[pagina 171-180]
[p. 171]
- DE VOLLE BEKER.
-
- Geen God kan ons het Oogenblik ontrooven.
- Maar ook: geen God geeft het Verleden weer.
- De druiven rijpten in hun hoven.
- Hier is de wijn, zóó diep en teer.
- DE WIJNKRUIK.
-
- Vrees 't Oogenblik niet. Geen kan het vermijden.
- Vrees het Verleden niet: het is voorbij.
- De koele kruik tusschen ons beiden.
- En gij alleen voor mij.
- VERGEEFSCHE VLUCHT.
-
- Vlucht. Maar uw schaduw kunt gij niet ontvluchten,
- Al waren uw voeten als vogels snel.
- Vlucht niet. Het is vergeefsch. En wat te duchten?
- God kent ons en vergeeft ons wel.
- WELLUST.
-
- In het maanlicht, in het rozenravijn.
- Het water, dat diep welt.
- O, God: ik dank u voor de pijn,
- Die mijn bloed kwelt.
- GENIET UW DAG.
-
- Vraag niet, waar 't uur van gistren is gebleven
- Vraag niet, waar 't uur van heden henengaat.
- Geniet uw leven lang van 't goede leven.
- Eén Oogenblik verzuimd is voor Eeuwig te laat.
[p. 172]
- KAMP VAN DEN EMIR.
-
- Het heete van den Dag vergaan, wanneer wij komen.
- Er is het witte en zwarte licht en schaduwspel.
- De paarden staan gebonden aan de boomen.
- De dienaars dragen water uit de wel.
- KOSTBAAR WATER.
-
- Hier, waar 't water duur is, leert men beminnen,
- Een wel verscholen in den diepen grond.
- En met een vreugd, die vaart door ziel en zinnen,
- Voert men de koele kruik naar zijnen mond.
- MOHAMMED.
-
- ‘Wanneer mijn Heer iets wil, moet hij maar klappen in zijn handen’
- Zegt de kleine Knaap: ‘Ik zal slapen vóór de Tent.’
- Het laatste licht en de laatste schaduw over de landen.
- De Nacht komt groot en onbekend.
- NAZIEF.
-
- Hamid Pascha heeft hem het paard gegeven,
- Dat Nazief al zoo héél lang heeft verlangd
- Hij geniet de eerste geschenken van 't Leven.
- Terwijl wroeging door mijne leden wrangt.
- ANGSTIGE NACHT.
-
- Er is geen licht, geen schaduw meer
- De Nacht sluit dicht en zwart.
- Kondt gij nu rusten van uw zeer.
- O, mijn deerelijk hart.
[p. 173]
- AVOND (TRANSJORDANIE).
-
- Terwijl wij door het groote landschap rijden,
- Er zijn de kudden, die naar huis toe gaan.
- Er zijn de kudden, die den nacht verbeiden,
- In 't dal, waar de watervallen hun hartslag slaan.
- ALS DE BIJBEL.
-
- Hier begrijpt men alles, wat vroeger in de Bijbel is gelezen.
- Hoe heerlijk een moede man zijne voeten wascht.
- En men begrijpt, dat Omar Khayyam de waterkruik heeft geprezen
- Waarin het altijd koele water ons verrast.
- DROEFHEID.
-
- Wijn drinken tot het hart verdronken is.
- En slapen tot de droeve nuchterheid.
- En als de laatste wijn geschonken is,
- Het Lied, dat bitter schreit.
- KWATRIJNEN.
-
- Ook Grieksche dichters schreven in Kwatrijnen.
- Men vindt ze vaak woordlijk bij Omar weer.
- Want overal zijn één der menschen pijnen.
- Hun vreugde en hunne liefde, mild en teer.
- WIJSHEID.
-
- De vreugde van het Lied is in het dichten.
- De vreugd van 't Oogenblik is 't oogenblik.
- Wat in den Tijd leeft, ziet de Eeuwigheid zwichten.
- Denk dan aan Leven en Dood zonder schrik.
[p. 174]
- DWAASHEID.
-
- Hij zegt: ‘Omar Khayyam heeft niet geschreven,
- Alle kwatrijnen, die op zijn naam staan’
- Geleerde Dwaas: heeft het Lied minder leven,
- Omdat de Naam des Dichters is vergaan?
