[p. 3]

EEN NIEUW CARTHAGO



[p. 4]

 1
 
 HOE zalig heeft mijn lied Loïet bezongen
 Voerder der Libertijnen uwer Stad,
 Wiens teedre lust geen doodsangst heeft bedwongen,
 Toen hij lachend het schouw schavot betrad.
  
 Antwerpen was van alle Wereldsteden
 Het rijkst aan weelden, vrij van barre ban,
 Elk man genoot daar 's levens heerlijkheden
 Zóó zalig als één man genieten kan.
  
 Nu nog, eeuwen later, verbreekt de blijheid
 Van zijn stout vaarvolk elke stroeve tucht,
 Nog vieren zijn matrozen hunne vrijheid,
 Die straf van aarde noch van hemel ducht.
  
 Een Nieuw Carthago: wijder dan van 't oude
 Spreiden de banen van zijn handelsvaart,
 En wat zijn Reeders aan de Zee vertrouwden
 Keert weder met winsten tien-dubbel waard.
  
 Zij zijn de Daders uwer trotsche Stad
 Heerschers van Heeren en der Steden stichters,
 Maar meer dan Daders zijn der daden Dichters,
 In uw Boek vindt mijn Lied zijn kracht en schat.
  
 Geen werklijkheid zóó werklijk als uw Droom.
 Een Nieuw Carthago? neen, langs markt en straten
 Waar 't leven schuimt langs den bevrachten stroom
 Zoekt thans als toen Loïet zijn teedre Maten.
  
 En menigmaal door 't Nieuw-Antwerpen dwalend,
 Bracht mijn droom in het Oud-Antwerpen mij,
 En menigmaal, zijn oogen minnestralend,
 Trad langs de havens mij Loïet voorbij.
  


[p. 5]

 
 En wat hij leed is nog der Makkers lijden
 En zijne vreugd is nog der vrijen vreugd,
 Een Nieuw Carthago? Neen: der oude tijden
 Teerste vrijheid herleeft in elke jeugd.
  
 En langs de wegen van winst en gewoonheid,
 Dwaalt nog menig Maat tot een teedren Droom,
 Eeuwig is de Vreugde en eeuwig de Schoonheid,
 Eeuwig der Liedren ongetemde Stroom.
  
 Een Nieuw Carthago? Hoort: de schrille stoomers
 Beheerschen thans de Stad en de Rivier,
 Het Leven wisselt eeuwig, maar de Droomers
 Zien wat nooit wisselt in 't onvast vertier.
 2
 
 EN als Loïet verslijt Laurent zijn leven
 Zoet van zinnen, eenzaam was zijn jeugd,
 Maar uit de vreugde van 't Gezin gedreven
 Hervindt zijn hart zoet-zinnelijker vreugd.
  
 Herinner u Loïet in ban gevangen
 Van zijn dagtaak, op toren, huis of dak
 Vermeet hij met een mateloos verlangen
 Zijn Land, zijn Stad en 't wijde waterwak.
  
 Gelijk Loïet Laurent, wiens jonge tijd,
 Antwerpen groeien zag in macht en bate,
 Stad, die daaglijks breeder zijn bouwing breidt
 Van park en plein, van dok en drukke straten.
  
 En uren lang voor zijn dakraam gezeten,
 Zag hij met blikken, die geen leertaak bindt,
 Hoe de gretige Stad met gulle beten
 Daaglijks een deel van 't bloeiend Land verslindt.
  


[p. 6]

 
 Of hij dwaalde bij 't werkvolk rap en ruw,
 De kloeke bouwers en de sterke brekers.
 Wat zocht de Knaap? Iets zoets en iets onzekers
 Lokte zijn hart zóó zinnelijk en schuw.
  
 Zomer: leer op, leer neder gaan de sjouwers,
 Wreed-zweetend onder hunnen steenen last,
 Dof-zwoegend slaan de neergebogen bouwers
 Hun heete steenen in de mortel vast.
  
 De wind dwaast met de zatte zonnevlagen,
 En de aarde brandt, een hel van hemelsch vuur,
 In zalige verrukking neergeslagen
 Versleet Laurent daar ieder bevrijd uur.
  
 Zijn blikken zwelgen gretig het bewegen
 Dier kloeke kerels, in de hitte naakt.
 Wat zocht de Knaap, half stout en half verlegen
 Wanneer één blik zijn starende oogen raakt?
 3
 
 HIJ dwaalde door dazende kaarsfabrieken *  ,
 Waar wetenschap alle geheimen breekt
 Van de Natuur, maar, of Natuur zich wreekt,
 Fel vallen daar de verminkten en zieken.
  
 Het vet kookt van schuim woedend, in de pannen
 Kuischen de kerels vet en vuil vaneen,
 Maar 't vluchtend vuil, toch machtger dan de mannen,
 Vergiftigt wreed den kloeksten vleesch en been.
  
 Hoort: hoe zuiver zacht de machines glijden,
 En zingen als in droom een wiegend lied,
 De Man, vertrouwd met hen door lange tijden
 Vreest hun woeden en hunne listen niet.
  
 *  Eigendom van een bloedverwant.


[p. 7]

 
 Hun woeden: wee, de koopren ketels stampen,
 Zij scheuren, zij braken vuil, vet en asch,
 Vernietigd valt, stervend in wreede krampen,
 Die straks een kloek-werkende makker was.
  
 Hun listen: langs de moede mannen glijden zij
 Met hun geslepen riemen zonder eind,
 En, als hun meesters liefkozende, vleien zij,
 Tot zij valsch grijpen en een angstkreet schrijnt.
  
 En zij hem breken, spijt zijn scherp gespartel,
 Wreed-kreunend bij den doodsnood van den Man,
 En zij zorgzaam voltooien het gemartel
 Van den Meester, die zich niet weren kan.
  
 Hij wordt geradbraakt, gerekt en gerekeld,
 Getergd aan ieder lidmaat sterk en teer
 Als vlokkig vlas gehavend en gehekeld
 Werpt hem de woedende machine neer.
  
 Gebreukt door 't werk of in woedenden loonstrijd
 Met hun meesters, jagen zij 't leven rond,
 De Kerels, en hun hartstochtlijke schoonheid
 Wordt om de wil van veile winst gewond.
  
 Hartbrekend meelijden, neen, meer: een Liefde
 Zwol in Laurents hart, zinnelijk en teer:
 'Elk man zijn Makkers en wat ieder griefde
 Zijn grief en elks leed zijn hartstochtlijk zeer.'
 4
 
 IEDERS leed: machtloos als onder een moker,
 Tusschen de machine op wederwraak ras
 Verloor 't leven een jonge, sterke, stoker
 Die de schoonste van zijne Makkers was.
  


[p. 8]

 
 Wellicht te schoon, te stout en heeft gewroken
 De woedende machien, der goden wraak?
 Aan vuil en vaagsel werd de knaap gebroken
 Die menig Makker lokte tot vermaak.
  
