terug  begin  verderprepost
[p. 39]

II

Onder dagtekening van 9 juni 1904 heb ik van u, partijgenoot P.L. Tak, deze brief:

 

Mijnheer De Haan,

Gister heb ik het door u uitgegeven boek Pijpelijntjes gelezen. Het zal u duidelijk zijn, dat na het verschijnen van dit boek, dat voor mij en zeker vele anderen een zeer ongewenste verrassing was, uw medewerking aan het Zondagsblad van Het Volk moet eindigen. Wij wachten dus geen kopij meer van u.

Met beleefde groet

 

P.L. Tak

 

Zó, zonder iets van dank of waardering, op een toon, die u als persoon vrij-staat, maar die als hoofdredacteur van Het Volk de uwe tegen een partijgenoot niemaals mocht zijn. Ge liet voor een deel der Amsterdammers het Zondagsblad een dag later verschijnen, om mijn reeds gezette kopij te kunnen knoeien1. Toen ge dit deedt, hoofdredacteur van ons partij-orgaan, had ik veertien maanden aaneen met zorg en moeielijke opoffering van tijd en gelden, uw Zondagsblad gebaat2. En dan te weten, dat ge zo zijt opgetreden uit kiezertjesangst en klerikalenvrees.

[p. 40]

Kunt gij dan uw zelf niet bepalen naar eigen zedelijk inzicht? Wordt ge dan bepaald door de tegenstreving onzer anderswillenden?

Die eigen avond van deze bedroevende brief deeldet gij, nog bedroevender, mijn ontslag in de krant1 aldus mee:

 

Wij delen mede, dat de heer De Haan2 niet meer aan ons Zondagsblad zal meewerken.

 

Ge deedt die toon met opzet, meent ge dat het iemand ontging? De redactie van Het Centrum smulde er aan3. Ik zond u enige brieven van mensen, ge weet het nog wel, die het speet, dat ik zo uitviel. Deze hield ik bij mij en ik maak hem hieronder af4:

 

W.P.5 Zoeven lees ik dat ‘de heer’ Jb. de Haan (is u geen partijgenoot meer?) niet meer zal medewerken aan het Zondagsblad van Het Volk.

Hoewel ik zelf geen kinderen heb, ben ik toch gerechtigd èn op grond van eigen oordeel èn op grond van wat ik in mijn omgeving hoorde, u mijn waardering uit te spreken voor wat u met zo beperkte middelen van de zo ondankbare rubriek ‘voor kinderen’ hebt gemaakt.

Achtend,

 

Mendels 6

[p. 41]

Waarde Tak, er woont een waarlijk menselijker partijgenoot dan gij zijt in Zaandam, weet ge het wel?

Van 10 juni heb ik ook 'n briefje van u, nadat een vrind van mij1 u gesproken had.

 

Waarde De Haan,

Ik heb door een gesprek dat ik heden met R. had, enig meerder inzicht gekregen in de wording van het boek. En terwijl ik u als medewerker aan Het Volk dadelijk en beslist heb moeten afstoten, doe ik dat persoonlijk niet, voor het geval dat gij in deze voor u moeilijke dagen eens mocht willen spreken met iemand die wat ouder is, en die het leven kent voor welks moeilijkheden gij maar zwak en ongewapend staat.

M. gr.

 

Tak

 

Ge weet het, ik kwam niet, ik wenste met uw levenskennis geen kennis te maken. Maar ik wees u, en dat doe ik hier nog eens, op deze zin:

 

Ik heb door een gesprek met R. enig meerder inzicht gekregen in de wording van dat boek.

 

Het was wenselijker en menselijker geweest, zo ge eerst voor inzicht hadt gezorgd, en daarna hadt gedaan. Wen ge eens met de redacteur van het Zondagsblad2 hadt gesproken. Die kende mij tamelijk wel, en gij kende mij nauwelijks van aanzien en stem, wijl ik thuis mijn deel bewerkte en zeldzaam3 op uw bureau verscheen. Maar gij, die zo voor schoolvergadering en on-

[p. 42]

derwijzersmacht spreekt1, gij beheerst over uw mede-redacteuren als een bovenmeester over een stel kwekelingen. Gij preekt wel fris en puur water, maar gij drinkt een stevig glas stoere wijn.