- TALAL EN NAIF.
-
- De kleine Emirs zijn samen uitgereden.
- Nu rijden wij ook rustig door het dal.
- Het Land ligt wijd in verren avondvrede.
- De kudden keeren overal.
- EMIR ABDALLAH.
-
- De Emir zegt: ‘Maar de Tijd is héél verstandig.
- Hij gaat zijne wegen, gelijk hij moet.
- Wat menschen bederven, boos of onhandig,
- Dat maakt de Tijd weer goed.’
- GELUKKIGE AVOND.
-
- Dit is wel een avond om te verdroomen.
- De beek, die langs de tenten gaat.
- De zilverschaduw door de donkre boomen.
- En 't hart, dat niets begeert en rustig slaat.
- BEDOUIENEN.
-
- Het brood is het brood van hun eigen akker,
- Waarbij geen brood van vreemde handen haalt.
- De kruik is het werk van den pottenbakker,
- Die nog met graan en vijgen wordt betaald.
[p. 175]
- RUST.
-
- Zijn Tijd en Eeuwigheid niet overal gelijk?
- En wijn? En rozen? Lachen en geween?
- Zoolang wij leven, is het leven rijk.
- En in den Dood? Dat weet Allah alleen.
- KLAAGMUUR.
-
- Jeruzalem: hier is God wreeder,
- Dan Hij in één Stad is geweest.
- De Klaagmuur: ik buig mijn hoofd neder,
- In een Gebed, dat beeft en vreest.
- SCHOONHEID-VROOMHEID.
-
- Laat mij niet leven zonder lied.
- Laat mij niet leven zonder Gods gebed.
- Ach: angstig wanklend weet ik niet,
- Of Schoonheid of dat Vroomheid redt.
- GEBED.
-
- Wie liedren leest, verzinkt als in gebeden.
- En is het gebed niet schoon als het heilig Lied?
- Een huivring voeren beiden door mijn leden.
- Maar of God bestaat, weet één Dichter niet.
- GEWOND LIED.
-
- Mijn lied is als een open wonde,
- Omdat mijn hart is als een wond.
- Overal gezocht en nergens gevonden,
- Dan één vrees voor den laatsten stond.
[p. 176]
- WANKELEND.
-
- Bij den wijn verlang ik naar mijn gebeden.
- Bij 't gebed verlang ik naar mijne dronk.
- Altijd vervloek ik de lust van mijn leden,
- Die God genaadloos schonk.
- TWIJFEL.
-
- Zijn handen houden hoog de Wet geheven.
- Wat hebben zij vannacht tastend gedaan?
- O, God, red mij van dit twijfelend leven.
- Laat mij bezwijken of weerstaan.
- ANGST VOOR GOD.
-
- Zij zullen nog mijn liedren lezen,
- Als ik geen liederen meer lees.
- Zij zullen in beklemming vreezen,
- God, dien ik heden vrees.
- DE VOLLE BRON.
-
- Het blauw des hemels in het blauwe water.
- En zilverwit de zon.
- Over den rand slaat met een vol geklater
- De hartslag van de bron.
- ONRUST.
-
- Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’
- En naar Jeruzalem gedreven kwam,
- Hij zegt met een mijmrende stem:
- ‘Amsterdam. Amsterdam.’
[p. 177]
- HEETE NACHT.
-
- Op 't heilloos bed woelen mijn doffe leden.
- De hartstocht moordt en martelt mij.
- Daar klinkt een zilver klinglen van beneden
- Een karavaan kameelen vaart voorbij.
- BEKEERDE JONGEN.
-
- Die zich tot den dienst van Christus bekeerde,
- En eens een vrome, Joodsche, jongen was,
- Wat is de gloed, die zijn lief hart verteerde,
- Toen hij 't Boek, dat ik niet lezen wil, las?
- OP REIS.
-
- Zoek na honderd jaar, die mij thans bekoorde.
- Drink nog eens dezen wijn zoo zoet en teer.
- Al wat één Oogenblik het Oogenblik behoorde,
- Neemt zich de Eeuwigheid weer.
- VOORBIJ.