 Was hij te schoon, te stout? Haat in het hart
 Staat aan zijn machine de machinist,
 En stookt het stampend vuur, terwijl hij twist
 Met zijn woede en zijn wreed-verbeten smart.
  
 Hij hoort hoe zuiver elke machien glijdt,
 En weet dat iedre fel zijn Meester haat,
 En vleit en dient en wacht gedwee zijn Tijd,
 Dan aangrijpt en den Man tot mortel slaat.
 
 5
 
 BUITEN de Fabriek, die hem lokte en kwelde
 Met wrange geur en dof-dreunend geloei,
 Zwierf Laurent langs de kaden en de Schelde
 Als Land en Stad vol staan van zonnegloei.
  
 Op stroom liggen de stoomers, hun gevaarten
 Laden de lossers in de lichters leeg,
 Roeiers en zeilers meten snel de klaarten
 Van de Rivier, naar elk bevelen kreeg.
  
 Droomt hij, Laurent? Of staat hij, sterk en wakker
 Aan dek van een schip, dat zijn Tocht begint?
 De zeilen weifelen, dan strak en strakker
 Houden zij zich geopend voor den wind.
  
 Wie scheidt zijn Droom van zijn Daad? Ziet: hoe blinken
 Weelden van Zon op weelden van den Stroom,
 De hooge huizen stijgen, wijl verzinken
 De lage landen tot een grijze zoom.
  


[p. 9]

 
 Verrukt ziet Laurent het wonder herbloeien
 Van de Stad alsof zij juist kwam verrijzen
 Uit de Rivier, de stijgende uren gloeien
 Over zijn kerken en handelspaleizen.
  
 Tot achter eene bocht de Stad verdwijnt,
 En stilte overwint zijn stampend gerucht
 Tegen de klaarte van de blauwe lucht,
 Bouwt fijn en sterk een Toren, strak-belijnd.
  
 O, stilte, zalig na 't ontzind gebolder
 Dat nacht en dag over de straten rint:
 Wijd de Rivier en wederzijds de Polder,
 Die schooner schat dan eene Stad gewint.
  
 En door de luwe lucht dwazen de meeuwen
 Hun ongetemde tochten: ziet, hun vlucht,
 Ziet hun fel wenden, hoort hun schrille schreeuwen,
 Als een visch 't water breekt met kort gerucht.
 
 6
 
 GINDS liggen wijd de scheepsbouwende werven
 Waar altijd nog werk op de stapels staat,
 Er schuimt geen zee, waar niet hun zeilers zwerven,
 En hunne stoomers gaan om volle baat.
  
 Viel onder het kloek werken reeds vergeten
 Het wreed bedrijf toen op de Werf elk man
 Knapen kwelde en bij hunne zeere kreten
 Genoot wat geen strafloos genieten kan?
  
 Wreed wonder, teedre wreedheid: fel geslagen
 Werden de Knapen; voor een trekkend vuur
 Tergend gesteld; wat geen man zou verdragen
 Verdroegen zij krimpend menig helsch uur.
  


[p. 10]

 
 Niet één, die dof bedreigd met doodswraak, sprak,
 Gebraakt, gebrand, spottend aan 't Kruis gelegd,
 Tot wanhoop het schaamtloos geheim verbrak
 En ieder martlend man streng werd gerecht.
  
 Wie was hun voerder? Een van vijftien jaren,
 Freddy Béjard, verliefd op breuk en brand,
 De zoon des Meesters, vluchtend voor gevaren
 Van des volks wraak, ruimde hij stad en land.
  
 Na vijf en twintig jaren keert hij weder,
 In menig land heeft hij zich wreed verrijkt,
 Wat is zijn weelde en woede? Trilt nog teeder
 Zijn hart als een fel-gepijnigd bezwijkt?
  
 Neen: de pracht van zijn schat doet niet vergeten
 De schuwe zonden van zijn teedre jeugd,
 Stugheid, haat en vijandelijke kreten
 Storen menigmaal zijn weeldrige vreugd.
 
 7
 
 ZAAGT gij wel ooit een stout schip van zijn helling
 In 't water loopen, dat hem blij verwacht?
 Nog is de laatste stut hem tot een kwelling,
 Nog houdt het laatste touw hem in zijn macht.
  
 Rondom loopen de trotsch-schouwende bouwers,
 En maken den stapel voor de afloop ree,
 Duizenden zijn de saamgeschoolde schouwers,
 Ieders hart leeft dat schoon, sterk leven mee.
  
 Nog machteloos ligt in de ban gevangen
 Van touw en takel, die den stormvloed mint,
 Trilt niet reeds door zijn ranke flank verlangen,
 Als van een paard voor zijn prijs-rit begint?
  


[p. 11]

 
 Op 't hooge dek staat de volle bemanning
 Als reizens-ree rond den schipper geschaard,
 Zij zwijgen in een wonder-teedre spanning,
 Want goede stapelloop geeft goede vaart.
  
 En loopt een schip niet vlot neer van zijn helling
 Hoe zal 't vlot varen op de breede baan?
 Menig schip, angstig scheidend van zijn stelling
 Is later laf in den stormvloed vergaan.
  
 Freddy Béjard, de Meester, houdt zijn bijl
 Fel-geslepen boven 't laatst touw geheven
 Eén slag.... dan bange stilte, een korte wijl,
 Dan voelt het schip een nieuw, een innig leven.
  
 Hij voelt het water nader en dof-juichend
 Stort hij zich in den zon-schuimenden vloed,
 En hem omhelst de Rivier, die zich buigend
 Van vreugde voor den Meester open-doet.
  
 Elk angst-wachtend hart bloeit in blijdschap open,
 Duizenden juichen in het rond geschaard.
 Wie zag een schip ooit zóó trotsch nederloopen?
 En goede stapelloop geeft goede vaart.
 
 8
 
 LAURENT: gescheiden van 't Gezin en wreeder
 Geschuwd door wie zijn hartslag niet verstond
 Volbracht zijn jeugd, maar hartstochtlijk en teeder
 Was hij voor elk met wien hij zich verbond.
  
 Vaak zwijgend en toch uiterst-fel doorlevend
 Iedere vreugd, iedere haat; zijn lot
 Trots dragend, in overmacht wedergevend
 Aan ieder, vreemde of vriend, zijn liefde en spot.
  


[p. 12]

 
 Altijd gereed tot iedre teedre wijding
 Maar ook tot iedre weerspannende daad
 Was zijn leven menig Maat tot verblijding
 Maar menig vreemde tot wrevel en haat.
  
 Een Heilige als niet één ander onheilig,
 Een hater, maar die als geen ander mint,
 Altijd in oproer, altijd fel, onveilig,
 Door overmacht van liefde of haat verblind.
  
 Als geen gevoelig voor de zoete zwijm
 Van lente, als geen gevoelig voor den toover
 Van zon, van zee, van licht, van bruisend loover,
 Genoot hij 't leven: een siddrend geheim.
  
 En dikwijls was het of hem stormend kuste
 Het gansch Heelal, een mond op zijnen mond,
 En tranen braken, die den koortsgloed bluschten,
 Waarvan hij vaag den overmacht verstond.
  
