[p. 7]
-
- Hun woeden: wee, de koopren ketels stampen,
- Zij scheuren, zij braken vuil, vet en asch,
- Vernietigd valt, stervend in wreede krampen,
- Die straks een kloek-werkende makker was.
-
- Hun listen: langs de moede mannen glijden zij
- Met hun geslepen riemen zonder eind,
- En, als hun meesters liefkozende, vleien zij,
- Tot zij valsch grijpen en een angstkreet schrijnt.
-
- En zij hem breken, spijt zijn scherp gespartel,
- Wreed-kreunend bij den doodsnood van den Man,
- En zij zorgzaam voltooien het gemartel
- Van den Meester, die zich niet weren kan.
-
- Hij wordt geradbraakt, gerekt en gerekeld,
- Getergd aan ieder lidmaat sterk en teer
- Als vlokkig vlas gehavend en gehekeld
- Werpt hem de woedende machine neer.
-
- Gebreukt door 't werk of in woedenden loonstrijd
- Met hun meesters, jagen zij 't leven rond,
- De Kerels, en hun hartstochtlijke schoonheid
- Wordt om de wil van veile winst gewond.
-
- Hartbrekend meelijden, neen, meer: een Liefde
- Zwol in Laurents hart, zinnelijk en teer:
- 'Elk man zijn Makkers en wat ieder griefde
- Zijn grief en elks leed zijn hartstochtlijk zeer.'
- 4
-
- IEDERS leed: machtloos als onder een moker,
- Tusschen de machine op wederwraak ras
- Verloor 't leven een jonge, sterke, stoker
- Die de schoonste van zijne Makkers was.
-
[p. 8]
-
- Wellicht te schoon, te stout en heeft gewroken
- De woedende machien, der goden wraak?
- Aan vuil en vaagsel werd de knaap gebroken
- Die menig Makker lokte tot vermaak.
-
- Was hij te schoon, te stout? Haat in het hart
- Staat aan zijn machine de machinist,
- En stookt het stampend vuur, terwijl hij twist
- Met zijn woede en zijn wreed-verbeten smart.
-
- Hij hoort hoe zuiver elke machien glijdt,
- En weet dat iedre fel zijn Meester haat,
- En vleit en dient en wacht gedwee zijn Tijd,
- Dan aangrijpt en den Man tot mortel slaat.
-
- 5
-
- BUITEN de Fabriek, die hem lokte en kwelde
- Met wrange geur en dof-dreunend geloei,
- Zwierf Laurent langs de kaden en de Schelde
- Als Land en Stad vol staan van zonnegloei.
-
- Op stroom liggen de stoomers, hun gevaarten
- Laden de lossers in de lichters leeg,
- Roeiers en zeilers meten snel de klaarten
- Van de Rivier, naar elk bevelen kreeg.
-
- Droomt hij, Laurent? Of staat hij, sterk en wakker
- Aan dek van een schip, dat zijn Tocht begint?
- De zeilen weifelen, dan strak en strakker
- Houden zij zich geopend voor den wind.
-
- Wie scheidt zijn Droom van zijn Daad? Ziet: hoe blinken
- Weelden van Zon op weelden van den Stroom,
- De hooge huizen stijgen, wijl verzinken
- De lage landen tot een grijze zoom.
-
[p. 9]
-
- Verrukt ziet Laurent het wonder herbloeien
- Van de Stad alsof zij juist kwam verrijzen
- Uit de Rivier, de stijgende uren gloeien
- Over zijn kerken en handelspaleizen.
-
- Tot achter eene bocht de Stad verdwijnt,
- En stilte overwint zijn stampend gerucht
- Tegen de klaarte van de blauwe lucht,
- Bouwt fijn en sterk een Toren, strak-belijnd.
-
- O, stilte, zalig na 't ontzind gebolder
- Dat nacht en dag over de straten rint:
- Wijd de Rivier en wederzijds de Polder,
- Die schooner schat dan eene Stad gewint.
-
- En door de luwe lucht dwazen de meeuwen
- Hun ongetemde tochten: ziet, hun vlucht,
- Ziet hun fel wenden, hoort hun schrille schreeuwen,
- Als een visch 't water breekt met kort gerucht.
-
- 6
-
- GINDS liggen wijd de scheepsbouwende werven
- Waar altijd nog werk op de stapels staat,
- Er schuimt geen zee, waar niet hun zeilers zwerven,
- En hunne stoomers gaan om volle baat.
-
- Viel onder het kloek werken reeds vergeten
- Het wreed bedrijf toen op de Werf elk man
- Knapen kwelde en bij hunne zeere kreten
- Genoot wat geen strafloos genieten kan?
-
- Wreed wonder, teedre wreedheid: fel geslagen
- Werden de Knapen; voor een trekkend vuur
- Tergend gesteld; wat geen man zou verdragen
- Verdroegen zij krimpend menig helsch uur.
-
[p. 10]
-
- Niet één, die dof bedreigd met doodswraak, sprak,
- Gebraakt, gebrand, spottend aan 't Kruis gelegd,
- Tot wanhoop het schaamtloos geheim verbrak
- En ieder martlend man streng werd gerecht.
-
- Wie was hun voerder? Een van vijftien jaren,
- Freddy Béjard, verliefd op breuk en brand,
- De zoon des Meesters, vluchtend voor gevaren
- Van des volks wraak, ruimde hij stad en land.
-
- Na vijf en twintig jaren keert hij weder,
- In menig land heeft hij zich wreed verrijkt,
- Wat is zijn weelde en woede? Trilt nog teeder
- Zijn hart als een fel-gepijnigd bezwijkt?
-
- Neen: de pracht van zijn schat doet niet vergeten
- De schuwe zonden van zijn teedre jeugd,
- Stugheid, haat en vijandelijke kreten
- Storen menigmaal zijn weeldrige vreugd.
-
- 7
-
- ZAAGT gij wel ooit een stout schip van zijn helling
- In 't water loopen, dat hem blij verwacht?
- Nog is de laatste stut hem tot een kwelling,
- Nog houdt het laatste touw hem in zijn macht.
-
- Rondom loopen de trotsch-schouwende bouwers,
- En maken den stapel voor de afloop ree,
- Duizenden zijn de saamgeschoolde schouwers,
- Ieders hart leeft dat schoon, sterk leven mee.