Eindelijk, begin augustus, moe gesard en geduiveld, zond ik u een stuk voor de krant2. Ja, toen heb ik u gesproken, twee maal, en wat was ik blij met uw diep doorzicht, wijl ik zo hoopte, dat iemand, die zó beter wist, zich wel uit prullige politiekse vreesjes onttissen3 zou. Maar gij hebt de, voor uw inzicht passende daden, versmaad.

Dit schreef ik in overleg met u, wat hieronder volgt, en volgt ook uw onderschrift:

Mijn verantwoording aan de SDAP

Nu dan wèl na lange tijd, wil ik nòg mijn verantwoording geven aan de sdap. Omdat toch wel de lezers van Het Volk en de leden van de partij mogen weten, waarom mijn medewerking aan ons blad zó plotseling geheel ophield en waarom ik uit de partij ben gegaan. Ik had gehoopt, dat de tijd alles wel tot kalme klaarheid en vriendelijke waarheid zou brengen, maar daarop schijnt ten enenmale geen kans te bestaan. Ik zal de feiten precies geven zoals ik ze weet, de redactie zal misschien iets aan te vullen of te verbeteren hebben, maar dan hoop ik ook, dat 't uit is met al 't hatelijke praten achter ons om.

Ik schreef een boek Pijpelijntjes en behandelde daarin afwijkende sentimenten, waarover in Holland héél weinig nog maar geschreven was.

Tak vond, dat de schrijver van zo'n boek niet langer de kin-

[p. 43]

derkrant van Het Volk kon schrijven; zodra hij het boek gelezen had liet hij mijn medewerking eindigen, en mijn gezette kopij zelfs vernietigen.

Mededeling daarvan werd gedaan per volgend bericht: ‘Wij delen mede, dat de heer Jacob de Haan niet meer aan ons Zondagsblad zal meewerken’.

De hatelijke toon van dit bijtende, bitse berichtje heeft mij zeer gegriefd, en trouwens in en buiten de partij (Het Centrum b.v.) de aandacht getrokken evenals ‘de heer’ d.H. Voor mij betekende het tenminste een moreel royement van de kant van een groep personen, die ik zozeer waardeer als ik de redactie van Het Volk doe. Ik nam ontslag als lid van de partij. Op de kwestie zelf wenste ik niet terug te komen, om geen nodeloze onrust te maken. Het boek werd zoals 't dáár lei ingetrokken, zoveel mogelijk werden de verspreide exemplaren opgekocht.

Toen begon 't hatelijkste gekal, dat ik ooit van sociaal-democraten gehoord heb. Men maakte van mijn boek een schandaal en van mij een schunnige schenner, die te mijden ieders plicht was. Een algemene uitnodiging om mij te verachten volgde.

Toen dan de Belgen in Amsterdam kwamen1 vond ik het maar geraden, Roukema2 te schrijven, of ze bij mij ook kwamen logeren. De brief, die R. mij toen schreef vertegenwoordigt ongeveer alle vriendelijkheid, die ik van de sdap ondervonden heb, en is meteen toch ook 'n kostelijk staaltje van kletsende putluttigheid. Hier is ze:

‘Het spijt me, dat ik op je brief een teleurstellend antwoord moet geven, het spijt me meer dan dubbel, omdat ik gevoel hoe hard je deze teleurstelling moet zijn. Ons zijn niets bekend dan

[p. 44]

geruchten, die hier in deze, daar in andere vormen de rondte doen. Naar die geruchten oordelen d.i. veroordelen wij dus niet. Onze weigering houdt dan ook volstrekt geen veroordeling in. Ook onze persoonlijke gevoelens moeten wij geheel ter zijde zetten, en als bestuurders hebben wij tactisch moeten zijn. Om onszelf voor gegronde en ongegronde (dat staat 'r, d.H.) kritiek te vrijwaren, moeten wij je helaas teleurstellen.’