 O, niet de dagen doovend uit te leven,
 Maar in den gloed, de branding te vergaan,
 Wanneer de wolken aan den hemel beven,
 En siddrend van verrukking blijven staan.
  
 Altijd gereed tot iedre teedre wijding,
 Maar ook tot elke weerspannende daad,
 Verliet hij zijn gezin na twist en scheiding,
 En zocht in vrijheid ongebonden baat.
 
 9
 
 VERDREVEN Makker: zonder huis en haven,
 Werd niet de weidsche Stad uw heerlijk huis,
 Havens en kaden, waar de kerels draven,
 Hun stemmen sterk boven het stoom-gedruisch.
  


[p. 13]

 
 Den eersten avond: wijd ligt de vloed open,
 Tot aan de breking van de breede bocht,
 De schepen komen in- en uitgeloopen,
 Reizensreede of vermoeid van verre tocht.
  
 De meeuwen scheren hun schaatrende vluchten
 Over de bonte blauwte van de lucht,
 De Stad met al zijn daavrende geruchten
 Verstilt tot één wonderteer ruisch-gerucht.
  
 De zon verzinkt en al de witte zeilen
 Vangen de schoonheid van zijn rooden gloed,
 De visschersschepen keeren, nog een wijle,
 Dan daalt de stilte over den wijden vloed.
  
 En hitte stookt een hel van wreede geuren
 Op vuile vaalten en in open goot,
 Duizelend kan het Laurent vaak gebeuren,
 Dat hij gelijk hemel dien hel genoot.
  
 Ieder uur zingt weer, teeder, geheimzinnig,
 Het zilver klokspel, de ziel van den Toren,
 In de weelden van zijne Droom verloren
 Begroet de Knaap die liedren, klaar en innig.
  
 Hij ziet de kloeke lossers en de laders
 Naar huis keeren, tevreden met hun dag,
 Tartende Knapen of bedaarde Vaders,
 Maar stout en schoon elk bij gesprek en lach.
  
 Alhier, aldaar, bloeit reeds een lichtlantaren,
 Wonder van zilver in 't zacht-aadmend blauw,
 Een kalme, klare, vree komt nederdalen,
 Men leeft, maar voelt den last van 't leven nauw.


[p. 14]

 10
 
 MAAR 't waken van den Dag doet ook ontwaken
 De zorgen van den Knaap om werk en brood:
 In Antwerpen leeft men niet bij vermaken
 Ten havenkade dreef hem trots en nood.
  
 Werken of keeren tot spot en genade
 In de beklemming van het eng gezin:
 Hij keert niet weder, aan de Scheldekade
 Vond hij zijn werk en in het werk zijn min.
  
 En kloek begon hij dagelijks zijn ronde:
 Een wreede machine is de machtge Stad.
 Waak staag, zoo niet, de Stad slaat felle wonden
 Op elk man, die buiten zijn werkweg trad.
  
 Hoe menig man gaat in dit leven onder,
 Van slavend werk en waardlooze gewoonheid,
 Maar Laurent vond oovral hartstocht en schoonheid,
 Want liefde maakt elk waardloos ding tot wonder.
 
 11
 
 HIJ sleet zijn vrijheid samen met de runners,
 Die blijde makkers van de zeven zonden,
 Tuchtlooze tarters, ongetemde schunners,
 Maar wonderteer in hun gesloten ronde.
  
 Gij weet niet anders dan het zatte zuipen,
 Het wreed gevloek, de schaamtelooze spot
 Dier rivier-roovers, een rap-kapend rot,
 Die met hun sloepen langs de schepen sluipen.
  
 Gij meet de maat van uw geleden schade,
 Maar niet de maat van uw behouden winst,
 Zij rooven alles: hout, graan, suiker, waden:
 Zij tellen vrijheid meest en schat het minst.
  


[p. 15]

 
 Gij kent hun wreedheid, niet hun vaste trouw
 In vreugde en nood voor elken kameraad,
 Uw rijke reeders gunnen elkaar nauw
 Het licht der oogen in hun heete haat.
  
 Zij haten niet: zij zijn de kameraden
 Van 't bandeloos roovend rivierbedrijf,
 Zij leven schaterend van uwe schade
 En dekken tegen ieder elkaars lijf.
 
 12
 
 ZIJN Stad vierde van Rubens het eeuwfeest
 Met spel en tocht, met juublende cantaten,
 Het Marktplein vol en vol de vele straten,
 Maar ieder kalm, bezield van ééne geest.
  
 Muziek: machtig dwingt de menigte één wijding,
 Hoe vroom vieren zij des Meesters getij,
 Zij luisteren met zalige verblijding,
 De minsten hunner: kunstenaars zijn zij.
  
 En door de zalige muziek geteisterd
 Genoot Laurent van alle makkers 't meest,
 Zijn oogen blind van tranen en verbijsterd
 Zijn zinnen door de weelden van het Feest.
 
 13
 
 VAAK schuimt het werkvolk tegen trots en statie
 Der heerschende heeren, klein in getal,
 De werkers, elk vereenigd in zijn Natie
 Zetten het werken in de havens pal.
  
 Daar spant de Rivier rustig en verlaten
 Zijn kalme klaarte onder een stille lucht,
 Geen wagens ratelen langs plein en straten,
 Geen stoomkraan zwaait zijn last in hooge vlucht.
  


[p. 16]

 
 De Stad zwijgt in een angstige beklemming,
 Want geen Dag weet wat zijn avond bewaart,
 Het Leven worstelt met de wreede stremming,
 Van 't vlot vertier en vrije koopmansvaart.
  
 Als zeestorm druischt de woede zijne vlagen
 Door 't hart van het havenvolk stout en ruw;
 Eer 't iemand keert ligt het huis neergeslagen
 Van Freddy Béjard, als geen sterk en sluw.
  
 Maar daavrend jaagt de trotsche burgerwacht
 Den slag van zijn paarden over de straat,
 Het wrekend volk, machtloos tegen hun macht,
 Ruimt markt en wal, diep-verbeten van haat.
 
 14
 
 DE Klok slaat één: ter Beurze gaan de Mannen
 Wier schatten Stad, Land en Wereld regeeren,
 Wier Droomen heel het aardsche rijk omspannen,
 Wier Daden dagelijks hun macht vermeeren.
  
 Zoo vol als 't zonnig water door de Schelde
 Vloeit hun rijkdom door hunne trotsche Stad,
 Niet minder dan de Ridders zijn zij Helden,
 Niet min dan Koningen garen zij schat.
  
 Zij zijn de zonen nog dier Hanseaten
 Die daaglijks gingen op den handelstijd,
 Met muziek en herauten door de straten
 Als was handel een dienst godengewijd.
  
 Is handel schande? Reikt hun stout beramen
 Niet schat van heel de wereld aan elk man?
 Voeren hun schepen niet in één Stad samen
 Wat ieder land aan weelden geven kan?
  