-
- Nog machteloos ligt in de ban gevangen
- Van touw en takel, die den stormvloed mint,
- Trilt niet reeds door zijn ranke flank verlangen,
- Als van een paard voor zijn prijs-rit begint?
-
[p. 11]
-
- Op 't hooge dek staat de volle bemanning
- Als reizens-ree rond den schipper geschaard,
- Zij zwijgen in een wonder-teedre spanning,
- Want goede stapelloop geeft goede vaart.
-
- En loopt een schip niet vlot neer van zijn helling
- Hoe zal 't vlot varen op de breede baan?
- Menig schip, angstig scheidend van zijn stelling
- Is later laf in den stormvloed vergaan.
-
- Freddy Béjard, de Meester, houdt zijn bijl
- Fel-geslepen boven 't laatst touw geheven
- Eén slag.... dan bange stilte, een korte wijl,
- Dan voelt het schip een nieuw, een innig leven.
-
- Hij voelt het water nader en dof-juichend
- Stort hij zich in den zon-schuimenden vloed,
- En hem omhelst de Rivier, die zich buigend
- Van vreugde voor den Meester open-doet.
-
- Elk angst-wachtend hart bloeit in blijdschap open,
- Duizenden juichen in het rond geschaard.
- Wie zag een schip ooit zóó trotsch nederloopen?
- En goede stapelloop geeft goede vaart.
-
- 8
-
- LAURENT: gescheiden van 't Gezin en wreeder
- Geschuwd door wie zijn hartslag niet verstond
- Volbracht zijn jeugd, maar hartstochtlijk en teeder
- Was hij voor elk met wien hij zich verbond.
-
- Vaak zwijgend en toch uiterst-fel doorlevend
- Iedere vreugd, iedere haat; zijn lot
- Trots dragend, in overmacht wedergevend
- Aan ieder, vreemde of vriend, zijn liefde en spot.
-
[p. 12]
-
- Altijd gereed tot iedre teedre wijding
- Maar ook tot iedre weerspannende daad
- Was zijn leven menig Maat tot verblijding
- Maar menig vreemde tot wrevel en haat.
-
- Een Heilige als niet één ander onheilig,
- Een hater, maar die als geen ander mint,
- Altijd in oproer, altijd fel, onveilig,
- Door overmacht van liefde of haat verblind.
-
- Als geen gevoelig voor de zoete zwijm
- Van lente, als geen gevoelig voor den toover
- Van zon, van zee, van licht, van bruisend loover,
- Genoot hij 't leven: een siddrend geheim.
-
- En dikwijls was het of hem stormend kuste
- Het gansch Heelal, een mond op zijnen mond,
- En tranen braken, die den koortsgloed bluschten,
- Waarvan hij vaag den overmacht verstond.
-
- O, niet de dagen doovend uit te leven,
- Maar in den gloed, de branding te vergaan,
- Wanneer de wolken aan den hemel beven,
- En siddrend van verrukking blijven staan.
-
- Altijd gereed tot iedre teedre wijding,
- Maar ook tot elke weerspannende daad,
- Verliet hij zijn gezin na twist en scheiding,
- En zocht in vrijheid ongebonden baat.
-
- 9
-
- VERDREVEN Makker: zonder huis en haven,
- Werd niet de weidsche Stad uw heerlijk huis,
- Havens en kaden, waar de kerels draven,
- Hun stemmen sterk boven het stoom-gedruisch.
-
[p. 13]
-
- Den eersten avond: wijd ligt de vloed open,
- Tot aan de breking van de breede bocht,
- De schepen komen in- en uitgeloopen,
- Reizensreede of vermoeid van verre tocht.
-
- De meeuwen scheren hun schaatrende vluchten
- Over de bonte blauwte van de lucht,
- De Stad met al zijn daavrende geruchten
- Verstilt tot één wonderteer ruisch-gerucht.
-
- De zon verzinkt en al de witte zeilen
- Vangen de schoonheid van zijn rooden gloed,
- De visschersschepen keeren, nog een wijle,
- Dan daalt de stilte over den wijden vloed.
-
- En hitte stookt een hel van wreede geuren
- Op vuile vaalten en in open goot,
- Duizelend kan het Laurent vaak gebeuren,
- Dat hij gelijk hemel dien hel genoot.
-
- Ieder uur zingt weer, teeder, geheimzinnig,
- Het zilver klokspel, de ziel van den Toren,
- In de weelden van zijne Droom verloren
- Begroet de Knaap die liedren, klaar en innig.
-
- Hij ziet de kloeke lossers en de laders
- Naar huis keeren, tevreden met hun dag,
- Tartende Knapen of bedaarde Vaders,
- Maar stout en schoon elk bij gesprek en lach.
-
- Alhier, aldaar, bloeit reeds een lichtlantaren,
- Wonder van zilver in 't zacht-aadmend blauw,
- Een kalme, klare, vree komt nederdalen,
- Men leeft, maar voelt den last van 't leven nauw.
[p. 14]
- 10
-
- MAAR 't waken van den Dag doet ook ontwaken
- De zorgen van den Knaap om werk en brood:
- In Antwerpen leeft men niet bij vermaken
- Ten havenkade dreef hem trots en nood.
-
- Werken of keeren tot spot en genade
- In de beklemming van het eng gezin:
- Hij keert niet weder, aan de Scheldekade
- Vond hij zijn werk en in het werk zijn min.
-
- En kloek begon hij dagelijks zijn ronde:
- Een wreede machine is de machtge Stad.
- Waak staag, zoo niet, de Stad slaat felle wonden
- Op elk man, die buiten zijn werkweg trad.
-
- Hoe menig man gaat in dit leven onder,
- Van slavend werk en waardlooze gewoonheid,
- Maar Laurent vond oovral hartstocht en schoonheid,
- Want liefde maakt elk waardloos ding tot wonder.
-
- 11
-
- HIJ sleet zijn vrijheid samen met de runners,
- Die blijde makkers van de zeven zonden,
- Tuchtlooze tarters, ongetemde schunners,
- Maar wonderteer in hun gesloten ronde.
-
- Gij weet niet anders dan het zatte zuipen,
- Het wreed gevloek, de schaamtelooze spot
- Dier rivier-roovers, een rap-kapend rot,
- Die met hun sloepen langs de schepen sluipen.
-
- Gij meet de maat van uw geleden schade,
- Maar niet de maat van uw behouden winst,
- Zij rooven alles: hout, graan, suiker, waden:
- Zij tellen vrijheid meest en schat het minst.
