[pagina 141-150]
[p. 141]
- HERFST.
-
- De dagen van de Herfst zijn weergekomen.
- En alle schaduwen zijn diep en teer.
- Een dunne mist doekt om de dorre boomen.
- Twee vogels zingen: keer en tegenkeer.
- EEN DANSER.
-
- Er gloort een gloed in zijne donkere oogen.
- Er breekt een zalig lachen om zijn mond.
- Wat heugenis heeft hem de ziel bewogen,
- Tot hij de maat dier rijke droomen vond?
- NAGIB DANST.
-
- Hij danst zijn sierlijke Syrische dansen.
- Zijn voeten vinden maat en rijke rijm.
- Zijn mond lacht zalig open. De oogen glansen.
- Geeft hij ons of verbergt hij zijn geheim?
- J. TROMPELDOR.
-
- Hij streed nog, fel gewond aan teerste leden.
- Zoolang tot zijne stem en zijn hart brak.
- Ik boek de laatste woorden, die hij sprak:
- ‘Die strijdend stierf, wenscht zijn Volk vrede.’
- JEUGD (REHOBOTH).
-
- Ik heb geleefd: nu zie ik rustig leven,
- Die veel verlangen en dien weinig heugt.
- En ik bedenk: ‘Langs zoo veel vreugd gedreven,
- Vind ik het meest in 't rustig schouwen vreugd’.
[p. 142]
- ZORGELOOS.
-
- God schiep den vogel, die den morgen
- Begroet vóór dat het morgen is.
- Wat zal ik dan nog wroegend zorgen
- Om ieder machteloos gemis?
- DROOM.
-
- Vannacht droomde ik rijkelijk van Parijs.
- Een zee van huizen, heemlen hoog, de Seine:
- De Nerval, Baudelaire, Paul Verlaine.
- Ik waakte. Hier. Mijn kamer wreed en grijs.
- DE KUDDE.
-
- De kudde gaat. De bonte lammren loopen
- Met zachte pootjes over 't zachte zand.
- De hemel geeft zich godlijk open
- Aan het hemelsche land.
- AKKO.
-
- Hier is geen herinnering en verlangen.
- Wat valt ons dan het zalig dwalen licht.
- Langs haven, door gewelven en door gangen
- Waar ieder rustig zijne taak verricht.
- ZIEK.
-
- Adils roode rozen geuren.
- Ik lees, wat ik vroeger schreef.
- De dag vergaat. Wat zal ik treuren?
- Ik ging, waar het leven mij dreef.
[p. 143]
- MACHTLOOS WOORD.
-
- Geen woord zoo frisch als ochtenddauw.
- Geen woord zoo heet als zomerzon.
- Ik wilde, dat ik zeggen kon,
- Wat ik gevoel aan liefde en trouw.
- TWIJFEL.
-
- Hoe weet ik, dat God alles heeft vergeven,
- Toen ik van morgen mijne druiven at.
- Druiven van Gaza en de tros geheven,
- Eén bitter oogenblik in 't zonlicht zat.
- VRIENDSCHAP.
-
- Gelijk het vuur het hout verlangt.
- Gelijk het hout het vuur bemint.
- Gelijk de rank de rots omvangt,
- Als zee en wind.
- SNELLE VAART.
-
- De zwarte geiten langs de bergen loopen,
- Waar mijn wagen de snelle wegen vaart.
- Wat zal mijn hart dan nog haten en hopen?
- De hemel is van God en ons is de Aard.
- WAARDLOOZE WIJSHEID.
-
- Wat mij van alle wijze lessen scheidde?
- De zee, de wind, de stoute Joodsche Knaap.
- Laat wijsheid wijsheid zijn. Wij dwaalden beiden
- Waar de wind en de zee slaan over rots en kaap.
[p. 144]
- EENZAAM.
-
- De Zee groot en eenzaam.
- Geen mensch is mij gemeenzaam.