[p. 17]

 
 Welk druk gewoel, welk wild gebaar, een horde
 Van roovers lijkt het u, ter beurze vreemd
 Maar in hun woeling leeft gespannen orde,
 Elk weet, wat zijn woord hem geeft of ontneemt.
  
 Men bevracht schepen, pandt cognoscementen,
 Verhandelt ceelen, regelt averij,
 Knipt met effecten, int premies en renten,
 Alles voor één doel: goud en goud daarbij.
 
 15
 
 WAT vreemde tocht is door hun hart getogen *  
 Dat elk het liefst het eigen land verlaat,
 En zoekt in een nieuw leven, meer bewogen,
 Voor vollere behoeften, ruimer baat.
  
 Amerika: 't land, waar ze zijn geboren,
 Laat ieder gaarne voor dit nieuwe land,
 Daar lokt hem winst, hier zijn ze toch verloren,
 Geleverd in der sterke drijvers hand.
  
 De Russische moujik, in nauwe nood
 Zich staag verslavend, Duitschers, Ieren, Franschen,
 Zij wagen graag in een nieuw land de kansen
 Op meer vrijheid, op beter werk en brood.
  
 De mijnwerkers, altijd in 't nauw gedreven,
 Tot hun wanhoop het hooploos wroeten staakt.
 Werkend door 't gluipend gas beroofd van 't leven,
 Stakend door wreeden honger afgemaakt.
  
 Met de mijnwerkers uit de Borinage
 Gaan de wevers en spinners weg uit Gent,
 Hoop in het hart, wel schamel aan bagage,
 Maar moedig en aan straf werken gewend.
  
 *  Landverhuizers


[p. 18]

 
 Niet langer is het een geslagen wonder
 Wanneer een man zijn parochie verlaat,
 Hier brengt een buitend meester hem ten onder,
 Daar vindt hij vrijheid en een sterker staat.
  
 Welke tochten houden hun hart gevangen,
 Dat zij lachend naar vreemde streken gaan?
 Vraag niet: wie kent eens harten diepst verlangen?
 Het Leven drijft: wij zien het verbaasd aan.
  
 Door 't duldend volk siddert een voller leven,
 Geheim gelijk de lente door de lucht
 Niet meer beperkt het eigen land hun streven,
 Als vogels zoeken zij de wijde vlucht.
 
 16
 
 EN tusschen al de dulders en de dervers,
 Voor bitter brood de bouwers onzer Aard,
 Scharrelen schuimend de gewikste wervers,
 Die winsten slaan uit de overzeesche vaart.
  
 Zij lokken met vleitaal als fluit zóó zacht
 Man en makker, die nooit zijn dorp verliet,
 Elk man geeft winst van de gewonnen vracht,
 En anders dan de winsten deert hen niet.
  
 Zij weten van elk makker zonde en vreugd,
 Zij weten wat woord lokt en blij verleidt,
 Zij vleien de teedre woede der Jeugd,
 En 't kalm begeeren van den mannentijd.
  
 Zij lokken: hier dreigt de lucht zijne zwaarten,
 Eén bui verslaat het werken van een jaar
 Daar spant de hemel nacht en dag zijn klaarten,
 En stooft de zon graan en vrucht vol en zwaar.
  


[p. 19]

 
 Zij vleien: hier verdort den Knaap het wachten
 Dat zijn loon strekt voor vrouw en vol gezin,
 Daar huwt een Man bij 't rijpen van zijn krachten,
 En geniet overvol zijn eerste min.
  
 Zij schenken wijn, zij vleien mild de weelde
 Dier kloeke makkers, hunne woorden hitsen.
 En wat Knapen in Droomen zich verbeelden,
 Zien zij, klaar als Daden, voor de oogen flitsen.
  
 Den dag daarna drijven zij de ploeg weder
 Onder een lage lucht door voren diep.
 Maar 't land lijkt hun nog gieriger en wreeder
 Sinds de stem van den sluwen werver riep.
  
 Hoe worden kloeke kerels zóó gevangen,
 Dat zij met zulke schouwe fluiters gaan?
 Vraag niet: welk hart weet eigen diepst verlangen,
 Het Leven drijft: wij zien het verbaasd aan.
  
 Zij gaan gedwee, de kloeke kameraden
 Van Polderbosch, van Lille en van Sandvliet,
 Hun smalle huishave wordt ingeladen
 Voor hun blikken ontbloeit een schoon verschiet.
  
 Bewogen door de weelden van hun droom
 Dwaalde Laurent zielsgraag langs kamp en kaden:
 Waarom zoeken zij 't ruim van storm en stroom,
 En de tochten der ongetemde daden?
  
 Zijn blikken volgden gretig hun bewegen,
 Geen hart, dat als zijn hart vrijheid verlangt.
 Wat zoekt de Knaap, half stout en half verlegen
 Wanneer zijn stralend oog hun blikken vangt?


[p. 20]

 17
 
 HERINNER u dit stout schip op zijn helling
 Rank geflankt, vóór zijn afloop, de bemanning
 Aan het hoogdek in één teedere spanning,
 Freddy Béjard slaat het los van zijn stelling.
  
 Herinner u zijn trotsch-schouwende bouwers,
 Het sidderend schip verlangde open zee,
 Herinner u die duizenden van schouwers,
 Hoe leefde elks ziel met zijn verlangen mee.
  
 Toen ging het sierlijk op zijn eerste tocht,
 Zoo wijd als maar verlangen de Aarde omspant,
 Thans voert het zwervers, hooploos afgewrocht,
 Naar 't wreede leven van een wildvreemd land.
  
 En toen: schatrijk was zijn uitgaande vracht,
 En voller thuisvracht hoopte elk bij zijn keer,
 Thans wordt der schaamlen have aan boord gebracht,
 En daalt geen schat in zijn laadruimen neer.
  
 Maar thans als toen brengt hij zijn Meester winst
 Van elken man, die hof en huis verlaat,
 Hun lot? Het deert Freddy Béjard wel 't minst
 Die niet beter kent dan zijn eigen baat.
  
 Hoe menigmaal zag Laurent van de Kade
 Zijn Stad in gloed, het Land in zonnegloed,
 Thans hangt een mist laag over de gestaden
 Der Rivier, die zich nauwlijks opendoet.
  
 Hoe scheren nu der meeuwen schelle scharen,
 Laag langs het water onder doffe lucht,
 Bedreigt Laurent niet een macht van gevaren,
 Waarom is hij als vogel niet gevlucht.


[p. 21]

 18
 
 DE Stad in zijn hartstochtelijke weelde
 Brak steeg en slop voor handels breede baan
 De buurten, waar Laurent als jongen speelde,
 Zag hij door schoonheidschenners nederslaan.
  
 Zij breken neer wat de kunstzinnigheid
 Van beter tijden schiep tot aller baat,
 Want zij weten niet wat aan innigheid
 Kan leven in een steeg of stille straat.
  
 Menig schoon huis wordt ongeacht gesloopt,
 Menig deel der Stad reddeloos ontzet,
 Als maar de stroom des handels vlotter loopt,
 Door geen nauwten van straat of steeg verlet.
  