Mijn huis werd dus besmet verklaard. En ik zweeg nog, ik wilde nog deze persoonlijke zaak niet publiek maken, hoewel deze brief mij vreselijk deerde, om de geest die er uit sprak. Dàt waren dan sociaaldemocraten toch wel op a.p.1, die zich stoorden aan geruchten en zich wilden vrijwaren voor ongegronde kritiek.

Toen is de druppel gekomen, die de emmer heeft laten overlopen.

Mijn boek zou wéér verschijnen, onaangetast in zijn essence gebleven, ontdaan van wat buitenstaanders hinderen kon en met de duidelijke indices erop, dat ik niet gehouden wenste te worden voor de hoofdpersoon2. Hoe ik dàn vind, dat wij te-

[p. 45]

genover dergelijks levende lui te doen hebben, laat ik buiten beprating hier.

Ik maakte de kopij gereed en verzocht de uitgever een annonce in Het Volk te plaatsen. Die annonce is geweigerd. Waarom? Ik weet 't niet, maar Ankersmit1 zei me, dat hij geloofde, omdat men aan de administratie dacht, dat de uitgever tegen mijn zin, de uitgave doorzette.

Ik vond dat nogal nuchtertjes, maar enfin. Men wist nu beter. 'n Nieuwe annonce werd aangeboden, en weer geweigerd. De directeur van Het Volk was met vakantie, maar had de boodschap achtergelaten, dat advertenties betreffende Pijpelijntjes moesten geweigerd worden. Omtrent die weigering doen ‘geruchten hier in deze, daar in die vorm de rondte’. Om daar nu maar meteen 'n eind aan te maken, verzoek ik de heer Barents vriendelijk de gedachtengang weer te willen geven, die hem tot deze weigering heeft gebracht.

Men wenst toch geen censuur in de partij?

Dit zijn de feiten. Er is nog wel wat meer, watje zou doen zeggen ‘there is something rotten’ in de sdap. Maar dit is 't voornaamste.

Ik wens van mijn apologie geen apocalyps te maken, anders zou ik eens zeggen, hoe een van de litteratoren, die ook in onze kringen zeer gewaardeerd wordt2, over mijn boek denkt.

Misschien zouden dan de praat-maar-raak-lieden, die 't boek geheel niet of slechts vluchtig lazen, 'n beetje liefderijker en 'n beetje bescheidener willen oordelen.

Ik heb ruim gebruik gemaakt van de ruimte in de krant, dat weet ik wel, de redactie zal dat misschien willen toelaten. Het is allicht de moeite waard uit te maken of in deze zaak wel recht is gedaan en of een artist zó behandeld moet worden, om een zuiver litterair boek, dat hij schreef.

[p. 46]

Ten slotte wens ik nog eens te verklaren, dat ik van Tak persoonlijk geen verdrietelijkheden leed, omdat ik te onderscheiden wens tussen de hoofdredacteur van Het Volk en tussen P.L. Tak.

Met beste groet aan allen.

 

Jacob de Haan

 

Het is waar dat ik persoonlijk getracht heb deze jonge man goede raad te geven (die hij niet volgde), maar dat ik als redacteur onverbiddelijk was. Hij heeft een boek geschreven, waarin de stof van... afwijkende geslachtsdriften literair is verwerkt1. Het boek is geschreven in de eerste persoon en op enkele plaatsen zeer realistisch van voorstelling. De schrijver, voor wiens artistiek bewustzijn zulke tonelen plastische werkelijkheid zijn geworden, die ze eerst voor zich doet leven en ze later in bijzonderheden naar zijn beste vermogen beschrijft, leeft in stemmingen, die voor mij het tot een gebiedende noodzakelijkheid maakten dadelijk een eind te maken aan zijn medewerking aan onze kinderrubriek. Ik deed dit onmiddellijk zo beslist, dat de reeds gezette kopij niet werd gebruikt. Ik sneed, om met Wilhelm te spreken, het tafellaken tussen de heer De Haan en de kinderrubriek door2. En ik deed dit in een berichtje, waarvan de toon aanduidde dat er een verwijdering was tussen ons partijblad en zijn vroegere medewerker. Want ik heb het deze zeer euvel geduid, dat hij niet vóór het verschijnen van zijn boek vrijwillig zijn taak heeft opgegeven, of mij althans niet de vraag heeft gesteld, of ik zijn schrijven van dit boek met het maken van de kinderrubriek al of niet verenigbaar achtte. Hij legde mij het boek voor, kant en klaar, toen het al een handelsartikel was. Daarom heeft de heer De Haan geen enkele reden voor beklag; integendeel behoorde hij aan de redactie zijn veront-