- O, leven tranendroef en tranenblind,
- Waar ik vertroosting vind?
- DE ZEE.
-
- De zee nooit leeg van woelend water,
- De lucht nooit leeg van wind.
- Het lied eerst stil, dat later
- Door de Eeuwigheid weder zijn tocht begint.
- ZEEVAART.
-
- Van zuiver zilver is de zon.
- Het water van de zee valt ruig en zout.
- Dit is de dag, die rijk begon
- En zijn beloften houdt.
- ONRUST.
-
- De zee rusteloos als mijn hart.
- En mijn hart wijd als de zee.
- De golven slaan. Al mijn geslagen smart
- Draag ik rustloos mee.
- STRANDJONGENS.
-
- Niets dan hunne naakte in het water.
- En hunne kleeren op het strand.
- Maar blijde en vrij valt hun geschater
- Waar de zee zijn golven brandt.
[p. 145]
- ZWOEGENDE MENSCHHEID.
-
- Wat zult ge in donkre mijnen graven,
- Naar weinig waard: zilver en goud.
- Terwijl de zon zijn onbesomde gaven
- Van goud en van zilver voor u geopend houdt.
- DAG EN DAG.
-
- Gij kunt toch niet uw dag tot den andren bewaren.
- Geniet dus uw dag zoo lang het uw dag nog is.
- Eens vallen over u de donkre jaren,
- Zwaar van gemis.
- STILLE WANDELING.
-
- Wat de stille wandlaar in het zeelied hoort,
- Weet de wreede genieter niet.
- Hij gaat door wind en water zacht bekoord,
- En luistert naar zijn eigen lied.
- RUST.
-
- Een kleine boot ligt aan de ree.
- Wie kent al zijne tochten?
- Mijn dagen rusten aan de zee
- Van alles wat zij rustloos zochten.
- EEN OOGENBLIK.
-
- Langs eeuwige tochten is het gekomen,
- Dit eenige oogenblik
- Het valt weder uiteen in eeuwge stroomen:
- De zee, de wind, de zon, de stad en ik.
[p. 146]
- JAFFA.
-
- De rots van Jaffa, de Jaffa ree,
- De haven en de wijde vloot.
- De zon over de volle zee.
- Het leven en de dood.
- KERKHOF AAN ZEE.
-
- Waar twee mannen met zijn lijk dragen,
- Hij stierf zoo smal, hij valt niet zwaar.
- Daar ruischt de zee, de winden vlagen
- Met het witte doodenkleed van de baar.
- VERGEEFS.
-
- Die door verlangen en herinnering
- Ontrust, om rust naar 't zeestrand ging.
- Hij zag de knapen baden naakt en teer,
- Hij zuchtte en hij vond al zijn onrust weer.
- VERGAAN.
-
- Waar is het woord, dat u gisteren koosde?
- Waar is, dien ik u gistren schonk, de wijn?
- Waar zijn de rozen, die bloeiden en bloosden?
- Vandaag duistere dorst en pijn.
- VOORBIJ.
-
- Ik dronk den wijn. Nooit zal ik weder vinden
- In de Eeuwigheid, wat één Oogenblik was
- Een glas met wijn, al was ik als de winden
- En als het licht zoo ras.
[p. 147]
- SPOORWEGARBEIDER.
-
- Hij slaat zijn sterk gebaar. Het is verdwenen.
- Een Oogenblik in de Eeuwigheid gestaan.
- Straks dreunt de trein weer langs zijn baanweg henen.
- Hoe is in het werk het werken vergaan?
- NIMMERMEER.
-
- Kon 'k nog eens met de Rose Castle varen,
- Over die Zee van spiegels als een meer.
- Maar verloren zijn de verloren jaren.
- En geen Eeuwigheid brengt een genoten Oogenblik weer.
- VERLOREN.
-
- Een oogenblik: 't oogenblik is verloren.
- Geen eeuwigheid wint het eeuwig weerom.
- Wat zal ik zingen en wat zult gij hooren?