-
- Wat de Eeuwigheid voor ons eeuwig bewaarde
- En ons één oogenblik genietend gaf,
- Neemt hij (wat baat het of ge uw lusten spaarde?)
- Voor eeuwig ons weer af.
- EEUWIGHEID.
-
- Laat de Eeuwigheid dan sterk en eeuwig wezen,
- Hij kan zich toch slechts verkeeren in 't Oogenblik.
- Dit is het: wagen zonder vreezen,
- Genieten zonder schrik.
[p. 178]
- VERZUIMD.
-
- Nooit zult gij weder den zelfden wijn drinken.
- Nooit breekt gij tweemaal dezelfde vrucht open.
- Terwijl de uren in de Eeuwigheid verzinken
- Verkeert in wroeging het verzuimde hopen.
- ALLES VERGAAT.
-
- Het verzuimde oogenblik en 't oogenblik genoten,
- Zinken in één Eeuwigheid neer.
- De koele wijnkruik voor den Nacht ontsloten
- Heeft één Nacht wijn en dan niet meer.
- VOOR DE NACHT.
-
- Met Adil heb ik de paarden gereden.
- Met Saïd deelde ik den verboden wijn.
- Met Machmoed.... met Nasief.... ik strek mijn leden
- Tot onrust in één wreede pijn.
- EEN LEED.
-
- Met Adil.... met Machmoed, door lust gedreven.
- Met Hassan, met Khaliel drinkend te saam.
- Ach: ik ben altijd dezelfde gebleven,
- Alleen een andre naam.
- DE ZONDEN GODS.
-
- Mijn zonden zijn zonden van God in mij.
- De wijn, de rozen, zijn vreugden van God.
- Geniet dan uw vreugde en uw zonden vrij.
- Het is alles één Lot.
[p. 179]
- MUZIEK VAN SAIED.
-
- Zonder uw muziek, zou 'k u niet beminnen.
- Maar wat was uw kunst zonder vriendschap waard?
- Eén is de ziel met zijn gretige zinnen.
- Rozen en doornen in één gaard.
- ZIEL EN ZINNEN.
-
- Ik heb uw schoonheid lief om uwen geest.
- Ik heb uw geest lief, daar gij zóó schoon zijt.
- Is er één Man, die aan het lieflijk Feest,
- Ziel en de zinnen scheidt?
- AAN.....
-
- Ik lees uw brief bij 't licht van een lantaren.
- Als gij mij liefhebt, schrijf mij dan niet meer.
- Laat mij alleen met mijn gevaren.
- Met mijne zonden, schuw en teer.
- HET EINDE.
-
- Wat volgt op dezen nacht van rustloos klagen?
- Een dag van nieuwe nood.
- En aan het einde van nachten en dagen?
- De doffe Dood.
- SCHANDELIJKE BLINDHEID.
-
- De lust, die eenmaal uw zinnen ontzinde,
- Heeft tot ziekte gekeerd u schandelijk verblind.
- Men voert u langs de straat, o, blinde.
- Uw lot kent elk verdorven kind.
[p. 180]
- VERLANGEN.
-
- Wat brengt de Dag? Den Avond.
- Wat brengt het Leven? Dood.
- Wat wil mijn hart gehavend?
- Rust na nood.
- TROOST.
-
- Geen Dag, die meer dan Avond brengt.
- Maar ook: geen Dag brengt minder.
- Geniet dan uw wijn zonder hinder
- Zoolang het leven schenkt.
- EEUWIGHEID.
-
- Eeuwig.... eeuwig.... o, kwel mij niet.
- Eeuwig is niet de wijn en niet het lied.
- De schoonheid sterft met het schoone geslacht.
- Eeuwig is slechts de eeuwige nacht.
- VREUGDE.
-
- Eeuwig is niet het lied en niet de wijn.
- Eeuwig niet deze nacht van samenzijn.
- Maar 't lied is wel schoon en de wijn wel zoet.
- Laat dan open voor al vreugde uw gemoed.
- DE STRAFGEVANGENE.
-
- Ik ben niet meer in mijne cel gevangen,
- Dan gij in vrijheid zijt.
- Uw liefde en uw verlangen
- En mijn straf meet één Tijd.
|