[p. 47]

schuldiging aan te bieden, wat hij totnogtoe verzuimde.

En het boek zelf, dat nu weer gaat verschijnen, nadat eerst de exemplaren zijn teruggekocht? Nu ik uit de verzekering van de heer De Haan weet, dat de in het boek sprekende persoon niet hij is, en het boek dus niet in die mate als de eerste editie wilde doen geloven, op directe waarneming berust, schijnt het mij toe het produkt te zijn van een kranke fantazie, onvoorzichtig-lijk en onverantwoordelijk door anderen bij een ontvankelijke jongen opgewekt. Wij ontraden de lezing dan ook ten stelligste. De door de heer De Haan tot een verhaal bewerkte vraagstukken worden door erstige wetenschappelijke mannen onderzocht. Hun resultaten kunnen ons leiden tot billijkheid jegens afwijkende individuen en tot behoedzaamheid voor hen die wij te beschermen hebben. Zij zijn dus de moeite van het kennisnemen ten volle waardig. Maar in het literaire fantaziepakje van dit boek moet de kennisneming verwarrend en beslist schadelijk werken.

 

P.L.T.

 

Bij mijn eigen stuk heb ik niets meer te voegen. De brief van de secretaris der federatie Amsterdam met die voze vrees voor ongegronde kritiek spreekt boekdelen. Naar aanleiding van uw stukje schreef ik enige regelen terug. En die hebt gij geweigerd1, waarna ik mij op de commissie voor arbitrage inzake geschillen tussen de redactie en inzenders beriep. Maar er was meer gebeurd.

Partijgenoot Barents weigerde beslist advertenties voor Pijpelijntjes te plaatsen, omdat hij meende, dat de uitgever het boek tegen mijn wil uitgeven bleef, en omdat het boek in zijn litterair

[p. 48]

enz.1. Ik protesteer wéér, de heer Van Cleef protesteert tegen die slechte verdenkingen aan zijn adres. Gij weigert beide stukjes2. Partijbelang. Maar ik moet u zeggen, dat gij er zeer onfijne manieren op na-houdt ten gebruike op de Geldersekade3, maar voor particulier gebruik hebt ge ze fraai en voornaam genoeg.

Over uw onderschriftje wil ik slechts zeggen, dat het geheel strijdig is, met wat wij die avend hebben besproken over zedelijkheid in en uit litteratuur. Doch, waarde Tak, dit is nu eenmaal een gewoonte van u, met twee monden te praten. Ge moet zelf maar weten, hoe ge dat voor u-zelf verantwoordt. Ik zal nog wel eens meer op uw eigenaardige rechtvaardigheid wijzen. Wen de heer Mr. Sybrandy4 dit gedaan had, zoudt gij hem zeker als leugenaar te schande stellen. Op de advertentie kom ik nog wel eens terug. Naar aanleiding van mijn stuk kreegt gij enige stukken toegezonden, die ge alle hebt geweigerd. Waarom? Omdat ge anders geen debat wenst toe te laten? O, jawel. Maar gij hadt tegen een onzer partijgenoten gezegd: ‘de zaak De Haan is afgedaan’. Juist, democraat, zoveelmalen vertegenwoordiger der democratische arbeiderspartij in Nederland, dat is het brekende kenmoment in deze hele zaak van ellende. Gij hadt gezegd: ‘'t is uit’ en nu moest 't uit zijn, al zou alles ook ver-

