[pagina 131-140]
[p. 131]
- GELATEN.
-
- Wie jong is, leert uit Boeken.
- Een Man leert uit den Wijn.
- Die ouder wordt, leert zoeken
- Een sterflot zonder pijn.
- WIJSHEID.
-
- Ach: wat men niet leert uit den wijn,
- Dat leert men ook niet uit het Boek.
- Een leven met minst mooglijk pijn,
- Een stillen Dood is wat ik zoek.
- BEGREPEN.
-
- Er is geen ondeugd, die 'k niet heb voldreven.
- Er is geen deugd, die 'k niet wanhopig veins.
- Wat is het einde van het bonte leven?
- Doods vale grijns.
- AAN DE LEZENDE JEUGD.
-
- O, Jeugd, die 'k zóó heb liefgehad,
- Kon mijn Lied u beter troost geven.
- Maar waardeloos wordt zelfs uw schat
- Bij 't keeren van het Leven.
- DWALING.
-
- Is God niet in alles, zoo teder,
- Zoo bloeiend om ons heen?
- Ik schrik. O, ziel, keer weder,
- God is in God alleen.
[p. 132]
- IK-ZELF.
-
- Een hevig hater.
- Een minnaar mild.
- Die nu of later
- De Dood toch stilt.
- MACHTLOOZE EEUWIGHEID.
-
- Neem mij 't Oogenblik af vóór het voorbij is,
- Eeuwigheid, als gij dat kunt met uw macht.
- Ik weet precies wat u en wat van mij is:
- Verlangen, Genot en daarna Nacht.
- AAN ALLE DICHTERS.
-
- Uw litteratuur is litteratuur.
- Waar is uw Lied, dat beeft van hartebloed?
- Het goud wordt gelouterd in louter vuur.
- En het Lied in Gods grooten gloed.
- FREDERIK VAN EEDEN.
-
- Want waar ik sterven zal, ik weet het niet.
- Noch waar het driftig leven mij zal drijven.
- Maar dit zal mij boven al heilig blijven:
- Uw vriendschap en uw afscheidslied.
- DE DRONK.
-
- Werelden drink ik in één glas met wijn.
- Wat branden werelden diep in uw oogen.
- Hef uw wijn naar mijn wijn, bewogen
- Door ééne zoete pijn.
[p. 133]
- NUTTELOOS.
-
- Het genadelooze van de Eeuwigheid
- En van 't Oogenblik proef ik in den wijn.
- Of ik de lust verzoek, of de lust mijd,
- Eens zal de laatste toch genoten zijn.
- DE VAL.
-
- Tusschen de Eeuwigheid en het Oogenblik gevangen.
- Hoe redt de Ziel zich uit zijn Val?
- 't Leven martelt ons met koortsende tangen
- De Dood wacht in het donker dal.
- DE DRUIVENTROS.
-
- 't Wreede van oogenblik en eeuwigheid,
- Proef ik in de druiven van onze tros.
- Adil: hij breekt lachend de zijne los,
- En proeft niet anders dan hun heerlijkheid.
- VERLEIDING.
-
- Eén druiventros samen gekocht.
- De donkre tros samen gedeeld.
- Gods geluk, dat ik eerlijk zocht,
- Is in dit oogenblik verspeeld.
- KAMERADEN.
-
- Hassan is mager, Sari dik,
- Die samen naar hun schooltje gaan.
- Achter het bloeiend raam zit ik,
- Maar hun geheimen kan ik niet verstaan.
[p. 134]
- WANHOOP.
-
- De druiven dorren.
- Uw mond verdort.
- Wijl vreugde en morren
- Tot stof verwordt.
- KOL NIDRE.
-
- Avond: ik keer van de vroomste gebeden.
- Daar fluit Machmoed, de stalknaap, diep en zacht.
- Het bloed beeft schaamteloos door mijne leden.
- Meer dan immer vrees ik den Grooten Nacht.
- BRUILOFT TE SILOUAN.
-
- Van uit de diepe dalen
- Klinkt het wijd bruiloftslied.
- De Maan en de sterren stralen
- Mijn hijgend hart rust niet.