- Een Dood maakt uw oor doof en mijn mond stom.
- LEEGTE.
-
- Ik ken de proef van zooveel zachte monden.
- Ik ken het zoete en het bedroevend lied.
- En dit is 't eind van wat ik heb gevonden:
- Een leegte, die zich nooit verzadigd ziet.
- RUSTIG ONTWAKEN.
-
- Meestal roept de Nacht mij wakker,
- Voor de Dag begint.
- Over heuvel, over akker,
- Wijken sterren, wijkt de wind.
[p. 148]
- ONTROERING.
-
- Ik weet, waar de Eeuwigheid mij heeft bevangen:
- Waar de sparren dicht aan den landweg staan.
- Waar wij verzadigd van lust en verlangen
- Te paard naar Nebi-Samwil zijn gegaan.
- EENHEID.
-
- Hoe zijn twee bloeddroppels samen verloren,
- En hoe gevangen in één hartestroom.
- Al wat ik heb zal u gelijk behooren,
- Mijn lied, mijn daad en droom.
- EEN NAAM.
-
- In uwe naam is al muziek gevangen.
- Ik zeg uw naam, de muziek zingt zich weer.
- Al mijn onrust, al mijn tuchtloos verlangen
- Wordt, als ik uw naam zeg, rustig en teer.
- VREDE.
-
- Was ik geen Dichter, ik was het geworden,
- Door het hooren van uwen schoonen naam.
- Alles wordt stil, wat machtloos in mij morde.
- Dit is mijn land en hier rijden wij saam.
- AAN......
-
- In de wind hoor ik de wijde zee.
- Wind en zee tusschen ons beiden.
- De storm staat op. O, lijd gedwee.
- Als de wind waaien de tijden.
[p. 149]
- SINT-KILDA.
-
- Waar is het schip Sint-Kilda? 'k Was een Knaap.
- Toen nam de schipper mij mede aan zijn boord.
- Weer staat de storm. Door droom en slaap
- Heb ik vannacht zijn stem gehoord.
- GESCHEIDEN WAAK.
-
- Waak gelaten. Ween niet
- In uwen verlaten nacht.
- Die gij ver alleen liet
- Waakt als gij de wacht.
- ANGST.
-
- De storm staat op. Het angstig duister
- Siddert geslagen door den wind.
- Mijn hart slaat groot. Ik wacht. Ik luister
- Van God ontzind.
- WIJNDRONK.
-
- Wie dezen nacht ontmoeten?
- Ziel of zinnen?
- Laat den wijn ons lot verzoeten,
- En laat ons hart verrukt beminnen.
- LENTE.
-
- Stil: de lente is over het Land gekomen.
- De Aarde wacht sidderend zijn zalig lot.
- Ik herken mijn daden niet en mijn droomen,
- Mijn lied, mijn ziel en God.
[p. 150]
- VREUGDE.
-
- God en mijn ziel zijn één.
- De lente is tusschen ons beiden.
- Over sterren en tijden
- Wiekt mijn lied heen.
- GELUK.
-
- Het Lied, van God gekomen,
- Zingt zich naar God weer uit.
- Het dal.... de bronnen stroomen
- Waar de hooge vogel fluit.
- LENTE-AVOND.
-
- Alleen, maar niet verlaten.
- Gods Liefde is overal.
- Jeruzalem...., zijn straten,
- In den schoonen avondval.
- EEN KLEIN KWATRIJN.
-
- Avond. Vroeger heb ik in trots geschreven,
- Liederen machtig van vreugde en van pijn
- Mijn dag berust. En mijn gelaten leven
- Is niet grooter dan dit siddrend kwatrijn.
- OOK VERGEEFS.
-
- Bij wijn en wellust heb ik mij gelegd.
- Bij wijn en wellust is de nacht vergaan.
- 's Morgens ben ik wreed opgestaan.
- ‘Is dit alles?’ heb ik gezegd.
|