[p. 49]

buigen en verbarsten. Doch, P.L. Tak, van een der geweigerde stukken (uit Zutfen) heb ik afschrift. Schaamt gij u niet na wat ge mij hebt aangedaan dit verweer te mijnen bate, te weigeren? Voelt ge dan niet, dat deze ondragelijke verdrukking ten leste in een bui uitbreken moet, zoals ik nu, na een jaar uitbreek? Weet ge nog wel, wat er geschreven is over het ontslag van een dienstbode in Den Haag1? Maar over mijn ontslag zou men moeten zwijgen omdat gij hier de tiran zijt geweest. Hier is het stuk uit Zutfen, herkent ge het?

De zaak de Haan

Ik geloof, dat de Haan ongelijk heeft, wanneer hij spreekt over de vriendelijkheid die hij van de sdap heeft ondervonden en zich beklaagt over de Partij. Wie hem onaangenaam en (wanneer juist is wat er in zijn ingezonden stuk staat over die algemene uitnodiging om hem te verachten enz. - en ik zie geen reden daaraan te twijfelen) zéér dwaas behandeld hebben, zijn een aantal (in de eerste plaats Amsterdamse) partijgenoten. Ook doet hij verkeerd te denken, dat de Partij censuur wil indien de directeur van ons partijorgaan op onvoldoende gronden een advertentie over een boek geweigerd heeft en te geloven daarom dat er iets als bederf in haar moet zijn. Evenmin was de aankondiging van de H.'s ontslag door de Hoofd Redacteur in de bekende vorm gegeven een daad van de Partij. En het was wijzer geweest, wanneer de H. niet daarom uit de partij gegaan was. Er kon daarvoor maar één afdoende reden zijn, en dat is, wanneer hij zich geen sociaal-democraat meer gevoeld had; een

[p. 50]

goed partijgenoot heeft nooit het recht om een persoonlijke reden de partij te verlaten; en ik hoop, dat de H. in zal zien, dat deze zaak een (wel voor hem zeer onaangename, maar in de grond) persoonlijke zaak is, en dat als hij dit heeft ingezien hij bij ons terugkomen zal, maar te begrijpen is het wel, dat hij z'n ontslag nam. Toen Het Volk over ‘de heer’ de H. schreef, wist het zeer goed, dat men zo niet schrijft over een partijgenoot. Het, te voorziene gevolg was, dat ieder, die het berichtje las, dacht dat de H. op dat ogenblik geen partijgenoot meer was, en dat er daarom zo over hem geschreven werd, maar niet omgekeerd. Ik zal niet zeggen, dat de bedoeling was de H. tot uittreden te dwingen, maar het was toch voor het minst aanwijzen, dat hij dit behoorde te doen. Inderdaad dus een ‘moreel royement’. En de redactie mist het recht partijleden moreel of hoe ook te royeren. (Dat de Partij iemand royeren zou om het schrijven van een boek zover dat niet met het program in strijd komt, is ondenkbaar.) Tak zegt, dat de toon van het berichtje bedoelde aanduiding van de verwijdering ontstaan tussen ons partijblad en zijn vroegere medewerker. Maar die aanduiding had, geloof ik, duidelijker en ondubbelzinniger gekund, en was bovendien zonder zin wanneer er niet voldoende inlichtingen bij gegeven werden om de partij in staat te stellen tot oordeel bij wie de schuld was.

