[pagina 161-170]
[p. 161]
- ONMACHT.
-
- Waarom de vogels in den morgen zingen?
- Waarom mijn hart bij lied en lente treurt?
- Geen macht kan Dood en Leven dwingen.
- Eén lente.... een lied.... het is gebeurd.
- FOUAD SPREEKT.
-
- Er zijn dieven, die groote woorden spreken.
- En de paarden vervoeren uit hun stal.
- Zij kunnen met hun woorden deuren breken.
- Heer: ik vrees. De dieven zijn overal.
- VELEN EEN.
-
- De Tempelmuur: zij gaan en komen:
- De Jemenieten met hun fijn gelaat,
- Ashkenaziem, Sephardiem, bont gewaad,
- Uit ieder land, van 't ééne Volk, de vromen.
- EENHEID.
-
- Dit is des Volks Eenheid nimmer gebroken
- Bij kampende kans en bij keerend lot:
- Het woord, dat driemaal daaglijks wordt gesproken:
- ‘Israël: God, onze God is één God.’
- R. CHAIM SONNEFELD.
-
- Hij, die bij zijn gebeden en zijn brood,
- In een kleine kamer zijn dagen slijt,
- Wat deert hem heel uw wereld en uw nood,
- God deelt hem van Zijn Heerlijkheid.
[p. 162]
- ZACHTE WINTER.
-
- De winter brengt hier menig lentemorgen,
- Van zachte zonneschijn en heerlijkheid.
- Wat houdt het leven nog voor ons verborgen?
- Vraag niet. Geniet uw tijd.
- GEHEIME GELEIDER.
-
- Als ik niet een Geleider had,
- Hoe zoude ik dan, geslagen en verblinde,
- Doelloos verdwalend uit de Stad
- U hier, bij de bron slapend, hebben kunnen vinden?
- AFRIT.
-
- Twee eigen paarden met een mooie wagen.
- Een knaap, die ons lieflijk bedienen zal.
- Daar liggen voor ons vele vrije dagen,
- Zoo heerelijk als de vlakte en het dal.
- HEBRON.
-
- Aan weerszij van den weg de goede gaarden,
- Wij zijn moede, maar met vreugde in de ziel,
- Wij komen van El-Kuds met onze paarden,
- Naar de Stad van Abraham, El-Khalil.
- TEVREDEN.
-
- Want Allah heeft ons wel héél lief vandaag.
- Hoe zacht en zonnig is het lenteweer.
- De heuvelen van Juda, en daar vaag
- Over de zee Moab's bergen zóó ver en teer.
[p. 163]
- BAZAR.
-
- De donkere Bazar met zijne straten.
- En ieder winkeltje eene warme nis.
- Daar zitten de kooplieden zóó gelaten
- Of handel wijsheid is.
- KLEIN LEVEN.
-
- Zij drinken kleine koffie-kopjes.
- De kleine koffie-knaapjes gaan
- Sierlijk gekleed op roode slofjes,
- En brengen af en aan.
- TWIJFEL.
-
- Het dorp Bêt-Iskahil. Eskol misschien
- Waarvan 't Verhaal van de Verspieders spreekt.
- Zijn wij nu sterker? Trouwer? En verbreekt
- Ons Volk zijn ban? Wie zal de Vrijheid zien?
- DORSCHTIJD.
-
- Het kleine dal: een luid en bont gewemel
- Van mannen, die het koren slaan.
- De huizen laag en hoog Gods diepen hemel,
- Waarin de vogels vallen en vergaan.
- NACHTRIT (BERSEBA).
-
- ‘Heer’ zegt manend onze kleine Fouad
- ‘Ziet naar de sterren. Zij staan laat’
- Wij keeren stappend naar de stille Stad,
- Terwijl de Nacht reeds schemerend vergaat.
[p. 164]
- DE GIDSEN.
-
- Jozef en Benjamin: twee stoute rakkers,
- Rijden met ons op mooie paarden mee,
- Door de Bazar en langs de pottenbakkers,
- Door gerstvelden naar de zonnige zee.
- WEEMOED.
-
- Er is de zachte, zoele, wind.
- Er is de weemoed, die ons nooit verlaat.
- Wat baat de dag, die vroeg begint.
- En 's avonds met den wind vergaat?
- GAZA.
-
- Zoo zal ons dit van Gaza blijven:
- Het huisje, waar men zeven vlecht,
- Waar pottenbakkers hun wiel drijven.
- En de twee jongens lief en slecht.
- BLIJHEID.
-
- Hun vader is een boer geweest
- In Rusland en het lot heeft hen verdreven.
- Zij hielden toen ook paarden. Welk een feest,
- Dat wij hun vrijheid over onze paarden geven.
- AFSCHEID.
-
- Wij rijden hier. Zij wuiven ginder
- De twee knapen, Jozef en Benjamin.
- Heeft men een stad niet dikwijls lief voor minder
- Dan voor twee jongens stout van zin?
[p. 165]
- GELUKKIG LAND.
-
- De zandweg van Medjdel naar Askalon.
- De tuinen vol goudappels en citroenen
- Zomer of winter: in alle seizoenen
- Is dit land gelukkig rondom de bron.
- DJORAH.
-
- Hier wordt visch, zóó goed als zilver, gevangen.
- En op ezeltjes naar de Stad gebracht.
- De wind waait zoel langs onze wangen.
- De paarden stappen langs den zandweg zacht.
- VERLOREN STAD.
-
- Van Djorah weer door een oase.
- Tot aan 't verloren Askalon.
- Waar kleine kudden spreidend grazen
- En 't water drinken uit de bron.
- HET HEILIG LAND.
-
- Rondom de bronnen bloeit het Leven.
- En waar geen water welt, daar is de Dood.