-
[p. 15]
-
- Gij kent hun wreedheid, niet hun vaste trouw
- In vreugde en nood voor elken kameraad,
- Uw rijke reeders gunnen elkaar nauw
- Het licht der oogen in hun heete haat.
-
- Zij haten niet: zij zijn de kameraden
- Van 't bandeloos roovend rivierbedrijf,
- Zij leven schaterend van uwe schade
- En dekken tegen ieder elkaars lijf.
-
- 12
-
- ZIJN Stad vierde van Rubens het eeuwfeest
- Met spel en tocht, met juublende cantaten,
- Het Marktplein vol en vol de vele straten,
- Maar ieder kalm, bezield van ééne geest.
-
- Muziek: machtig dwingt de menigte één wijding,
- Hoe vroom vieren zij des Meesters getij,
- Zij luisteren met zalige verblijding,
- De minsten hunner: kunstenaars zijn zij.
-
- En door de zalige muziek geteisterd
- Genoot Laurent van alle makkers 't meest,
- Zijn oogen blind van tranen en verbijsterd
- Zijn zinnen door de weelden van het Feest.
-
- 13
-
- VAAK schuimt het werkvolk tegen trots en statie
- Der heerschende heeren, klein in getal,
- De werkers, elk vereenigd in zijn Natie
- Zetten het werken in de havens pal.
-
- Daar spant de Rivier rustig en verlaten
- Zijn kalme klaarte onder een stille lucht,
- Geen wagens ratelen langs plein en straten,
- Geen stoomkraan zwaait zijn last in hooge vlucht.
-
[p. 16]
-
- De Stad zwijgt in een angstige beklemming,
- Want geen Dag weet wat zijn avond bewaart,
- Het Leven worstelt met de wreede stremming,
- Van 't vlot vertier en vrije koopmansvaart.
-
- Als zeestorm druischt de woede zijne vlagen
- Door 't hart van het havenvolk stout en ruw;
- Eer 't iemand keert ligt het huis neergeslagen
- Van Freddy Béjard, als geen sterk en sluw.
-
- Maar daavrend jaagt de trotsche burgerwacht
- Den slag van zijn paarden over de straat,
- Het wrekend volk, machtloos tegen hun macht,
- Ruimt markt en wal, diep-verbeten van haat.
-
- 14
-
- DE Klok slaat één: ter Beurze gaan de Mannen
- Wier schatten Stad, Land en Wereld regeeren,
- Wier Droomen heel het aardsche rijk omspannen,
- Wier Daden dagelijks hun macht vermeeren.
-
- Zoo vol als 't zonnig water door de Schelde
- Vloeit hun rijkdom door hunne trotsche Stad,
- Niet minder dan de Ridders zijn zij Helden,
- Niet min dan Koningen garen zij schat.
-
- Zij zijn de zonen nog dier Hanseaten
- Die daaglijks gingen op den handelstijd,
- Met muziek en herauten door de straten
- Als was handel een dienst godengewijd.
-
- Is handel schande? Reikt hun stout beramen
- Niet schat van heel de wereld aan elk man?
- Voeren hun schepen niet in één Stad samen
- Wat ieder land aan weelden geven kan?
-
[p. 17]
-
- Welk druk gewoel, welk wild gebaar, een horde
- Van roovers lijkt het u, ter beurze vreemd
- Maar in hun woeling leeft gespannen orde,
- Elk weet, wat zijn woord hem geeft of ontneemt.
-
- Men bevracht schepen, pandt cognoscementen,
- Verhandelt ceelen, regelt averij,
- Knipt met effecten, int premies en renten,
- Alles voor één doel: goud en goud daarbij.
-
- 15
-
- WAT vreemde tocht is door hun hart getogen *
- Dat elk het liefst het eigen land verlaat,
- En zoekt in een nieuw leven, meer bewogen,
- Voor vollere behoeften, ruimer baat.
-
- Amerika: 't land, waar ze zijn geboren,
- Laat ieder gaarne voor dit nieuwe land,
- Daar lokt hem winst, hier zijn ze toch verloren,
- Geleverd in der sterke drijvers hand.
-
- De Russische moujik, in nauwe nood
- Zich staag verslavend, Duitschers, Ieren, Franschen,
- Zij wagen graag in een nieuw land de kansen
- Op meer vrijheid, op beter werk en brood.
-
- De mijnwerkers, altijd in 't nauw gedreven,
- Tot hun wanhoop het hooploos wroeten staakt.
- Werkend door 't gluipend gas beroofd van 't leven,
- Stakend door wreeden honger afgemaakt.
-
- Met de mijnwerkers uit de Borinage
- Gaan de wevers en spinners weg uit Gent,
- Hoop in het hart, wel schamel aan bagage,
- Maar moedig en aan straf werken gewend.
-
|
|
[p. 18]
-
- Niet langer is het een geslagen wonder
- Wanneer een man zijn parochie verlaat,
- Hier brengt een buitend meester hem ten onder,
- Daar vindt hij vrijheid en een sterker staat.
-
- Welke tochten houden hun hart gevangen,
- Dat zij lachend naar vreemde streken gaan?
- Vraag niet: wie kent eens harten diepst verlangen?
- Het Leven drijft: wij zien het verbaasd aan.
-
- Door 't duldend volk siddert een voller leven,
- Geheim gelijk de lente door de lucht
- Niet meer beperkt het eigen land hun streven,
- Als vogels zoeken zij de wijde vlucht.
-
- 16
-
- EN tusschen al de dulders en de dervers,
- Voor bitter brood de bouwers onzer Aard,
- Scharrelen schuimend de gewikste wervers,
- Die winsten slaan uit de overzeesche vaart.
-
- Zij lokken met vleitaal als fluit zóó zacht
- Man en makker, die nooit zijn dorp verliet,
- Elk man geeft winst van de gewonnen vracht,
- En anders dan de winsten deert hen niet.
-
- Zij weten van elk makker zonde en vreugd,
- Zij weten wat woord lokt en blij verleidt,
- Zij vleien de teedre woede der Jeugd,
- En 't kalm begeeren van den mannentijd.
-
- Zij lokken: hier dreigt de lucht zijne zwaarten,
- Eén bui verslaat het werken van een jaar
- Daar spant de hemel nacht en dag zijn klaarten,
- En stooft de zon graan en vrucht vol en zwaar.