 De Rietdijk en de Burchtstraat neergebroken,
 Die blijdste straten van den Blijden Hoek,
 Waar zooveel wilde schoonheid is ontloken,
 Waar zooveel leven stierf in wijn en vloek.
 
 19
 
 HERINNER u dit stout schip op zijn helling,
 Rank geflankt, vóór zijn afloop, de bemanning
 Aan het hoogdek in één teedere spanning,
 Freddy Béjard slaat het los van zijn stelling.
  
 Herinner u: vrij van trossen en teugels
 Zocht het bevend den sidderenden vloed,
 Op vollen wind spreidt het zijn witte vleugels,
 Waar een wereld zich voor hem opendoet.
  
 Zoo toen. Maar thans met weinig goed bevracht
 Van hen, die Nood uit hun land heeft gedreven,
 Is het vergaan in storm en stroom en nacht,
 Met al de hoop van menig dapper leven.
  


[p. 22]

 
 Met zooveel makkers, wier verkloekte jeugd
 Op nieuwe wegen nieuwe winsten zocht,
 Menig Man, die zijn afloop was tot vreugd,
 Voer met hem mede op de eindelijke Tocht.
  
 Het is vergaan. Den reeder deert het minst:
 Zijn kans verzekerd en voldaan de vracht,
 Zoo heeft het schip ter laatste vaart nog winst
 Aan zijn zeeroovenden Reeder gebracht.
 
 20
 
 ALS Loïet zwierf Laurent, wiens jonge tijd
 Antwerpen groeien zag in macht en bate,
 Ziet, hoe de Stad breeder zijn bouwing breidt
 Van park en plein, van dok en drukke straten.
  
 Hij vond zijn thuis in eene buitenwijk,
 Waar havenschuimers schuilen, vlotte vlegels,
 Roovend en rap, los van al recht en regels
 Armer dan één en toch meer dan één rijk.
  
 Meet niet uw schatten met hun gulle schat
 Wat is uw goud naast hun banlooze blijheid,
 Wat uw gekooid geluk naast hunne vrijheid,
 En naast hun zwerfland uw pronkende Stad?
  
 Niet langs uw wegen van tucht en gewoonheid,
 Vond Laurent voor zijn ziel en zinnen baat,
 Een feller vreugd, een ongebonden schoonheid
 Zocht hij, van zin verrukt, langs veld en straat.
  
 Een man, simpel en stout, een spoorwegwachter,
 Van leden kloek, gekleed in goudfluweel,
 Een leurder, die bij 't avondrooden zachter
 En zachter gaand zoet floot uit hart en keel.
  


[p. 23]

 
 Een maaier, die machtig onder 't zongloeien
 Zijn zilverzeis door 't golvend grasland slaat,
 Of Knapen, die naakt glop in glop uit, stoeien
 En weten zalig niet van goed of kwaad.
  
 Of op een dorschdeel staan half-naakte dorschers,
 Brons en verguld in donkre zonnepracht,
 Of langs de kaden draven maatvol torsers
 Krachtig gebogen onder hunne dracht.
  
 Dat was zijn weelde, dat zijns harten schoonheid,
 Wat meet gij dan uw schatten aan zijn schat?
 Voor u de nauwe weg van winst en broodnijd,
 Zijn hart vindt wijder weg door veld en stad.
 
 21
 
 HOE listig zwierf hij met de sluwe slippers
 Waarvan geen mensch de dagverdiensten kent.
 Of, stil van zin, voer hij met tjalkenschippers
 Waar 't water door het lage land zich wendt.
  
 Zijn Ziel leefde 't leven van ieder ding,
 Boom, plant noch steen zijn in de wereld dood.
 Elk spreekt zijn stem van droeve mijmering,
 Van vreugd, van wroeging, van innige nood.
  
 Wat is een schip een blijde en veilig thuis,
 Hoe vaart het vlot, wind achter, goed getij,
 Of strijkt zijn zeil voor een brug of een sluis,
 Voor eenen bakker, of een brouwerij.
  
 Want in de volkenvolle straten eenzaam
 Zwierf Laurent liefst langs het gemeden land,
 Zijn ziel met de ziel der dingen gemeenzaam,
 Zijn hart één met hun hart in blake brand.
  


[p. 24]

 
 Voor de stem der drijvende menschen doof,
 Ontzenuwd door hun vreugden, hun geschater,
 Gevoelig voor de stem van ruischend loof,
 Van zon, van sterren en van klaatrend water.
  
 En dikwijls was het of hem stormend kuste,
 Het gansch Heelal, een Mond op zijnen mond,
 En tranen braken, die zijn koortsgloed bluschten,
 Waarvan hij vaag den overmacht verstond.
  
 Geteisterd door een weelde van verlangen
 Dreven de tochten van zijn hart hem voort,
 Soms brak zijn vreugd in overvloed van zangen,
 Soms in een storm van snikken onverhoord.
 
 22
 
 MEER dan ooit werden zijn wegen getrokken
 Naar de wijken, die een braaf burger mijdt,
 Meer dan ooit zwierf hij door de volle dokken
 Te schuwer nacht of ongelegen tijd.
  
 Hij leefde met de schuimers en de schunners
 Wier nachtgangen de dokkenwacht bespiedt,
 Men vermijdt die rivierroovers, de runners,
 Laurent vermeed ééne gemeenschap niet.
  
 Wie zijn hun vaders, wie zijn hunne moeders?
 Zoo menig Knaap, die thuis noch afkomst weet.
 Geboren uit de schuimers en de woeders,
 Brandt gouden hartstocht hun donkre oogen heet.
  
 Hun taal? Het geschuimte van vele talen,
 Weer saamgegoten tot één felle spraak.
 Geen vreemd verstaat hun liedren en verhalen,
 Geen vreemde deelt hun gevaarlijk vermaak.
  


[p. 25]

 
 Hun kleeren van een tartend goudfluweel,
 Zijn zij dan niet de laatste Libertijnen,
 Die 't leven drijven als een wild gespeel,
 En lustig lachen in brandende pijnen.
  
 En met hen sliep Laurent op kade of zolder,
 Hij deelde gulzig hun goed en hun kwaad.
 In den goudgloed van hun doorkoortsten kolder
 Vieren zij hun buien van liefde en haat.
  
 Hoe menigmaal in de hel dezer nachten,
 Als woede met woede in één wellust vocht,
 Werden minnaars en haters door de wachten
 Der Stad voor geding of vonnis gezocht.
  
 Gelijk de bloemen in één zaalge droom
 Het zonlicht uit den zomerhemel drinken
 Zóó dronk zijn ziel aan een trillenden stroom
 Van lust en voelde in duizel zich verzinken.
  
 Hun ruige daden, hun tartend bedrijf,
 Geen, die zóó gulzig als Laurent genoot,
 Zijn ziel sidderend, zijn gespannen lijf
 Tuk op tuchtloozen durf en nauwe nood.
  
 Hij deelde wild de woede van hun dansen,
 Tot den morgen in het schipperskwartier,
 Zijn oogen beven als hun oogen glansen
 Van teedre wreedheid en dreigend vertier.
  
