terug  begin  verderprepost
[p. 33]

Open brief aan P.L. Tak

Hoofdredacteur van Het Volk; Lid van het Partijbestuur der sdap1; Lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland; Lid van de Gemeenteraad van Amsterdam2; Lid van de Schoolcommissie te Amsterdam; Lid van de Gezondheidscommissie te Amsterdam; Redacteur van De Kroniek; Voorzitter van de Vereniging: ‘Kunst aan het Volk’3

 

DOOR JACOB ISRAËL DE HAAN

[p. 34]
Motto:
 
Want waarheid, dat 's al oud, vindt nergens heil of heul
 
Dies noemt men hem voor wijs, die vinger op de mond leit,
 
O, kon ik ook die konst, maar wat op 's herten grond leit
 
Dat welt mij naar de keel. Ik ben te stijf geperst
 
En 't werkt als nieuwe wijn, die tot de spon uit berst,
 
Zo 't onvolmaaktheid is, 't mag tot volmaaktheid dijen...
 
...
 
Of nu een snood harpij dit averechts zal duien,
 
Dat tegen d' overheên ik 't volk op wil ruien...
 
Zo loochen ik 't plat-uit...
 
 
 
vondel 1
[p. 35]

Waarde Partijgenoot Tak!

Wijl dat ik nu op het blanke eerste blad mijn open brief aan u schrijven ga, bevalt mij een harde angst. Want gij zijt een veel-vermogend en een grof-willend man, en ik ben maar een al te arm jong-man. Uw hand is zo bezwarend op mij geweest, ge weet het zelf wel, en tweemaal, toen ik uw barre hardhandsheid zó brekend voelde, heb ik u geschreven om wat matiging en wat gemak1.

Maar gij hebt u niemaals gematigd.

Gij hebt mij geschonden met één schandaal van onuitspreekbare schenderij.

Gij hebt mij gebroken met bréukslag op bréukslag.

Gij hebt mij bezeerd in de fijnste werkingen van mijn aandoenelijk zenuwleven.

Gij hebt mij ziek gemaakt.

Gij hebt mijn leven berooid van wat men niet mankeren mag, het saamleven met gelijkgevoelenden, d.w.z. voor mij met de socialisten.

Gij hebt mij tot tweemaal toe van mijn broodwinning beroofd2, en zonder welke ik niet naar de gematigde maat mijner behoeften kan bestaan. Ik ben een al te arm man geworden.

Gij hebt dit gedaan in naam van het partijbelang, zonder

[p. 36]

enige diepere noodzaak. En naar zedelijke noodzaak leven wij toch?

Ik heb u veel te vergeven. En ik kan het niet. Dit is een al kwetsend kwaad, dat gij mij hebt aangedaan. Als ik er aan denk, beven mijn zenuwen weer.

Toch, P.L. Tak, zou ik niet daarvoor de luide hulp van een betere openbare mening hebben opgeroepen. Ik zou die hevigheden tussen ons hebben gelaten. Niet waar, Tak, wanneer men u eens vertelde, dat ik grootdeels door uw minne moedwil een al te droevig deel van leven heb, dan zoudt ge nog wel eens spijt hebben gehad. Ik ken u slechts van éne zij: als een tartende tiran, een hard man van rotsgrove trots. Maar gij moet veel goeds hebben ook, veel hulpvaardigs. Gij zoudt uw mening over mij wel eens wat gematigd hebben; we hadden elkanders leven kunnen mijden; we hebben elkaar vroeger ook nooit ontmoet.

Doch er is meer.

Gij hebt mij als socialist grof gegriefd.

Gij hebt moedwillig, maandenlang, de rechtspraak in onze partij onmogelijk gemaakt.

Gij hebt toen men eraan toekwam u te rechten, met eigen-batig geweld, iedere rechtspraak belet.

Gij hebt u boven de democratie van de sociaal-democratische arbeiders geplaatst, en onze instituten met soevereine minachting gesmaad. Daartoe hadt gij, P.L. Tak, al waart ge nog verdienstelijker dan ge al zijt, en ge zijt zonder schijn van twijfel een zéér verdienstelijk man, daartoe hadt ge het recht niet.