-
[p. 19]
-
- Zij vleien: hier verdort den Knaap het wachten
- Dat zijn loon strekt voor vrouw en vol gezin,
- Daar huwt een Man bij 't rijpen van zijn krachten,
- En geniet overvol zijn eerste min.
-
- Zij schenken wijn, zij vleien mild de weelde
- Dier kloeke makkers, hunne woorden hitsen.
- En wat Knapen in Droomen zich verbeelden,
- Zien zij, klaar als Daden, voor de oogen flitsen.
-
- Den dag daarna drijven zij de ploeg weder
- Onder een lage lucht door voren diep.
- Maar 't land lijkt hun nog gieriger en wreeder
- Sinds de stem van den sluwen werver riep.
-
- Hoe worden kloeke kerels zóó gevangen,
- Dat zij met zulke schouwe fluiters gaan?
- Vraag niet: welk hart weet eigen diepst verlangen,
- Het Leven drijft: wij zien het verbaasd aan.
-
- Zij gaan gedwee, de kloeke kameraden
- Van Polderbosch, van Lille en van Sandvliet,
- Hun smalle huishave wordt ingeladen
- Voor hun blikken ontbloeit een schoon verschiet.
-
- Bewogen door de weelden van hun droom
- Dwaalde Laurent zielsgraag langs kamp en kaden:
- Waarom zoeken zij 't ruim van storm en stroom,
- En de tochten der ongetemde daden?
-
- Zijn blikken volgden gretig hun bewegen,
- Geen hart, dat als zijn hart vrijheid verlangt.
- Wat zoekt de Knaap, half stout en half verlegen
- Wanneer zijn stralend oog hun blikken vangt?
[p. 20]
- 17
-
- HERINNER u dit stout schip op zijn helling
- Rank geflankt, vóór zijn afloop, de bemanning
- Aan het hoogdek in één teedere spanning,
- Freddy Béjard slaat het los van zijn stelling.
-
- Herinner u zijn trotsch-schouwende bouwers,
- Het sidderend schip verlangde open zee,
- Herinner u die duizenden van schouwers,
- Hoe leefde elks ziel met zijn verlangen mee.
-
- Toen ging het sierlijk op zijn eerste tocht,
- Zoo wijd als maar verlangen de Aarde omspant,
- Thans voert het zwervers, hooploos afgewrocht,
- Naar 't wreede leven van een wildvreemd land.
-
- En toen: schatrijk was zijn uitgaande vracht,
- En voller thuisvracht hoopte elk bij zijn keer,
- Thans wordt der schaamlen have aan boord gebracht,
- En daalt geen schat in zijn laadruimen neer.
-
- Maar thans als toen brengt hij zijn Meester winst
- Van elken man, die hof en huis verlaat,
- Hun lot? Het deert Freddy Béjard wel 't minst
- Die niet beter kent dan zijn eigen baat.
-
- Hoe menigmaal zag Laurent van de Kade
- Zijn Stad in gloed, het Land in zonnegloed,
- Thans hangt een mist laag over de gestaden
- Der Rivier, die zich nauwlijks opendoet.
-
- Hoe scheren nu der meeuwen schelle scharen,
- Laag langs het water onder doffe lucht,
- Bedreigt Laurent niet een macht van gevaren,
- Waarom is hij als vogel niet gevlucht.
[p. 21]
- 18
-
- DE Stad in zijn hartstochtelijke weelde
- Brak steeg en slop voor handels breede baan
- De buurten, waar Laurent als jongen speelde,
- Zag hij door schoonheidschenners nederslaan.
-
- Zij breken neer wat de kunstzinnigheid
- Van beter tijden schiep tot aller baat,
- Want zij weten niet wat aan innigheid
- Kan leven in een steeg of stille straat.
-
- Menig schoon huis wordt ongeacht gesloopt,
- Menig deel der Stad reddeloos ontzet,
- Als maar de stroom des handels vlotter loopt,
- Door geen nauwten van straat of steeg verlet.
-
- De Rietdijk en de Burchtstraat neergebroken,
- Die blijdste straten van den Blijden Hoek,
- Waar zooveel wilde schoonheid is ontloken,
- Waar zooveel leven stierf in wijn en vloek.
-
- 19
-
- HERINNER u dit stout schip op zijn helling,
- Rank geflankt, vóór zijn afloop, de bemanning
- Aan het hoogdek in één teedere spanning,
- Freddy Béjard slaat het los van zijn stelling.
-
- Herinner u: vrij van trossen en teugels
- Zocht het bevend den sidderenden vloed,
- Op vollen wind spreidt het zijn witte vleugels,
- Waar een wereld zich voor hem opendoet.
-
- Zoo toen. Maar thans met weinig goed bevracht
- Van hen, die Nood uit hun land heeft gedreven,
- Is het vergaan in storm en stroom en nacht,
- Met al de hoop van menig dapper leven.
-
[p. 22]
-
- Met zooveel makkers, wier verkloekte jeugd
- Op nieuwe wegen nieuwe winsten zocht,
- Menig Man, die zijn afloop was tot vreugd,
- Voer met hem mede op de eindelijke Tocht.
-
- Het is vergaan. Den reeder deert het minst:
- Zijn kans verzekerd en voldaan de vracht,
- Zoo heeft het schip ter laatste vaart nog winst
- Aan zijn zeeroovenden Reeder gebracht.
-
- 20
-
- ALS Loïet zwierf Laurent, wiens jonge tijd
- Antwerpen groeien zag in macht en bate,
- Ziet, hoe de Stad breeder zijn bouwing breidt
- Van park en plein, van dok en drukke straten.
-
- Hij vond zijn thuis in eene buitenwijk,
- Waar havenschuimers schuilen, vlotte vlegels,
- Roovend en rap, los van al recht en regels
- Armer dan één en toch meer dan één rijk.
-
- Meet niet uw schatten met hun gulle schat
- Wat is uw goud naast hun banlooze blijheid,
- Wat uw gekooid geluk naast hunne vrijheid,
- En naast hun zwerfland uw pronkende Stad?
-
- Niet langs uw wegen van tucht en gewoonheid,
- Vond Laurent voor zijn ziel en zinnen baat,
- Een feller vreugd, een ongebonden schoonheid
- Zocht hij, van zin verrukt, langs veld en straat.
-
- Een man, simpel en stout, een spoorwegwachter,
- Van leden kloek, gekleed in goudfluweel,
- Een leurder, die bij 't avondrooden zachter
- En zachter gaand zoet floot uit hart en keel.