 Triangels tintelen, de klarinetten
 Drijven de dans van uur tot later uur,
 De lucht geurt wild, de zatte zielen spetten
 Hun lusten als de vonken van een vuur.


[p. 26]

 23
 
 EEN wreede ziekte viert zijn wilde vlagen
 In 't Oosten als een vorst verzot op moord.
 Keerende schepen liggen lange dagen
 Te wachten of geen ziekte heerscht aan boord.
  
 Gele vlaggen geheschen aan de masten,
 En als geslagen in ban van een droom
 Ligt het schip, geschuwd door de stoute gasten,
 Doodsch in het leven van den vollen stroom.
 
 24
 
 EN langs den Dijk zwerven zij tot den Doel.
 Of zij vluchten voor de warmte in het water.
 Altijd vol twist, altijd vol wild geschater
 Drijven zij door de dorpen hunne joel.
  
 Of als sphinxen, het hoofd in breede handen,
 (Wat is hun geheim, wat hun hartenhaat?)
 Liggen zij roerloos in het zonnebranden
 Tot heete dag in schemering vergaat.
  
 Tot schip in zicht. Tot op den breeden stroom
 Een zeiler stijgt, die reeds de zeilen strijkt,
 Dan breekt de weelde van hun zomerdroom
 Voor woede, wie maar 't eerst het schip bereikt.
  
 De roeiers zwoegen woedend in hun schuit
 Hijgend, dat niet een ander van hen wint,
 En eerder neervalt op de breede buit,
 Die straks saam deelden, haten thans ontzind.
  
 En op het schip: men kent de wreede rakkers,
 De runners, maar men weet, dat geen als zij
 De stad kent met zijn stegen, met zijn makkers,
 Met zijn meiden van recht en zede vrij.
  


[p. 27]

 
 Elk houdt zijn schuit aan 't schoone schip geklemd,
 En slingert zich langs trap of touw naar boven.
 Dan begint, woede die geen scheepstucht temt,
 Geraas van bieden, van laten en loven.
  
 Laat maar de schipper schuimen en wreed vloeken,
 De runners wagen zich niet min aan boord,
 Zij weten wat de schuwe makkers zoeken,
 Zij weten wat geheim een knaap bekoort.
  
 Luwt niet de wind hier binnen zonder vlagen
 Daar buiten hebben zij maanden weerstaan
 Zijn wars geweld, zijn geeselende slagen,
 Zouden zij thans niet losse wegen gaan?
  
 Eén man, één jeugd: wie zal 't gemis vergoeden
 Van droom en wilde daad in de ouderdom?
 De runners bieden, fluistren, doen vermoeden,
 Hoe licht voeren zij de matrozen om.
  
 Tien, twintig, dertig, oovral opgeschoten
 Met hunne schuiten, tuk op winst en buit
 Bestormen den schipper en zijn genooten
 Van het vooronder tot het achteruit.
  
 Met manden rijnwijn, met donkre sigaren,
 Jenever, brandende likeur, tabak,
 Weelde voor wie maandenlang zwervers waren
 Langs wijdten van het bare waterwak.
  
 Goudgeld op verre zeetochten gewonnen,
 Zij slaan het klein in hun baldadigheid.
 Want eens maar is men jong en onbezonnen,
 En eens maar viert de jeugd zijn vrij jolijt.


[p. 28]

 25
 
 VAN het schip vervallen zij in de buurt
 Waar elke straat en steeg is als een klem,
 Waar wellust door halfdichte ruiten tuurt
 En lokt den zwerver met fluistrende stem.
  
 Hoe gaarne wordt hem alles voorgeschoten,
 Straks wordt het dubbel op zijn loon verhaald.
 Geen oogwenk verlaten hem de genooten
 Voor wie hij gul zijn goud voor drank betaalt.
  
 Wat wordt hem niet aan waardloos goed gesleten?
 Kleedwerk en reukwerk voor een looze meid.
 Dwaze spiegels, ringen, bellen of keten,
 Die zij versmadend weer voor drank verslijt.
  
 Tot hij ontwaakt en vindt zich overladen
 Met schulden bij de wervers en de waarden.
 Wat nood: hij zoekt weer 't ruim der waterpaden
 Tusschen al bloeiende landen der Aarde.
  
 Wees rijk met zijn geld, liederlijke loeders,
 Ontlast van zijn goud blijft hij schattenrijk,
 Oovral deelt hij met Maten gelijk Broeders
 De lusten van de losse schipperswijk.
  
 Zijn lusten: waar in een eeuwigen zomer
 Oostersche steden bloeien langs hun reeden
 Geniet hij nachten als een dronken droomer
 En koelt de hitte van zijn ranke leden.
  
 Op tochten met den schuwen maankop-schuiver
 Proeft hij verdwaasd van de toovrende rook
 Nooit gedenkt hij zonder hatenden huiver
 Het wonder, dat hem in zijn droom ontlook.
  


[p. 29]

 
 Zijn lusten: maar hij wint de wilde ruimte
 Van zouten storm en 't matelooze meer,
 Zijn vreugden waaien weg als licht gepluimte:
 Daar staat zijn ziel als een knaap naakt en teer.
  
 Daar staat zijn ziel: gelouterd van verlangen,
 Daar staat zijn ziel: ontbonden van zijn lusten
 De golven juichen, die hem wild ontvangen
 En voeren den rusteloozen te rusten.
 
 26
 
 OP tochten met zijn tuchtelooze rakkers
 Raakte Laurent los van zijn laatste geld,
 Hij weigerde geen gift aan zijne makkers,
 Hij schonk de glazen, immer ongeteld.
  
 En langs de Feesten van het Carnaval
 Liep hij, de oogen groot-open, in geschater,
 Zijn vast gevolg? Straatschuimers zonder tal,
 Hun drank? De volle wijn als waardloos water.
  
 Drie nachten vol van stormende muziek,
 Drie nachten zwaar van wilde weelde en woede,
 De zware wijn, het hitsende Lambiek
 Brachten hem buiten alle tucht en hoede.
  
 Dan zatheid. In een rustelooze slaap
 Worstelde hij wild met der droomen horden.
 Wat was hij? Een in onschuld blijde Knaap,
 Wat is er in vreugden van hem geworden?
 
 27
 
 ALS raapsel van de straat werd hij gebracht
 Naar 't ziekenhuis, ontdaan van vreugdbedrijf,
 Menig maand streed de Dood om de overmacht
 Met het leven in zijn sidderend lijf.
  


[p. 30]

 
 Het leven won, en in de prille lente
 Ging hij, gelijk in droom verklaard, op straat,
 Te zien, hoe zomer zijn hemelsche tenten
 Van wit en blauw over de velden slaat.
  
 Het lenteleven heeft de macht verbroken
 Van den winter, gestreng gelijk de Dood,
 De lucht is als een bloemenveld ontloken
 In teedre pracht van wit en blauw en rood.
  
