[pagina 151-160]
[p. 151]
- VERLATEN.
-
- Niet één heeft zóó goed het goede geweten.
- Niet één heeft zóó slecht het slechte gedaan.
- En nu: verlaten voor mijn vuur gezeten,
- Zie ik mij-zelven aan.
- VERLOREN.
-
- Gij drinkt den wijn. Ik drink uw donkre kussen,
- Die beter zijn dan de gedegen wijn.
- Geen tranen kunnen mij de branding blusschen,
- Diep in 't hart van mijn zoet-wroegende pijn.
- HEBRON-BERSEBA.
-
- Er vliegt een vlucht van kleine kwartels.
- Een arend vaart gestadig door de lucht.
- Mijn hart bezint zich op iets liefs en dartels.
- Maar voor ik goed weet is 't ontvlucht.
- IN HET VOORBIJGAAN.
-
- De schapen met hun kleine schapen.
- De geiten met hun dravend kroost.
- Gesteund op hunne stok de herdersknapen,
- Wier blik, als wij voorbijgaan, peinst en poost.
- MACHTLOOS.
-
- Ik lees mijn liederen. Ik voel het leven.
- Straks leest een Knaap mijn lied en ik ben dood
- Dan sterft ook hij. Geslachten gaan gedreven.
- En wat hen drijft, weet geen in drift en nood.
[p. 152]
- HEBRON.
-
- Zij, die praten, die peinzen en die handelen,
- Zitten in de bonte bazar bijeen.
- Wij koopen druivenkoeken met amandelen.
- En gaan dan, genietend den morgen, heen.
- GELATEN.
-
- De kleine woorden van den dag zijn weer gesproken.
- De kleine dingen van den dag zijn weer gedaan.
- 't Geluk, dat ik verwachtte, is niet ontloken.
- Ik kan gelaten slapen gaan.
- GODS WIL.
-
- Gods wil heeft mij goede wegen geleerd.
- Zijn wil laat mij de kwaadste wegen gaan.
- Door vroomheid en vreugde word ik verteerd.
- Veel gebeden, niets weerstaan.
- TEVREDEN.
-
- Wat niet voor mij is, zal ik niet verlangen.
- Van wat voor mij was, heb ik mij ontdaan.
- Ik ben tevreden met de kleine zangen,
- Die in vier regels mijmren en vergaan.
- DROEFHEID.
-
- Als ik niet slapen kan, wie brengt tot slaap
- Den slag van mijn geslagen hart.
- Ik ben zóó moede.... ik was een Knaap.
- Het is alles niets. Dood en zwart.
[p. 153]
- GETEMD VERLANGEN.
-
- Laat mij niet meer dan de lach van dit kind.
- Niet meer dan het zacht ruischen van den wind.
- Een weinig wijn en de schijn van de zon.
- En de rozentuinen van Katamon.
- ONTWAKEN.
-
- Heugenis van den wind.
- Verlangen naar den wijn.
- Ik worstel met een grove pijn
- Terwijl de dag begint.
- TIJD.
-
- Er zingt een vogel diep in 't blauw.
- Een klok wijst onzen dag en wijst ons uur.
- Vraag niet naar vreugde en niet naar rouw,
- Elke dag houdt slechts eenen dag zijn duur.
- JOODSCHE NIJVERHEIDSSCHOOL.
-
- Zij smeden Torens voor eene Wet, die zij schennen.
- En Luchters voor een Feest, dat zij niet vieren.
- Maar eens zal ons vroom Volk zich zelf weer kennen,
- En 't Heilig Land met heilige kunst sieren.
- MIJN LIED.
-
- Ik ben geen groot, ik ben niet een wijs Dichter,
- Mijn lied zingt enkel zinnelijk en teer.
- De voeten van mijn vers gaan licht en lichter,
- Wijsheid.... grootheid.... maar is muziek niet meer?
[p. 154]
- LEVENSGENOT.
-
- Wat is de prijs van één Oogenblik? Jaren.
- Wat is de prijs van het Leven? De Dood.
- En toch: vrees niet voor wroeging en gevaren.