-
[p. 23]
-
- Een maaier, die machtig onder 't zongloeien
- Zijn zilverzeis door 't golvend grasland slaat,
- Of Knapen, die naakt glop in glop uit, stoeien
- En weten zalig niet van goed of kwaad.
-
- Of op een dorschdeel staan half-naakte dorschers,
- Brons en verguld in donkre zonnepracht,
- Of langs de kaden draven maatvol torsers
- Krachtig gebogen onder hunne dracht.
-
- Dat was zijn weelde, dat zijns harten schoonheid,
- Wat meet gij dan uw schatten aan zijn schat?
- Voor u de nauwe weg van winst en broodnijd,
- Zijn hart vindt wijder weg door veld en stad.
-
- 21
-
- HOE listig zwierf hij met de sluwe slippers
- Waarvan geen mensch de dagverdiensten kent.
- Of, stil van zin, voer hij met tjalkenschippers
- Waar 't water door het lage land zich wendt.
-
- Zijn Ziel leefde 't leven van ieder ding,
- Boom, plant noch steen zijn in de wereld dood.
- Elk spreekt zijn stem van droeve mijmering,
- Van vreugd, van wroeging, van innige nood.
-
- Wat is een schip een blijde en veilig thuis,
- Hoe vaart het vlot, wind achter, goed getij,
- Of strijkt zijn zeil voor een brug of een sluis,
- Voor eenen bakker, of een brouwerij.
-
- Want in de volkenvolle straten eenzaam
- Zwierf Laurent liefst langs het gemeden land,
- Zijn ziel met de ziel der dingen gemeenzaam,
- Zijn hart één met hun hart in blake brand.
-
[p. 24]
-
- Voor de stem der drijvende menschen doof,
- Ontzenuwd door hun vreugden, hun geschater,
- Gevoelig voor de stem van ruischend loof,
- Van zon, van sterren en van klaatrend water.
-
- En dikwijls was het of hem stormend kuste,
- Het gansch Heelal, een Mond op zijnen mond,
- En tranen braken, die zijn koortsgloed bluschten,
- Waarvan hij vaag den overmacht verstond.
-
- Geteisterd door een weelde van verlangen
- Dreven de tochten van zijn hart hem voort,
- Soms brak zijn vreugd in overvloed van zangen,
- Soms in een storm van snikken onverhoord.
-
- 22
-
- MEER dan ooit werden zijn wegen getrokken
- Naar de wijken, die een braaf burger mijdt,
- Meer dan ooit zwierf hij door de volle dokken
- Te schuwer nacht of ongelegen tijd.
-
- Hij leefde met de schuimers en de schunners
- Wier nachtgangen de dokkenwacht bespiedt,
- Men vermijdt die rivierroovers, de runners,
- Laurent vermeed ééne gemeenschap niet.
-
- Wie zijn hun vaders, wie zijn hunne moeders?
- Zoo menig Knaap, die thuis noch afkomst weet.
- Geboren uit de schuimers en de woeders,
- Brandt gouden hartstocht hun donkre oogen heet.
-
- Hun taal? Het geschuimte van vele talen,
- Weer saamgegoten tot één felle spraak.
- Geen vreemd verstaat hun liedren en verhalen,
- Geen vreemde deelt hun gevaarlijk vermaak.
-
[p. 25]
-
- Hun kleeren van een tartend goudfluweel,
- Zijn zij dan niet de laatste Libertijnen,
- Die 't leven drijven als een wild gespeel,
- En lustig lachen in brandende pijnen.
-
- En met hen sliep Laurent op kade of zolder,
- Hij deelde gulzig hun goed en hun kwaad.
- In den goudgloed van hun doorkoortsten kolder
- Vieren zij hun buien van liefde en haat.
-
- Hoe menigmaal in de hel dezer nachten,
- Als woede met woede in één wellust vocht,
- Werden minnaars en haters door de wachten
- Der Stad voor geding of vonnis gezocht.
-
- Gelijk de bloemen in één zaalge droom
- Het zonlicht uit den zomerhemel drinken
- Zóó dronk zijn ziel aan een trillenden stroom
- Van lust en voelde in duizel zich verzinken.
-
- Hun ruige daden, hun tartend bedrijf,
- Geen, die zóó gulzig als Laurent genoot,
- Zijn ziel sidderend, zijn gespannen lijf
- Tuk op tuchtloozen durf en nauwe nood.
-
- Hij deelde wild de woede van hun dansen,
- Tot den morgen in het schipperskwartier,
- Zijn oogen beven als hun oogen glansen
- Van teedre wreedheid en dreigend vertier.
-
- Triangels tintelen, de klarinetten
- Drijven de dans van uur tot later uur,
- De lucht geurt wild, de zatte zielen spetten
- Hun lusten als de vonken van een vuur.
[p. 26]
- 23
-
- EEN wreede ziekte viert zijn wilde vlagen
- In 't Oosten als een vorst verzot op moord.
- Keerende schepen liggen lange dagen
- Te wachten of geen ziekte heerscht aan boord.
-
- Gele vlaggen geheschen aan de masten,
- En als geslagen in ban van een droom
- Ligt het schip, geschuwd door de stoute gasten,
- Doodsch in het leven van den vollen stroom.
-
- 24
-
- EN langs den Dijk zwerven zij tot den Doel.
- Of zij vluchten voor de warmte in het water.
- Altijd vol twist, altijd vol wild geschater
- Drijven zij door de dorpen hunne joel.
-
- Of als sphinxen, het hoofd in breede handen,
- (Wat is hun geheim, wat hun hartenhaat?)
- Liggen zij roerloos in het zonnebranden
- Tot heete dag in schemering vergaat.
-
- Tot schip in zicht. Tot op den breeden stroom
- Een zeiler stijgt, die reeds de zeilen strijkt,
- Dan breekt de weelde van hun zomerdroom
- Voor woede, wie maar 't eerst het schip bereikt.
-
- De roeiers zwoegen woedend in hun schuit
- Hijgend, dat niet een ander van hen wint,
- En eerder neervalt op de breede buit,
- Die straks saam deelden, haten thans ontzind.
-
- En op het schip: men kent de wreede rakkers,
- De runners, maar men weet, dat geen als zij
- De stad kent met zijn stegen, met zijn makkers,
- Met zijn meiden van recht en zede vrij.
-
[p. 27]
-
- Elk houdt zijn schuit aan 't schoone schip geklemd,
- En slingert zich langs trap of touw naar boven.