- KLAAGMUUR.
-
- Daar wieken zwaluwen hun laatste slagen.
- De sterren scharen zich in het klare uur.
- De wind verstilt zijn avondvlagen.
- Groot en Eeuwig de Muur.
- ANATOTH.
-
- Want toen Jeremia een Joodsche jongen was,
- Onschuldig als ik eenmaal ben geweest.
- Trok zóó de grauwe dauw zwaar over 't gras.
- Rijpten de vijgen zóó als voor een feest.
[p. 135]
- DE MUUR.
-
- Want ook voor deze Steenen is geschreven:
- ‘Uit stof zijt ge en in stof zult gij vergaan.’
- Geen oogenblik duurt heel ons leven.
- Wat baat het dan of wij weerstaan?
- VIJGENTUIN IN ANATOTH.
-
- Wij plukken vijgen van de volle boomen,
- Als bloemen geurig in hun groene schil.
- Vanwaar is ons dit groot geluk gekomen?
- Wat meent de Eeuwigheid weer met deze nieuwe gril?
- BRON VAN AIN FARA.
-
- Geen water dan de dalbron ver en diep,
- Wij dalen langs de donkre delling neder.
- Wij kussen 't water wakker, dat hier sliep.
- En 't water kust de lippen weder.
- EEN OOGENBLIK.
-
- Hij boog dorstig-drinkend over de beek.
- En kuste zijn eigenen mond zóó teder.
- Terwijl ik één Oogenblik naar hem keek
- Viel mijn bloed neder.
- BEDONIENEN.
-
- De schoone Knapen van de Zwarte Tenten:
- In den winter wonen zij te Anatoth.
- Maar met het schralen branden van de Lente
- Zoeken zij verder een genoegzaam lot.
[p. 136]
- ONTSPANNING.
-
- Een wereld van al zinnelijke schoonheid,
- Drong ik terug voor een vrome volkskracht.
- Jeruzalem: niets dan koopmans-gewoonheid.
- En nu herneemt de zinlijkheid zijn macht.
- IEDER HET ZIJNE.
-
- Wat kan de bron meer dan rijk vloeien?
- Wat kan de vijgenboom meer doen dan bloeien?
- Vraag dan geen vroomheid van een rustloos hart.
- Geen vroolijk lied van een, die krimpt in smart.
- DE TUIN.
-
- Vijgen, ravijnrozen, Adil, mijn paard.
- Hoe zalig bloeit de tuin van Katamon.
- Geniet uw dag, zoolang de zomerzon
- Met zijn vreugde uw hart bezwaart.
- ADIL EFFENDI.
-
- Wat ik zie, als ik u zie?
- Alles, maar u niet.
- Ik hoor de verre melodie.
- Van het hartbrekende Lied.
- VEILIGHEID.
-
- ‘God verliet mij’ dacht ik. En door de straten
- Der vreugden dreef ik in geslagen ban.
- Nu weet ik, dat ik God nooit kan verlaten
- En dat Hij mij ook nooit verlaten kan.
[p. 137]
- TIJD EN EEUWIGHEID.
-
- De Tijd kan de Eeuwigheid niet overwinnen.
- Maar kan de Eeuwigheid één Oogenblik overslaan?
- Laat dan gerust uw Ziel en uwe Zinnen
- Op de stroom van de Vreugde vergaan.
- SUBHI.
-
- Subhi: dat is: ‘Geboren in den Morgen’
- Dat héél zijn Dag één morgen moge wezen.
- Als rozen en als vogels zonder zorgen.
- Maar mijn hart wankelt in waanzinnig vreezen.
- RUST EN ONRUST.
-
- Jeruzalem: Gods heemlen hoog geheven,
- Boven de dalen van de Heilge Stad.
- Hoe zoude ik deze zaalge rust beleven
- Wanneer ik niet al mijn schoone onrust had.
- R. CHAIM SONNEFELD.
-
- Hij was een Knaap. Is hij nimmer bezweken?
- Hij werd een Man. Heeft hij altijd weerstaan?