- Geniet uw leven met zijn lust en nood.
- GRANATEN.
-
- In de granaten proef ik 't Eeuwig Woord.
- Proeft gij in mijn woord de felle granaten?
- De tuin van Katamon: ik ben verlaten
- God is wreed. Hij heeft niet verhoord.
- HET NIEUWE LEVEN.
-
- Zijn Vader reed paard, toen hij werd geboren.
- Hij rijdt en raast in een automobiel.
- Jeruzalem valt in een vaart verloren.
- Waar blijft de schoonheid van zijn vrome ziel?
- KWATRIJNEN.
-
- Vraag van mijn lied geen wijsheid en geen grootheid.
- Dit zijn vier regels en meer heb ik niet.
- Maar tot de wanhoop van mijn wreeden doodstrijd,
- Laat mij het lied, het lyrisch lied.
- ZEKERHEID.
-
- Geen mond is teerder dan de beker,
- Geen kus zuiverder dan de wijn.
- Drink goed. In 't leven zijn slechts zeker
- Vreugden en pijn.
[p. 155]
- ZATHEID.
-
- Toen elke zonde tot het eind vervuld was,
- Toen er geen teer geheim te schennen bleef,
- Toen elke schaamte schaamteloos onthuld was,
- Dacht ik: ‘Is dit alles, wat ik beleef.’
- DROEFHEID.
-
- Het is de moeite niet waard te weerstaan.
- En 't genieten is niet de moeite waard.
- Nog weinig jaren en wij zullen gaan
- Naar 't donker dal met onze vloek bezwaard.
- KATAMON.
-
- De rozen bloeien weer in het ravijn
- Van Katamon door zonnegloed verteerd.
- Eens laten wij de rozen, waar zij zijn
- Voor het donker land, waarvan niemand keert.
- ANGST.
-
- Angst voor het Leven.
- Angst voor den Dood.
- Wild voortgedreven,
- Langs lust en nood.
- NEDERVAL.
-
- De vogel vliegt, de vogel rust.
- Ik keer van mijn hooge gebeden
- Met onrust brandend in mijn leden
- Naar wijn en lust.
[p. 156]
- GENOT.
-
- Die zijn tros druiven liefkoost in zijn handen,
- Die zijne vruchten één achter één plukt,
- En berstend stukbreekt tegen zijne tanden,
- Kan die zeggen, dat hem het leven is mislukt?
- ONRUST.
-
- Als ik een vogel was, kon ik vliegen al naar mijn lust.
- Vloog ik naar het water in de Wadi van Kilt.
- Of ergens anders? Ik denk iets anders. Onrust,
- Die Dood slechts stilt.
- VOORBESCHIKKING.
-
- God zegt: ‘Ik zal, dien ik verblijd, verblijden’
- Is er dan geene zonde en geene deugd?
- Dan kan ik ook wel met Omar en Fachmie rijden.
- De wegen van verboden Vreugd.
- LATE HERFST.
-
- Een bonte markt vol sinaasappels en citroenen.
- Granaten en de druiven zijn gedaan.
- Zoo gaan de dagen weg en de seizoenen.
- Ik zie het machtloos aan.
- ALLES EEN.
-
- God, die de Meester is van Zijn Geboden,
- Is ook de Meester der verboden Lust.
- Vandaag deel ik den wijn met mijn genooden.
- Morgen vier ik de vrome Sabbathrust.
[p. 157]
- EENHEID.
-
- Als Gods heilige Wet wordt voorgelezen,
- Denkt gij, dat ik één vrije lust vergeet?
- En elke lust genietend zonder vreezen
- Denkt Gij, dat ik Gods Wet niet weet?
- ALLES VAN GOD.
-
- De menschen hebben lust en leed gescheiden.
- Maar God houdt hen als dag en nacht te saam.
- Ik ken de lust. Ik ken het hevig lijden.
- Ik loof Gods éénen Naam.
- AAN DE LATEREN.
-
- Wat ik geschreven heb, dat blijft geschreven.
- Wat ik misdreven heb, dat is gedaan.
- Ik sterf getroost. Maar zij, die later leven
- Zullen mijn lied, mijn leed en mijn hartstocht verstaan.