- Dan begint, woede die geen scheepstucht temt,
- Geraas van bieden, van laten en loven.
-
- Laat maar de schipper schuimen en wreed vloeken,
- De runners wagen zich niet min aan boord,
- Zij weten wat de schuwe makkers zoeken,
- Zij weten wat geheim een knaap bekoort.
-
- Luwt niet de wind hier binnen zonder vlagen
- Daar buiten hebben zij maanden weerstaan
- Zijn wars geweld, zijn geeselende slagen,
- Zouden zij thans niet losse wegen gaan?
-
- Eén man, één jeugd: wie zal 't gemis vergoeden
- Van droom en wilde daad in de ouderdom?
- De runners bieden, fluistren, doen vermoeden,
- Hoe licht voeren zij de matrozen om.
-
- Tien, twintig, dertig, oovral opgeschoten
- Met hunne schuiten, tuk op winst en buit
- Bestormen den schipper en zijn genooten
- Van het vooronder tot het achteruit.
-
- Met manden rijnwijn, met donkre sigaren,
- Jenever, brandende likeur, tabak,
- Weelde voor wie maandenlang zwervers waren
- Langs wijdten van het bare waterwak.
-
- Goudgeld op verre zeetochten gewonnen,
- Zij slaan het klein in hun baldadigheid.
- Want eens maar is men jong en onbezonnen,
- En eens maar viert de jeugd zijn vrij jolijt.
[p. 28]
- 25
-
- VAN het schip vervallen zij in de buurt
- Waar elke straat en steeg is als een klem,
- Waar wellust door halfdichte ruiten tuurt
- En lokt den zwerver met fluistrende stem.
-
- Hoe gaarne wordt hem alles voorgeschoten,
- Straks wordt het dubbel op zijn loon verhaald.
- Geen oogwenk verlaten hem de genooten
- Voor wie hij gul zijn goud voor drank betaalt.
-
- Wat wordt hem niet aan waardloos goed gesleten?
- Kleedwerk en reukwerk voor een looze meid.
- Dwaze spiegels, ringen, bellen of keten,
- Die zij versmadend weer voor drank verslijt.
-
- Tot hij ontwaakt en vindt zich overladen
- Met schulden bij de wervers en de waarden.
- Wat nood: hij zoekt weer 't ruim der waterpaden
- Tusschen al bloeiende landen der Aarde.
-
- Wees rijk met zijn geld, liederlijke loeders,
- Ontlast van zijn goud blijft hij schattenrijk,
- Oovral deelt hij met Maten gelijk Broeders
- De lusten van de losse schipperswijk.
-
- Zijn lusten: waar in een eeuwigen zomer
- Oostersche steden bloeien langs hun reeden
- Geniet hij nachten als een dronken droomer
- En koelt de hitte van zijn ranke leden.
-
- Op tochten met den schuwen maankop-schuiver
- Proeft hij verdwaasd van de toovrende rook
- Nooit gedenkt hij zonder hatenden huiver
- Het wonder, dat hem in zijn droom ontlook.
-
[p. 29]
-
- Zijn lusten: maar hij wint de wilde ruimte
- Van zouten storm en 't matelooze meer,
- Zijn vreugden waaien weg als licht gepluimte:
- Daar staat zijn ziel als een knaap naakt en teer.
-
- Daar staat zijn ziel: gelouterd van verlangen,
- Daar staat zijn ziel: ontbonden van zijn lusten
- De golven juichen, die hem wild ontvangen
- En voeren den rusteloozen te rusten.
-
- 26
-
- OP tochten met zijn tuchtelooze rakkers
- Raakte Laurent los van zijn laatste geld,
- Hij weigerde geen gift aan zijne makkers,
- Hij schonk de glazen, immer ongeteld.
-
- En langs de Feesten van het Carnaval
- Liep hij, de oogen groot-open, in geschater,
- Zijn vast gevolg? Straatschuimers zonder tal,
- Hun drank? De volle wijn als waardloos water.
-
- Drie nachten vol van stormende muziek,
- Drie nachten zwaar van wilde weelde en woede,
- De zware wijn, het hitsende Lambiek
- Brachten hem buiten alle tucht en hoede.
-
- Dan zatheid. In een rustelooze slaap
- Worstelde hij wild met der droomen horden.
- Wat was hij? Een in onschuld blijde Knaap,
- Wat is er in vreugden van hem geworden?
-
- 27
-
- ALS raapsel van de straat werd hij gebracht
- Naar 't ziekenhuis, ontdaan van vreugdbedrijf,
- Menig maand streed de Dood om de overmacht
- Met het leven in zijn sidderend lijf.
-
[p. 30]
-
- Het leven won, en in de prille lente
- Ging hij, gelijk in droom verklaard, op straat,
- Te zien, hoe zomer zijn hemelsche tenten
- Van wit en blauw over de velden slaat.
-
- Het lenteleven heeft de macht verbroken
- Van den winter, gestreng gelijk de Dood,
- De lucht is als een bloemenveld ontloken
- In teedre pracht van wit en blauw en rood.
-
- En niet langer dreigen de matte misten
- Met overmacht op stad en velden neer,
- Zijn oogen, die nog nauw van zomer wisten,
- Voelen het licht, aanbiddelijk en teer.
-
- Nooit lag de pracht der stad zoo kostlijk open
- Als dezen dag, dat hij bevrijd van Dood,
- Gelijk in droom zijn blijden weg liet loopen,
- Langs alle schepen harer trotsche vloot.
-
- Hoe lang lag de rivier in ban geslagen,
- Geen zeiler breekt des wreeden winters macht,
- En 't werkzaam volk wachtte hongrende dagen
- Het werk, dat in den zomer leven bracht.
-
- Tot één lach van de lente heeft verbroken
- De macht des winters over land en meer,
- De vlaggen en de zeilen zijn ontploken,
- De schepen brengen werk en welvaart weer.
-
- En hunne leden in één lust gespannen
- Zoeken laders en lossers werk als feest
- Te lang zijn zij, de spierkrachtige mannen,
- In 't ledig loopen onvoldaan geweest.
-
[p. 31]
-
- Als zij weer lading voelen in de vuisten
- Siddert hun lijf van weldadige lust,
- Geen dokker heeft zijn knoken en zijn knuisten
- Om te verschamelen in doffe rust.