 En niet langer dreigen de matte misten
 Met overmacht op stad en velden neer,
 Zijn oogen, die nog nauw van zomer wisten,
 Voelen het licht, aanbiddelijk en teer.
  
 Nooit lag de pracht der stad zoo kostlijk open
 Als dezen dag, dat hij bevrijd van Dood,
 Gelijk in droom zijn blijden weg liet loopen,
 Langs alle schepen harer trotsche vloot.
  
 Hoe lang lag de rivier in ban geslagen,
 Geen zeiler breekt des wreeden winters macht,
 En 't werkzaam volk wachtte hongrende dagen
 Het werk, dat in den zomer leven bracht.
  
 Tot één lach van de lente heeft verbroken
 De macht des winters over land en meer,
 De vlaggen en de zeilen zijn ontploken,
 De schepen brengen werk en welvaart weer.
  
 En hunne leden in één lust gespannen
 Zoeken laders en lossers werk als feest
 Te lang zijn zij, de spierkrachtige mannen,
 In 't ledig loopen onvoldaan geweest.
  


[p. 31]

 
 Als zij weer lading voelen in de vuisten
 Siddert hun lijf van weldadige lust,
 Geen dokker heeft zijn knoken en zijn knuisten
 Om te verschamelen in doffe rust.
 
 28
 
 OVER Laurent viel eene warme schaamte
 Dat hij werkloos tusschen die werkers ging.
 Maar mager was hij gelijk een geraamte
 Na maanden van koortsende worsteling.
  
 En starend naar de kloekwerkende mannen
 Voelde hij toch mee van hun volle lust,
 Zijn spieren werden weder vol-gespannen,
 En 't hart weer als van ouds door vreugde ontrust.
  
 Eén lust beving hem, waar hij weer de paarden
 Der Naties zwoegen zag voor hunne vracht,
 Spieren gespannen, de koppen ter aarde,
 Getweeën trekkende met volle macht.
  
 Weer vond de Lente hem van vreugden dronken
 Weer dwaalt hij, niet wetend van tucht of tijd,
 Wat het leven geroofd heeft of geschonken
 Het liet hem een tuchtlooze heerlijkheid.
 
 29
 
 HIJ ging tot waar de greetge Stad verzadigd
 Aan 't land zijn rust en zijne ruimte liet,
 Waar de Lente, met weelden begenadigd
 Hemel en aarde lachend overziet.
  
 Hemel en aarde lachend; maar daar bouwen
 De muren nog van een nieuwe fabriek,
 Waar de rijen van ramen grijzend grauwen,
 En machines raatlen rauwe muziek.
  


[p. 32]

 
 De schafttijd eindigt, honderden van jongens,
 Gaan pratend, fluitend, zingend, langs het pad,
 O, blijde jeugd: iets liefs en ongedwongens,
 Blijft in 't ruw werk uw onaantastbre schat.
  
 Een kruitfabriek: wel is het werk gevaarlijk
 Maar het wordt beter door Knapen gedaan
 Dan door mannen, wier werkhanden bezwaarlijk
 Naar 't snelle vullen der kardoezen staan.
  
 Beter door Knapen, die meer ingespannen
 De doozen vullen met het driftig kruit,
 Lichter drijft men jongens dan stroeve mannen,
 Beter perst men hun het hartenbloed uit.
  
 Beter door Knapen: geeft de wereldstad
 Den gretigen heeren geen tol genoeg?
 Pratend, zingend, fluitend gaan zij hun pad,
 Langs huis, langs fabriek, langs kaden of kroeg.
  
 Zij worden door werkwagens overreden,
 Of ziekten grijpen hen in 't wreed gezwoeg,
 Machines kraken hen de ranke leden,
 Geen nood: de moederstad baart er genoeg.
  
 De donkre jongens: in de zoele nachten
 Werden zij verwekt in 't schipperskwartier,
 Hun oogen schemeren van vreemde prachten,
 Hun daden drijven driftig naar vertier.
  
 Maar in de fabriek worden zij getucht,
 Machines ratelen hun lachen stom,
 Hoe menig breekt vóór 't stijgen van zijn vlucht:
 Geen nood: voor één geeft de Stad tien weerom.


[p. 33]

 30
 
 DE kruitfabriek: wie is de gretige eigenaar,
 Die mild met zooveel heerlijk leven speelt?
 Knapen voor goud: het is wreede Freddy Béjard,
 Op zijn goud zuinig, met hun leven mild.
  
 Herinner u: hij was een schuwe jongen,
 Des Meesters zoon: gevreesd bij man en maat,
 Die de lust der werfwerkers heeft verwrongen
 Tot wilde weelden van waanzinnig kwaad.
  
 Heeft men na zoovele jaren vergeten
 Het wreed bedrijf toen op de Werf elk man
 Knapen kwelde en bij hunne zeere kreten
 Genoot, wat geen strafloos genieten kan.
  
 Wreed wonder, teedre wreedheid, fel geslagen
 Werden de Knapen, voor een trekkend vuur
 Tergend gesteld, wat geen man zou verdragen
 Verdroegen zij, bedreigd, menig helsch uur.
  
 Niet één, die vreezend voor wreeder wraak, sprak,
 Gebraakt, gekneusd, spottend op 't Kruis gelegd,
 Tot één Knaap stervend het geheim verbrak
 En ieder martlend man streng werd berecht.
  
 Hun voerder vluchtte: Knaap van vijftien jaren,
 Des Meesters zoon, verliefd op wreed bedrijf.
 En vluchtend vond hij schatten van gevaren
 In menig land en lust voor 't siddrend lijf.
  
 Na vijf en twintig jaren keert hij weder,
 En thans als toen bedreigt hij menig maat
 Het lachend leven, niet van lusten teeder
 Eén lust bleef hem van allen: eigenbaat.
  


[p. 34]

 
 Knapen voor goud: hij telt niet de gevaren
 Van 't vonkend vuur in het woelend bedrijf,
 De Stad verwekt zijn aantal alle jaren
 En verkoopt graag der Knapen teeder lijf.
 
 31
 
 EN Laurent dwaalde waar de Stad verzadigd
 Aan 't land zijn rust en zijne ruimte liet,
 Waar de Lente, met weelden begenadigd
 De grauwende afschuw der kruitfabriek ziet.
  
 Laatmiddag: in het zware zonlicht zoemen
 Bijen over den bermbloei van den dijk,
 Grage gasten van de bevende bloemen,
 De bij maakt bloemen, bloem de bijen rijk.
  
 En één hemel van vlekkelooze weelden,
 Een zonnelicht tot in het vast kwartier
 Des werelds, langs de bonte wegen speelden
 De Dagen in een zinneloos vertier.
  
 En Laurent: werd zijn lijf niet opgezogen
 Gelijk de zon het wolkend water doet?
 Hij was één met de blauwe hemelbogen,
 Zijn bloed stroomde weg in den zonnegloed.
  
 Zijn lippen beefden: wie zijn lippen kuste?
 Lente, Zomer, heel het zonnig heelal,
 Een storm van weelden, een hartstocht van lusten,
 Hij was de Aarde, de Wind, de Zon, het Al.
 