- Eenmaal zijn we uit ons Land verdreven.
- Keert zich tot vreugd de nood?
- KLEIN LEVEN.
-
- Wat blijft er over van de wereld?
- Een knaap, die water breekt, uit hunne wel.
- Het water, dat in zijn kruik perelt,
- En van den wind het wufte spel.
[p. 166]
- KINDEREN.
-
- Doodlijke verveling van kinderoogen.
- Vaalheid van onvervulde kinderhanden:
- Laat mij mijn hartstocht zonder mededoogen,
- Waarvan lippen, oogen en handen branden.
- ROZEN-RAVIJN.
-
- Het diepe rozen-ravijn van Es-Salt,
- Waar het water donker-verborgen valt.
- O, Lied, dat naar uw wet, door God gesteld,
- Als rozen bloeit, als donker water welt.
- WANHOPIGE NACHT.
-
- Gonzen van een mug door den slapeloozen Nacht.
- Wanhoop, die machtloos woedt.
- Wat heeft het Leven mij gebracht?
- Rozen, doornen en bloed.
- VERMANING.
-
- Wijn, muziek en rozen,
- Denk niet aan straf en pijn.
- Tot aan het ochtendblozen
- Laat ons te samen zijn.
- VRIJHEID.
-
- Niet meer droef en niet meer blij zijn.
- Van alles als een vogel vrij zijn.
- Het werk des Daags, de wijn des Nachts
- En de Dood nimmer onverwachts.
[p. 167]
- ONBEVREESD.
-
- De vogel, die het hoogste zingt,
- Heeft zijn nest in het diepe dal.
- O, hart, wanneer de vreugde u dringt,
- Vrees voor geen val.
- KALME NACHT.
-
- Na de drift van den dag,
- De rust van de Nacht.
- Na waag en winstbejag
- Het Lied, zoo wonder, wonderzacht.
- VERLOREN NACHT.
-
- Wat zal ik slapen?
- De Tijd vergaat.
- Geen list, geen wapen,
- Dat hem weerstaat.
- VERGEEFS.
-
- Slaap of waak
- 't Is alles één.
- Als de ochtend naakt
- Is de Nacht eeuwig heen.
- DANKBAAR.
-
- Dankbaar voor het weidsche lied.
- Dankbaar voor het klein kwatrijn.
- Ik hoor het water weer, dat wellend vliedt,
- In de diepten van 't rozenravijn.
[p. 168]
- AAN......
-
- Ik kan toch altijd aan u denken,
- Schoon ons een weg van weken scheidt.
- Vraag mij niet meer, dan ik kan schenken:
- ‘Het lied, dat ons lot beschreit.’
- DE ROZEN VAN ES-SALT.
-
- Wij zijn langs het bergpad gereden,
- Dicht aan den rand van het ravijn.
- De rozen bloeiden diep-beneden.
- En geen plukt rozen zonder pijn.
- GOD ALLEEN.
-
- Of God bestaat en of Hij hoort
- Het smeeken van mijn machtloos woord,
- Of Hij siddert bij mijn geween
- Weet God alleen.
- DROEVE NACHT.
-
- Een nacht van geweld,
- Een nacht van geween.
- Als vogel de ochtend meldt,
- Is nacht voor altijd heen.
- DE STROOM.
-
- Van den Dag het drijvend verlangen.
- Van den Nacht de zalige droom.
- Het is alles gevangen
- In één gevangen Stroom.
[p. 169]
- STRIJD.
-
- Met God heb ik gestreden,
- Aan God geef ik mijn Lied.
- Vreugd, wroeging en gebeden:
- Meer heb ik niet.
- GEVAAR.
-
- Wat ben ik zonder God?
- Wat is God zonder mij?
- Ik duizel.... het is voorbij.
- Ik lijd mijn lot.
- ALLES VAN GOD.
-
- De vlinders, de vogels, den wijn, de zonden,
- Die God rijk over de Aarde zendt,
- Hij laat hen niet los. Zij blijven verbonden
- Aan Hem in één verbond, dat niemand kent.
- NACHT.
-
- De tastende ontucht van uw teedre handen.
- Het duister.... geur van rozen en van wijn.
- Morgen zal wroeging weder wreeder branden.
- Maar heden: laat ons zalig zijn.
- VERLAMD.
-
- Tot diep in den Nacht heb ik niet geslapen.
- Ik heb geleden en aan u gedacht.
- Nu roept de Dag mij weer tot werk en wapen.
- En mijn verlangen maakt mij zonder macht.
[p. 170]
- DE ROZEN.
-
- De rozen van Es-Salt vol in de knoppen.
- Zóó rijpt ieder Oogenblik in den Tijd.
- Mijn handen beven en mijn lippen kloppen.
- O, rozen rood van heerlijkheid.
- WIJN.
-
- Drink ik den wijn in ongemeten maten?
- Of is mijn lied verliefd op het woord ‘wijn’?
- Hoe menigmaal, met mijn droef lot verlaten,
- Troost wijn en lied voor schuwe pijn.
- HET LIED.
-
- Wat is het, dat mijn Liedren drijft?
- De wijn of enkel maar dit woord?
- Terwijl mijn hand de woorden schrijft,
- Wordt het hart door de dorst bekoord.
- GELUKKIGE DRONK.
-
- Van drinkers heb ik 't blijde Lied gelezen.
- Vóór ik een Dichter en een Drinker was.
- Mijn hand: beef niet. Mijn hart: laat af van vreezen.
- Het lied is heerlijk en een beker keert men ras.
- TWIJFEL NIET.
-
- Meer is een Dwaas, die leeft, dan een Dichter, die dood is.
- En den verloren Tijd vindt niemand weer.
- Twijfel niet, wijl de wijn nog vol en rood is.
- Uw mond dorstig en teer.
|