-
- 28
-
- OVER Laurent viel eene warme schaamte
- Dat hij werkloos tusschen die werkers ging.
- Maar mager was hij gelijk een geraamte
- Na maanden van koortsende worsteling.
-
- En starend naar de kloekwerkende mannen
- Voelde hij toch mee van hun volle lust,
- Zijn spieren werden weder vol-gespannen,
- En 't hart weer als van ouds door vreugde ontrust.
-
- Eén lust beving hem, waar hij weer de paarden
- Der Naties zwoegen zag voor hunne vracht,
- Spieren gespannen, de koppen ter aarde,
- Getweeën trekkende met volle macht.
-
- Weer vond de Lente hem van vreugden dronken
- Weer dwaalt hij, niet wetend van tucht of tijd,
- Wat het leven geroofd heeft of geschonken
- Het liet hem een tuchtlooze heerlijkheid.
-
- 29
-
- HIJ ging tot waar de greetge Stad verzadigd
- Aan 't land zijn rust en zijne ruimte liet,
- Waar de Lente, met weelden begenadigd
- Hemel en aarde lachend overziet.
-
- Hemel en aarde lachend; maar daar bouwen
- De muren nog van een nieuwe fabriek,
- Waar de rijen van ramen grijzend grauwen,
- En machines raatlen rauwe muziek.
-
[p. 32]
-
- De schafttijd eindigt, honderden van jongens,
- Gaan pratend, fluitend, zingend, langs het pad,
- O, blijde jeugd: iets liefs en ongedwongens,
- Blijft in 't ruw werk uw onaantastbre schat.
-
- Een kruitfabriek: wel is het werk gevaarlijk
- Maar het wordt beter door Knapen gedaan
- Dan door mannen, wier werkhanden bezwaarlijk
- Naar 't snelle vullen der kardoezen staan.
-
- Beter door Knapen, die meer ingespannen
- De doozen vullen met het driftig kruit,
- Lichter drijft men jongens dan stroeve mannen,
- Beter perst men hun het hartenbloed uit.
-
- Beter door Knapen: geeft de wereldstad
- Den gretigen heeren geen tol genoeg?
- Pratend, zingend, fluitend gaan zij hun pad,
- Langs huis, langs fabriek, langs kaden of kroeg.
-
- Zij worden door werkwagens overreden,
- Of ziekten grijpen hen in 't wreed gezwoeg,
- Machines kraken hen de ranke leden,
- Geen nood: de moederstad baart er genoeg.
-
- De donkre jongens: in de zoele nachten
- Werden zij verwekt in 't schipperskwartier,
- Hun oogen schemeren van vreemde prachten,
- Hun daden drijven driftig naar vertier.
-
- Maar in de fabriek worden zij getucht,
- Machines ratelen hun lachen stom,
- Hoe menig breekt vóór 't stijgen van zijn vlucht:
- Geen nood: voor één geeft de Stad tien weerom.
[p. 33]
- 30
-
- DE kruitfabriek: wie is de gretige eigenaar,
- Die mild met zooveel heerlijk leven speelt?
- Knapen voor goud: het is wreede Freddy Béjard,
- Op zijn goud zuinig, met hun leven mild.
-
- Herinner u: hij was een schuwe jongen,
- Des Meesters zoon: gevreesd bij man en maat,
- Die de lust der werfwerkers heeft verwrongen
- Tot wilde weelden van waanzinnig kwaad.
-
- Heeft men na zoovele jaren vergeten
- Het wreed bedrijf toen op de Werf elk man
- Knapen kwelde en bij hunne zeere kreten
- Genoot, wat geen strafloos genieten kan.
-
- Wreed wonder, teedre wreedheid, fel geslagen
- Werden de Knapen, voor een trekkend vuur
- Tergend gesteld, wat geen man zou verdragen
- Verdroegen zij, bedreigd, menig helsch uur.
-
- Niet één, die vreezend voor wreeder wraak, sprak,
- Gebraakt, gekneusd, spottend op 't Kruis gelegd,
- Tot één Knaap stervend het geheim verbrak
- En ieder martlend man streng werd berecht.
-
- Hun voerder vluchtte: Knaap van vijftien jaren,
- Des Meesters zoon, verliefd op wreed bedrijf.
- En vluchtend vond hij schatten van gevaren
- In menig land en lust voor 't siddrend lijf.
-
- Na vijf en twintig jaren keert hij weder,
- En thans als toen bedreigt hij menig maat
- Het lachend leven, niet van lusten teeder
- Eén lust bleef hem van allen: eigenbaat.
-
[p. 34]
-
- Knapen voor goud: hij telt niet de gevaren
- Van 't vonkend vuur in het woelend bedrijf,
- De Stad verwekt zijn aantal alle jaren
- En verkoopt graag der Knapen teeder lijf.
-
- 31
-
- EN Laurent dwaalde waar de Stad verzadigd
- Aan 't land zijn rust en zijne ruimte liet,
- Waar de Lente, met weelden begenadigd
- De grauwende afschuw der kruitfabriek ziet.
-
- Laatmiddag: in het zware zonlicht zoemen
- Bijen over den bermbloei van den dijk,
- Grage gasten van de bevende bloemen,
- De bij maakt bloemen, bloem de bijen rijk.
-
- En één hemel van vlekkelooze weelden,
- Een zonnelicht tot in het vast kwartier
- Des werelds, langs de bonte wegen speelden
- De Dagen in een zinneloos vertier.
-
- En Laurent: werd zijn lijf niet opgezogen
- Gelijk de zon het wolkend water doet?
- Hij was één met de blauwe hemelbogen,
- Zijn bloed stroomde weg in den zonnegloed.
-
- Zijn lippen beefden: wie zijn lippen kuste?
- Lente, Zomer, heel het zonnig heelal,
- Een storm van weelden, een hartstocht van lusten,
- Hij was de Aarde, de Wind, de Zon, het Al.
-
- 32
-
- ÉÉN slag. Eén val. De hemel wordt gereten
- Met bliksemvuur en donderend geluid.
- De Fabriek: een blijde Knaap heeft vergeten
- 't Woedend gevaar van vuur bij vatbaar kruit.
-
[p. 35]
-
- Hij lachte stout, in zijn lach stukgeslagen
- Vliegt hij vaneen in de woedende lucht.
- Eén vonk, één vlam, honderd vlammen, zij jagen
- De werklieden waanzinnig op de vlucht.