 32
 
 ÉÉN slag. Eén val. De hemel wordt gereten
 Met bliksemvuur en donderend geluid.
 De Fabriek: een blijde Knaap heeft vergeten
 't Woedend gevaar van vuur bij vatbaar kruit.
  


[p. 35]

 
 Hij lachte stout, in zijn lach stukgeslagen
 Vliegt hij vaneen in de woedende lucht.
 Eén vonk, één vlam, honderd vlammen, zij jagen
 De werklieden waanzinnig op de vlucht.
  
 Maar waar zij vluchten, overal ontploffen
 Flesschen en vaten vol woedend geraad,
 Aan handen, voeten en oogen getroffen
 Sterven zij jammerlijk op veld en straat.
  
 Eén slag heeft Hemel veranderd in Hel,
 Een Knaap heeft honderd in den Dood gedreven.
 Neen: niet een Knaap, op wreede winsten fel,
 Ontzag Freddy Béjard geen heerlijk leven.
  
 De Kruitfabriek: één werveling van vlammen
 Waar nog telkens de grond in brokken breekt
 En 't duivlend vuur met zijn oranje kammen
 Langs de dooden en wreed-gewonden leekt.
  
 Eén slag. Een val. In zijn ruischende razing
 Vervreet het vuur steenmuren gelijk hout.
 Maar dan: ontdaan van waanzin en verbazing
 IJlen de redders, onbevreesd en stout.
  
 De Stad zendt hulp. O, Moeder, zat van zonden
 Die gaaft uw Knapen voor wat gierig goud.
 Thans liggen zij, krimpend van vuurge wonden
 Tusschen de steenen en het roostend hout.
  
 Het Land zendt hulp: hadden de stoute Knapen
 Eerder verkozen 't vreedzaam bouwbedrijf
 Dan het winzuchtig werk aan kruit en wapen,
 Die zich wreed keeren tegen 't teere lijf.
  


[p. 36]

 
 Is dit nog redding: met brandende handen
 Als fakkels vuur, met stukgeslagen voeten
 Gereten rug, met wonden waarin wroeten
 Wreedste giften, met oogen, die blind branden,
  
 Is dit nog redding: op zijn rauwe wonden
 Te liggen zoo, dat elke ligging pijnt,
 Is dit redding: het teerste schoon geschonden
 Door gift en vuur, dat wond in wonden schrijnt?
  
 Gelukkig nog zijn zij, die snel verbrandden
 Als geurig hout tusschen het knappend hout,
 Knapen dier Stad, die nooit verzaad van schanden,
 Haar schatten gaf voor wat schaamteloos goud.
  
 Een Offerfeest: O, Stad, Goud is uw God,
 Freddy Béjard is zijn gewijde Priester.
 Uw Knapen sterven vlammend: hij verliest er
 Geen winst of vreugd door hun onzegbaar lot.
  
 Goud is uw God: in hun teedere naakte
 Krimpen de Knapen voor het zwelgend vuur,
 Brandoffers geuren. Waar de vlammen blaakten
 Wolkt wreede wierook naar de heemlen puur.
 
 33
 
 FREDDY BÉJARD: Laurent is niet vergeten
 De wreede weelden van uw jeugdbedrijf
 Gij zijt herkend: met onbedwongen kreten
 Viel Laurent hem over het vallend lijf.
  
 Geen die verlet. Geen kent de beide mannen
 Lijf tegen lijf worstlend in wreede woede,
 Hun spieren tot het uiterste gespannen
 Slaan hun vuisten elkaars gelaat ten bloede.
  


[p. 37]

 
 Leven om leven: naar het vuurravijn
 Wentelt en worstelt Laurent met zijn hater,
 Hij voelt geen keelgreep, geen bloedstroom, geen pijn,
 Eén doel ziet hij blind: den vurigen krater.
  
 En hij begrijpt, Freddy Béjard, zich werend
 In wanhoop tegen Laurents wreede greep,
 Aan 't vuur zich brandend, aan 't puin zich bezeerend
 Bezwijkt hij onder zijne stalen kneep.
  
 Overwinnaar, maar in zege overwonnen
 Sleept Laurent den machtloozen hater mee
 Eén oogenblik: in de wentlende bronnen
 Van het vonk-stuivend vuur storten zij twee.
 
 34
 
 EEN Offerfeest: O, Stad, Goud was zijn God,
 Minder dan goud was hem der Knapen bloed.
 Met zijn vijand, geslagen in één Lot
 Verbrandt hij in de woede van één gloed.
  
 Als gestild leggen de fluitende vuren
 De stormen van hun wervlend woeden neer,
 Een doffe rook rouwt om de brokkemuren
 Gewonden kreunen van onduldbaar zeer.
  
 En door de nacht trekken de droeve tochten
 Van gewonden weer naar de Moederstad.
 Zij, die hun brood buiten haar muren zochten,
 Keeren tot haar langs een gepijnigd pad.
  
 Zij keeren, maar niet keert tot zijne zonden
 Béjard. Noch Laurent tot zijn schoone nood.
 Door haat, als nooit mannen scheidde, verbonden
 Vielen zij samen in één gruwbre dood.


[p. 38]

 35
 
 HOE zalig heeft mijn lied Loïet bezongen
 Voerder der Libertijnen zijner Stad.
 Wiens teedre lust geen noodlot heeft bedwongen
 Toen hij tartend het schouw schavot betrad.
  
 En al de wegen van zijn teer verlangen
 Volgde ik mijmerend met mijn vleiend lied
 En nog: de teerste van mijn zoete zangen
 Is zóó teeder als zijne schoonheid niet.
  
 En als Loïet Laurent, wiens dartel dolen
 Hem voerde ver van huis en vaderhof.
 Die vierde vreugden, fel en onverholen,
 Oovral waar hij vreugden te vieren trof.
  
 Die nooit verzaad van scheiden en ontmoeten
 De blijdste was van al zijn vrije makkers,
 Wiens lust en lied het zwoegend leed verzoetten
 Van ruwe runners en geslagen rakkers.
  
 Op 't leven fel aan menig vriend verbonden,
 Deelde hij met een vijand feller dood.
 Is het geen zoen voor fouten en voor zonden
 Zoo fel en sterk te staan in volle nood?
  
 Met kloppend hart volgde ik zijn vrije wegen.
 Mijn hartslag is de maatslag van dit Lied.
 Tot tucht getemd blijf ik innig genegen,
 Die tucht verbrak en acht zijn zorgen niet.
  
 Het beste deel? Vraag niet naar goed en beter.
 Hij koos zijn deel, geniet uw erfdeel mee.
 Eén Rechter richt den zoeker en den weter,
 Eén Dood brengt den dulder en dader vree.
  


[p. 39]

 
 Loïet.... Laurent, genieter, zoet bezwijmer
 Hoe weiflend slaat mijn ziel uw wegen ga.
 Geree bekoord zing ik in het gemijmer
 Van mijne liederen uw weelde na.