- Straks dwaal ik met Adil weer door de streken,
- Van licht en schaduw in de volle Maan.
- EEN SYRISCHE DANSER.
-
- Danst gij maar vrij. Mijn Lied zal voor u dansen.
- Al is uw maat ook schooner dan mijn maat.
- En ik bedenk, langs hoeveel rijke kansen
- En hoeveel kwade keer mijn leven gaat.
[p. 138]
- HEBRON.
-
- Want dezen avond is God groot in mij.
- Waar zijn al mijne smarten, al mijn zonden?
- Hij heeft de banden van mijn hart ontbonden,
- En voert mijn wegen vrij.
- EEN DANSER.
-
- Neen: niet de hemel. Niet Gods bloeiende aarde.
- Ik denk aan u. Ik denk aan u alleen.
- Alles wat mij jaren bezwaarde,
- Danst gij verruklijk heen.
- TROOST.
-
- Wees niet angstig voor wat wij saam voldreven.
- God en wij beiden weten het alleen.
- En Hij vergeeft, wat geen menschen vergeven.
- En vaagt als wolken al uw zonden heen.
- ALS WIJ WEDER UITRIJDEN.
-
- 't Water zal zingend stroomen door de beken,
- En schaatrend klateren bij elken val.
- Wij rijden. Veel genieten. Weinig spreken.
- En weten, dat alles versterven zal.
- HET GOEDE LEVEN.
-
- O, dit is een van Gods geliefde dagen,
- Dat al de kleine dingen eeuwig zijn.
- De warme stal.... paarden.... schapen, die dragen,
- En lammeren van gistren wol en fijn.
[p. 139]
- WATERWERELD BIJ BITTIR.
-
- Het water zingt. De zonnestilte luistert.
- Het water lacht en de echo lacht het na.
- Geen wolk, die Gods heilgen hemel verduistert,
- Terwijl ik met hem nieuwe wegen ga.
- TERUGTOCHT.
-
- Ik schreide, toen wij langzaam huiswaarts reden
- Hij zeide: ‘Aan allen, die gij thans gedenkt,
- Geve Allah zijne zegen en zijn vrede,
- Gelijk Hij thans ons Zijnen Vrede schenkt.
- GELUK.
-
- Wij rijden peinzend over 't paard gebogen.
- Wij zien op. En wat zien we? Elkanders lach.
- Gods hemel in elkanders open oogen.
- En over de aarde wijd den blijden Dag.
- STROOMEND WATER.
-
- Het water breekt zich uit de diepe bron.
- Het ziet het licht en juicht blijde verrast.
- Straks stijgt het weder zalig naar de zon
- Dat nu van de rots naar beneden plast.
- GELUKKIG GEVANGEN.
-
- Het lied van het water loopt met ons mede.
- De Wadi daalt brekend over de rots.
- De zon straalt hoog, wij dalen naar beneden
- Gevangen in den eeuwgen vrede Gods.
[p. 140]
- LENTE.
-
- Menschen: bouwt uw welgestemde instrumenten.
- God bouwt het geluid van den waterval.
- Bouwt uwe paleizen, hij spant de tenten
- Van zijnen hemel over berg en dal.
- OVERAL WATER.
-
- Het water woelt zich door de donkre steenen,
- Dat langs de rotsen naar de vlakte schiet.
- Hier wordt al mijn rustloos lachen en weenen
- Rustig in breede banen van het Lied.
- WATER EN ZON.
-
- Stroomt water of stroomt zonlicht langs de rotsen?
- 't Is alles één; water en zilverzon.
- Het streept. Het schuimt. Gebroken golven klotsen.
- Over de volle bekkens van de bron.
- MIJN MEESTERS.
-
- Geef mij voor mijn lied geen andere Meesters,
- Dan het water, dat van de rotsen valt.
- En de wind spelend met boomen en heesters.
- De vogel, die in 't blauw verloren schalt.
- RIJKDOM.
-
- Wij rijden weer het lied van 't water tegen:
- De wadi valt, gelijk de wadi viel.
- Maar wij rijden nu rijker met Gods zegen
- En onze blijde vriendschap in de Ziel.
|