-
- Maar waar zij vluchten, overal ontploffen
- Flesschen en vaten vol woedend geraad,
- Aan handen, voeten en oogen getroffen
- Sterven zij jammerlijk op veld en straat.
-
- Eén slag heeft Hemel veranderd in Hel,
- Een Knaap heeft honderd in den Dood gedreven.
- Neen: niet een Knaap, op wreede winsten fel,
- Ontzag Freddy Béjard geen heerlijk leven.
-
- De Kruitfabriek: één werveling van vlammen
- Waar nog telkens de grond in brokken breekt
- En 't duivlend vuur met zijn oranje kammen
- Langs de dooden en wreed-gewonden leekt.
-
- Eén slag. Een val. In zijn ruischende razing
- Vervreet het vuur steenmuren gelijk hout.
- Maar dan: ontdaan van waanzin en verbazing
- IJlen de redders, onbevreesd en stout.
-
- De Stad zendt hulp. O, Moeder, zat van zonden
- Die gaaft uw Knapen voor wat gierig goud.
- Thans liggen zij, krimpend van vuurge wonden
- Tusschen de steenen en het roostend hout.
-
- Het Land zendt hulp: hadden de stoute Knapen
- Eerder verkozen 't vreedzaam bouwbedrijf
- Dan het winzuchtig werk aan kruit en wapen,
- Die zich wreed keeren tegen 't teere lijf.
-
[p. 36]
-
- Is dit nog redding: met brandende handen
- Als fakkels vuur, met stukgeslagen voeten
- Gereten rug, met wonden waarin wroeten
- Wreedste giften, met oogen, die blind branden,
-
- Is dit nog redding: op zijn rauwe wonden
- Te liggen zoo, dat elke ligging pijnt,
- Is dit redding: het teerste schoon geschonden
- Door gift en vuur, dat wond in wonden schrijnt?
-
- Gelukkig nog zijn zij, die snel verbrandden
- Als geurig hout tusschen het knappend hout,
- Knapen dier Stad, die nooit verzaad van schanden,
- Haar schatten gaf voor wat schaamteloos goud.
-
- Een Offerfeest: O, Stad, Goud is uw God,
- Freddy Béjard is zijn gewijde Priester.
- Uw Knapen sterven vlammend: hij verliest er
- Geen winst of vreugd door hun onzegbaar lot.
-
- Goud is uw God: in hun teedere naakte
- Krimpen de Knapen voor het zwelgend vuur,
- Brandoffers geuren. Waar de vlammen blaakten
- Wolkt wreede wierook naar de heemlen puur.
-
- 33
-
- FREDDY BÉJARD: Laurent is niet vergeten
- De wreede weelden van uw jeugdbedrijf
- Gij zijt herkend: met onbedwongen kreten
- Viel Laurent hem over het vallend lijf.
-
- Geen die verlet. Geen kent de beide mannen
- Lijf tegen lijf worstlend in wreede woede,
- Hun spieren tot het uiterste gespannen
- Slaan hun vuisten elkaars gelaat ten bloede.
-
[p. 37]
-
- Leven om leven: naar het vuurravijn
- Wentelt en worstelt Laurent met zijn hater,
- Hij voelt geen keelgreep, geen bloedstroom, geen pijn,
- Eén doel ziet hij blind: den vurigen krater.
-
- En hij begrijpt, Freddy Béjard, zich werend
- In wanhoop tegen Laurents wreede greep,
- Aan 't vuur zich brandend, aan 't puin zich bezeerend
- Bezwijkt hij onder zijne stalen kneep.
-
- Overwinnaar, maar in zege overwonnen
- Sleept Laurent den machtloozen hater mee
- Eén oogenblik: in de wentlende bronnen
- Van het vonk-stuivend vuur storten zij twee.
-
- 34
-
- EEN Offerfeest: O, Stad, Goud was zijn God,
- Minder dan goud was hem der Knapen bloed.
- Met zijn vijand, geslagen in één Lot
- Verbrandt hij in de woede van één gloed.
-
- Als gestild leggen de fluitende vuren
- De stormen van hun wervlend woeden neer,
- Een doffe rook rouwt om de brokkemuren
- Gewonden kreunen van onduldbaar zeer.
-
- En door de nacht trekken de droeve tochten
- Van gewonden weer naar de Moederstad.
- Zij, die hun brood buiten haar muren zochten,
- Keeren tot haar langs een gepijnigd pad.
-
- Zij keeren, maar niet keert tot zijne zonden
- Béjard. Noch Laurent tot zijn schoone nood.
- Door haat, als nooit mannen scheidde, verbonden
- Vielen zij samen in één gruwbre dood.
[p. 38]
- 35
-
- HOE zalig heeft mijn lied Loïet bezongen
- Voerder der Libertijnen zijner Stad.
- Wiens teedre lust geen noodlot heeft bedwongen
- Toen hij tartend het schouw schavot betrad.
-
- En al de wegen van zijn teer verlangen
- Volgde ik mijmerend met mijn vleiend lied
- En nog: de teerste van mijn zoete zangen
- Is zóó teeder als zijne schoonheid niet.
-
- En als Loïet Laurent, wiens dartel dolen
- Hem voerde ver van huis en vaderhof.
- Die vierde vreugden, fel en onverholen,
- Oovral waar hij vreugden te vieren trof.
-
- Die nooit verzaad van scheiden en ontmoeten
- De blijdste was van al zijn vrije makkers,
- Wiens lust en lied het zwoegend leed verzoetten
- Van ruwe runners en geslagen rakkers.
-
- Op 't leven fel aan menig vriend verbonden,
- Deelde hij met een vijand feller dood.
- Is het geen zoen voor fouten en voor zonden
- Zoo fel en sterk te staan in volle nood?
-
- Met kloppend hart volgde ik zijn vrije wegen.
- Mijn hartslag is de maatslag van dit Lied.
- Tot tucht getemd blijf ik innig genegen,
- Die tucht verbrak en acht zijn zorgen niet.
-
- Het beste deel? Vraag niet naar goed en beter.
- Hij koos zijn deel, geniet uw erfdeel mee.
- Eén Rechter richt den zoeker en den weter,
- Eén Dood brengt den dulder en dader vree.
-
[p. 39]
-
- Loïet.... Laurent, genieter, zoet bezwijmer
- Hoe weiflend slaat mijn ziel uw wegen ga.
- Geree bekoord zing ik in het gemijmer
- Van mijne liederen uw weelde na.
|