Ik heb mij over uw handelingen beklaagd in het district, waar ik thuiswoon1. Dat was de legale weg.

[p. 37]

De meerderheid der partijgenoten hebben een voorstel op de beschrijvingsbrief1 gebracht, waarin men een onderzoek naar uw optreden vroeg. Dat was de wettige weg. Maar het onderzoek is niet gekomen. Op het Congres is over uw partijdig geweld geen mondvol gezeid.

Ja, P.L. Tak, nu heb ik de wettige weg langs mij gelaten. Had ik rechtvaardiger raad, beter baat geweten, ik had het niet gedaan.

En daarom bevalt mij angst. Een angstig vragen of 't maar niet beter is te laten wat niet te verweren2 valt. Er is een storm van leed over mij heen gewerveld, en daar ben ik niet schadeloos uit opgetreden. Ik ben zeker, heel zeker, dat ik gedurig meer te verduren krijg. Het was beter als ik boog3; over de buigbaren onweert de dondering heen.

Maar ik kan het niet:

Omdat meer dan vrede en vriendschap, het recht ons van waarde moet zijn.

Omdat meer dan schijn-rust, schijn van eenheid, de rechtvaardigheid voor onze partij werkelijke waarde heeft.

Daarom moet ik uw handelingen bar, nakend neer-zetten, ontdaan van iedere omhang.

Ik moet het.

Neen, neen, te wreken wens ik mij niet. Als men dit zegt, moet ge het niet geloven. Want alle dingen hebben iets beters, waardoor ze bestaan. Alleen rechtvaardigheid heeft niet iets beters boven zich, en daarom moeten we de rechtvaardigheid zoe-

[p. 38]

ken. Langs de padgebaande weg, wen1 die rechtvaardig is, en anders waar ons hart ons weg wijst.

Zijt gij rechtvaardig geweest, P.L. Tak?

En ben ik onrechtvaardig?

Antwoord daar eens op. Maar niet in Het Volk, waar ge politiek leider zijt, doch voor u-zelf, als ge slechts een mens behoeft te wezen.

Dit is gebeurd:

1Op dat moment was Tak zelfs voorzitter van het p.b.
2Bovendien werd Tak eind juni 1905 gekozen tot lid van de Tweede Kamer
3Het doel van ‘Kunst aan het Volk’ (opgericht in oktober 1903) was: ‘het begrijpen en genieten van kunst door de leden der arbeidersklasse te bevorderen’. Men wilde het echter ‘niet te hoog zoeken’ (Het Volk, 18 oktober 1904). Tak meende ‘dat allengs het bevattingsvermogen der arbeiders wel zou stijgen’ (Het Volk, 24 november 1904)
1Uit ‘Roskam’ (1630)
1Eén brief is bewaard gebleven in het Tak-archief in het hsg te Amsterdam
2Bedoeld zijn: het ontslag bij Het Volk en de kwestie in Voorschoten
1St. Willibrordusstraat 29 lag in district v. De federatie Amsterdam van de sdap bestond uit negen afdelingen, samenvallend met de toenmalige kiesdistricten. Deze indeling stond los van de verdeling in wijken. Zo heette de Pijp officieel wijk yy. De zuidgrens ervan liep door de Willibrordusstraat. De even nummers behoorden tot wijk yy. De Haan heeft dus eigenlijk niet in de Pijp gewoond
1Brief waarin men tot een vergadering wordt opgeroepen en die tevens de agendapunten bevat
2Verdedigen
3In een brief aan Van Deyssel (16 maart 1905) schrijft De Haan: ‘Moet ik dan alles van die menschen zachtmoedig en dankend dulden? Als gij uwe meening hadt gezeid, dan hadden ze nooit zoo durven doen. Verlaine zei: “Il faut qu'on sache, il faut qu'on plie”. Juist, soms moet men buigen, om te mijden, dat men geheel verslagen wordt’
1Wanner
prepostterug  begin  verder