
-
- ‘Men kan niet twisten over waarheid’
- Hadt gij niet anders dan dit woord geleerd,
- Ik zoude u prijzen om uw klaarheid
- Als men een Meester eert.
- JEMENIETEN-DANS.
-
- Die danst: een lange, zwarte, wreede jongen.
- De Duivel? Maar wie durft hem dat te vragen.
- De wereld spot in zijne bonte sprongen.
- Vrouwen gillen. Koperen bekkenslagen.
[p. 128]
- VERLOREN HUIS.
-
- Het huis, waarin ik vroeger woonde,
- Gloeit in een zee van avondlicht.
- Over 't leven, dat mij nimmer verschoonde,
- Houd ik heden gericht.
- DAGBOEK.
-
- De tocht, dien ik voor jaren ging,
- En toen van dag tot dag beschreef....
- Ik lees dat weer.... herinnering
- En pijn, zoolang ik leef.
- OCHTEND.
-
- O, de wind nog niet verbrand door de zon
- Waait door de wijdte van den vroegen morgen
- De Nacht vergaat en zóó gaan al mijn zorgen.
- Het is nieuw wat heden begon.
- NAGIB.
-
- De Dood is héél dicht bij het Leven,
- Nagib, die achter donkre dieven dreef.
- Een valsche val: hij is in 't schot gebleven.
- Zij schateren. En ik haat, dat ik leef.
- ZIEL EN ZINNEN.
-
- Het lichaam is de schat, die God aan de ziel heeft gegeven.
- De ziel is de schat, die God aan het lichaam schonk.
- Geniet uw leven lang de lengte van uw leven,
- En weet, geen tweemaal drinkt uw mond dezelfde dronk.
[p. 129]
- EMIR ABDALLAH.
-
- Er is het zwijgen, dat des Oostens is,
- En dat ons volstrekt niet verlegen maakt.
- Het leven is eene geheimenis
- Terwijl de nacht het tentenkamp genaakt.
- VLOEK.
-
- Het rijke leven,
- Het rijke lied.
- Door vloek gedreven
- Baat alles niet.
- VERBODEN GENOT.
-
- Niet zoeter zijn de volle zomervruchten,
- Dan de verboden vrucht van uwen mond.
- Laat hen, die straf van aarde en hemel duchten.
- Wij genieten elk uur, wat ieder uur ons zond.
- LENTEDAL.
-
- Een winter, zóó zacht als een lente,
- Wij rijden op onze Arabische paarden.
- Emir Abdallah spant zijn kamp met tenten.
- In het dal van Schuni, schoon als een gaarde.
- ZOMERHITTE.
-
- Mijn mond is een gemeene, wreede wond.
- En het Jordaandal is een hel.
- De hitte slaat uit den hemel en uit den grond,
- En beult het lichaam fel.
[p. 130]
- EMOTIE.
-
- Men moet het Leven met emoties meten.
- En niet met dooden Tijd en het doode Uur.
- Dezen dag, dien wij samen rustloos sleten,
- Was hij niet zalig lang (en toch zoo kort!) van duur.
- HERMAN ROBBERS.
-
- Hij noemde mij ‘den diepzinnigen dichter’
- Is mijn Lied dieper dan een glas met wijn?
- Gaan de voeten van mijne verzen lichter
- Dan de voeten van Nazief zonder pijn?
- M.H. VAN CAMPEN.
-
- Gij zijt een rechter, streng maar goed.
- Van dwaze boeken en van dwaze schrijvers.
- Zeg mij nu nog, wat met al deze drijvers
- Het Leven doet.
- BEDE.
-
- Ach: laat mijn lied niet dieper zijn
- Dan 't glas Rischon-le-Zion wijn.
- Ik weet het wel: de wijn en 't lied
- Weren het donker doodslot niet.
- DOOD EN LEVEN.
-
- Wat blijft u van den wijn, die is gedronken?
- Wat blijft u van het jaar, dat is vergaan?
- Eens in 't Leven wordt ons 't leven geschonken.
- En wie zegt, dat Dooden den Dood verstaan?
|