[pagina 181-187]
[p. 181]
- EEN MONNIK.
-
- Gij zult uw handen niet aan doornen wonden.
- Gij plukt geen rozen in 't Es-Salt ravijn.
- Gij leeft in uwe bidcel zonder zonden.
- Gods vreugde uw vreugd. Gods pijn uw pijn.
- BEDELAAR.
-
- Zeker heeft hij heden zijne gebeden
- Met meer vrome wijding dan ik gezegd.
- Daarna heeft hij zijn lompen en zijn leden
- Bij de Klaagmuur te bedelen gelegd.
- GOD GELEIDT ONS.
-
- Wonder, die heilig van 't onheilig scheidt,
- En heilig met heilloos in ééne ziel vereenigt,
- Hij voert mij huivrend langs de heerlijkheid
- Van zonden, waarvoor men eenen man steenigt.
- AFSCHEID.
-
- De laatste goede woorden zijn gewisseld,
- Die saam de liefde van 't Arabisch afscheid zijn.
- Mijn wagen staat naar den Jordaan gedisseld.
- De wind waait over het rozenravijn.
- HET LIED.
-
- Mijn Lied: sta op. Want Gods Lied is gekomen,
- Hij wekt uw woorden met Zijn Eeuwig Woord.
- Ik voel Zijn Liefde door mijn leden stroomen.
- Ik heb gesmeekt. God heeft verhoord.
[p. 182]
- HET JAAR KEERT.
-
- ‘Keer tot mij weder.... Ik heb u vergeven’
- Weelde van het troostend Profetenwoord.
- Langs zooveel vreugd tot zooveel smart gedreven,
- Heb ik (weer keert het jaar) weder dit woord gehoord.
- ALLES GODS SCHULD.
-
- Wanneer de zonde wederom vervuld is,
- En de afschuw siddert door 't misselijk bloed,
- Weet ik, dat er geen schuld buiten Gods schuld is.
- En geene misdaad, die God niet misdoet.
- ALLES IN GOD.
-
- Er is geen Liefde buiten God.
- En buiten God is er geen schuld.
- Uw vroomheid en mijn lastrend lot.
- Heeft één vervuld.
- DE CHAUFFEUR.
-
- Hij voert den wagen, als een schip zijn steven
- Door stormen stuurt langs klip en kaap.
- Wat scheidt langs het ravijn den Dood van 't leven?
- Een Arabische knaap.
- INZICHT.
-
- Dat er geen schuld buiten Gods schuld is.
- En buiten Gods deugd niet één deugd.
- Dat in mijn manschap niet vervuld is,
- Slechts één belofte van mijn Jeugd.
[p. 183]
- EENHEID.
-
- Neen, zeg niet: ‘God en Satan beide’
- Alles is God in God alleen.
- Al vale schuld en al het lijden,
- Alle vreugd en geween.
- EENHEID GODS.
-
- De Dag en Nacht zijn niet gescheiden.
- Wat is vaster dan zij verbonden?
- Zoo zeg niet: ‘God en Satan beide’
- God draagt alles, ook zeerste zonden.
- STRIJD.
-
- Ik dacht te strijden tegen God.
- Maar God strijdt met zichzelf in mij.
- Geen vroom en geen zondigend lot
- Is van God vrij.
- DE BRON.
-
- Die zooveel waagde en nimmer won,
- Die wankelde van wellust naar gebeden,
- Hij legt zich met ledige leden
- In de schaduw bij den Aïn-Fara bron.
- GODS WIL.
-
- Gods wil is willoos. Zijn Genade
- Kiest waar hij kiezen wil.
- Zoo voert Hij mij langs al zondige paden
- Naar den Klaagmuur in den maanavond stil.
[p. 184]
- IN GOD.
-
- Vrees niet. God kan u niet verlaten,
- Gelijk gij Hem ook niet verlaten kunt.
- Geen grooter vrijheid viert gij met uw vrije maten,
- Dan God in God u gunt.
- ZEKERHEID.
-
- Ik ben van God zóó zeker,
- Als God is van mij.
- Geen zoete en niet één donkre beker,
- Gaat mij voorbij.
- WAANZIN.
-
- Want dat ik, zat van zinnen, zat van leven,
- Altijd weer nieuwe zatheid zoek.
- Dat ik door lust en waanzin voortgedreven,
- God te Jeruzalem vervloek.
- TROOST.
-
- God kan u niet van uwe zonden reinigen,
- Omdat uw zonden Zijne zonden zijn.
- Wat zult gij dan uw angstig hart nog pijnigen?
- Geen roos bloeit zonder doornen in het Saltravijn.
- ANGST.
-
- Vergeef, o, God, vergeef, is het geen laster,
- Dat mijne zonden Uwe zonden zijn?
- O, voer mijn voeten veiliger en vaster,
- En houdt mijn hart van laster rein.
[p. 185]
- LICHT EN LEVEN.
-
- Al wat wij licht noemen is maar een schaduw
- Van God, het Eenig Schaduwlooze Licht.
- Al wat wij leven noemen is een waduw,
- Die wegwaait voor Gods aangezicht.
- ONDERWERPING.
-
- Wie nimmer bitter met God heeft gestreden,
- Hij kent de weelde der nederlaag niet,
- Wanneer weder door zijn ontspannen leden,
- Het geluk siddert van het Heilig Lied.
- WEELDE.
-
- Wier wegen nooit door het donker dal gingen,
- Wat weten zij, hoe een weg naar God stijgt?
- Wat weten zij, hoe vol herinneringen,
- Het moede hart naar Gods verlossing hijgt.
- TWEESTRIJD.
-
- Zoo zeker als de nacht is mijne zonde.
- Zoo zeker als de dag is mijn berouw.
- O, hart, verpest met eene pracht van wonden,
- O, ziel, gezegend met feillooze trouw.
- GODS WRAAK.
-
- De eerste granaten van het jaar gebroken.
- Wat is het verschil met het laatste jaar?
- God heeft zich weder nog dieper gewroken.
- De zoete vruchten proeven zwaar.
[p. 186]
- HET GOEDE LAND.
-
- De markt is bont met vele vruchten.
- Het leven gaat in volle drift.
- Het Heilig Land heeft zoete luchten.
- En keert voor weinig, gulle gift.
- GOD.
-
- Ik smeek tot U uit mijne diepste ellende.
- Schoon ik zeker weet, dat Gij niet bestaat.
- Waarom komen mij nacht en dagen schenden
- De weelden van het meest-geschuwde kwaad?
- ZIEK.
-
- Mijn ziel is ziek van zonden als melaatschheid,
- Boeten noch beden baten mij.
- Wat nut mij of ik belijdend het kwaad mijd,
- Geen zonde gaat mijn huis voorbij.
- GODS ALMACHT.
-
- Zeg niet: ‘God is ons een God zonder zonden’
- Al onze zonden zijn zonden van God.
- Onze wonden zijn builen van Zijn Wonde.
- Zijn Lot besluit ons lot.
- EN MORGEN?
-
- Wie heden 't Boek van zijn Kwatrijnen sluit,
- Wat zal hij morgen met den Dag beginnen?
- Geen leven komt buiten zijn grenzen uit.
- Deze: Eeuwigheid, Oogenblik, Ziel en Zinnen.
[p. 187]
- HET EINDE.
-
- Ik eindig het Boek van mijne Kwatrijnen.
- En wensch u, lezer, beter lied en lot.
- Maar toch: geslagen door de harde pijnen,
- Weet ik het goed: ‘Mijne hulp is mijn God.’
-
|