- GODS GAVEN.
-
- Mijn vroomste liederen heb ik geschreven,
- Wanneer ik opstond van het zondig bed.
- God heeft mij een schat van zonden gegeven,
- En God alleen heeft mij van mijn zonden gered.
- VERGANKELIJKHEID.
-
- Wat morgen wezen moet, zal morgen wezen.
- Wat heden is, zal morgen niet meer zijn.
- En gisteren.... o, geniet zonder vreezen
- Uw deel van dezen teedren wijn.
[p. 158]
- GEPIJNIGD HART.
-
- Iedere hartslag doet mij pijn.
- En hoeveel slagen gaan er in een leven?
- Ik heb te veel genomen en te veel gegeven.
- Wat zal het einde zijn?
- GELUKKIGE HEUGENIS.
-
- Het bittere verdriet doet nooit vergeten,
- De zoete vreugde, die eens is geweest.
- Verslagen in een eenzaam huis gezeten,
- Geniet ik nog heugnis van ieder feest.
- LAAT MIJ ALLEEN.
-
- Denk niet: ‘wat is hij arm, wat is hij eenzaam.’
- Alleen de zwakke is arm in eenzaamheid.
- Mij is 't Lied van zooveel dichters gemeenzaam.
- En 't eigen lied troost den Dichter, die lijdt.
- HASSAN.
-
- Zijn moedertje ontdoet hem van zijne kleederen
- Het water rimpelt van het kleine bad.
- Mijn hart siddert in één geschuwd vertederen.
- Is Jeruzalem niet Gods heilge Stad?
- HET WAARDLOOS LIED.
-
- Ik weet het wel: de wereld breekt in rampen.
- Ik schaam mij voor de kleine schoonheid van mijn lied.
- Wreed wonder, waar de volken bloedend kampen,
- Zingt mijne ziel getroost van 't wonder, dat zij ziet.
[p. 159]
- HET EINDE.
-
- Laat de vogel snel zijn.
- Laat de liefde fel zijn.
- Het valt alles den Dood ten buit.
- Eén dag: lied en liefde zijn uit.
- MACHTLOOS.
-
- De macht, die den Tijd drijft, kan hem niet keeren.
- En wat kan dan de macht van eenen Man?
- Laat ieder oogenblik u leeren,
- Dat geen oogenblik duren kan.
- GENIET UW UUR.
-
- Is de Tijd blind? Wees gij dan ziende.
- En let, dat ge uw lot wel geniet.
- Deel zonder vrees met uwe vrienden
- Den wijn en 't lied.
- ZIEKENHUIS.
-
- Een kamer zonder uitkomst op de straten,
- Niet anders dan een bare binnenmuur.
- Ik ben bereid. Van mijn leven verlaten
- Sterft ieder uur één uur.
- EEN LOT.
-
- Ik heb onder mijn wilde drift geleden,
- Tot ik het wist: ook de zonde is van God.
- Mijn wellust en mijn wankele gebeden:
- Het is één lot.
[p. 160]
- ANGST.
-
- Londen, Stad, van uw donkre stem
- Droom ik hier te Jeruzalem.
- Eén schrijn, die 't hart rusteloos pijnt:
- Angst voor het eind.
- KLAAGMUUR.
-
- Niet meer dan stuivend stof zijn deze steenen,
- Op den ijzigen windvaart van den Tijd.
- Wat baat het of harten hier weenen?
- IJdelheid. IJdelheid.
- VERGEEFS.
-
- Ik denk aan liefde en zangen.
- Aan jeugd en heerlijkheid
- Vergeefsch is al verlangen.
- Daar vaart de Tijd.
- WANHOOP.
-
- Zeg niet: ‘mijn leven is mislukt’
- Neen: het Leven is eene mislukking van God.
- De hand, die heden bloemen plukt,
- Krampt morgen in zijn laatste lot.
- LAAT MIJ.
-
- Want alles kan men overwinnen,
- Maar niet zichzelven en den Dood.
- Laat mij de weelde van mijn zieke zinnen
- En al mijn nood.
|