Over de zaak zelf: Tak meent na lezing van Pijpelijntjes dat de persoonlijke omgang die door de kinderrubriek tussen de H. en de kinderen bestond, direct gevaarlijk voor dezen zou kunnen zijn. (Het is beter dit voluit te zeggen want we weten allemaal toch wel waar het op staat: T.'s bedoeling kan niet zijn, dat de stemmingen waarin hij nu wist, dat de H. leefde zijn schrijven in het Zondagsblad, of de geestelijke invloed van z'n omgang, gevaarlijk maken moesten, want dan had dat toch in al die tijd, dat hij al meewerkte bemerkt moeten zijn.) Over dat oordeel zelf zou men het met hem oneens kunnen wezen,

[p. 51]

maar voor eigen mening de H. persoonlijk moeten kennen en zijn boek gelezen hebben, en dat heb ik niet. Ook zou de mogelijkheid hebben bestaan, dat Tak niet zelf zulke dingen van de H. geloofde, maar meende dat de ouders dit zouden denken en hij daardoor als kinderredacteur onmogelijk was. Maar als daardoor zijn aftreden onvermijdelijk werd, zou het ontslag beter op een kalme wijze gegeven zijn, en van Tak was die grotere bezadigdheid zeker te verwachten geweest. T. moet de mensen slecht gekend hebben om het natuurlijk gevolg van de behandeling zó (de plotselingheid, de absoluut onnodige vernietiging van de lopende kopij, de vorm van het berichtje) niet te voorzien: hoe er n.l. toen de inhoud van Pijpelijntjes door gerucht bekend was, werd verteld, dat de dingen die Tak mogelijk achtte en wilde voorkomen gebeurd waren. Zo is de redactie van Het Volk zelf oorzaak geweest van het afschuwelijk geklets onder partijgenoten en anderen, dat voor de H. onverdiend, allerellendigst moet zijn geweest en bovendien giftig koorn op de molen van onze tegenstanders (van het meel kunnen we nog plezier hebben). Ook het weigeren van de bewuste advertentie lijkt me bedenkelijk; wanneer we niet werkelijk een censuur willen krijgen, zullen er geen boekadvertenties geweigerd kunnen worden, dan voor die werken welke zonder twijfel pornografie zijn. En niemand heeft beweerd, dat de bedoeling van dit boek vuil schandaal zou zijn. Taks oordeel over de waarde van het boek-als-zodanig doet tot de zaak niet af, en zou misschien achterwege gebleven zijn, als de H. zelf niet van die waarde had gesproken. Maar nu T. toch heeft geoordeeld moet ik zeggen, dat zijn methode van kunstkritiek mij volstrekt onaannemelijk lijkt. Voor hem was het boek eerst overtuigingsstuk bij zijn oordeel over het persoonlijk leven van de schrijver (opmerking over ‘directe waarneming’) en toen bij dat over diens psychische gesteldheid, en hij vraagt wel naar de mogelijke betekenis ervan als popularisering van min of meer weten-

[p. 52]

schappelijke kwesties, maar de vraag, die daarbuiten en daarvoor gaat: of het boek goed is of niet als kunst, die ziet hij niet. Ik hoop, dat over die waarde de artist op wie de H. heeft gedoeld nog het zijne zeggen zal.

Alleen in boosheid wel zal Tak ontraden hebben het boek te lezen - als die methode (in plaats van de Volklezers kritisch in te lichten en dan, als vrije mensen betaamt, zelf te laten beslissen wat ze nu doen willen) ingang vond, zouden we spoedig niet zozeer aan een partijcensuur als wel aan een partij-index toe zijn.

 

Waarde Tak, dat stuk hebt ge geweigerd, het was dan ook regel voor regel tegen uw verhanselen1 van recht en rede in. Daarna heeft de schrijver u nog een brief doen toekomen, waarin hij zich bitter over uw ondemocratisch optreden beklaagde. Ge weet het wel, en als ge die brief verloren zijt, wil ik u er nog wel een afschrift van verzorgen. Ge weet het wel, wat die partijgenoot schreef over het moeilijke om zo'n zaak bij de arbitragecommissie aanhangig te maken, of op het congres te brengen.

Ge weet het wel, dat hij u dit schreef:

 

Want wat ons het meest gegriefd heeft is niet het feit, dat de Haan onverdiend onrecht is aangedaan, maar nog meer, dat hun, die daarvan overtuigd waren, niet is toegestaan even openlijk daarvan blijk te geven, als de beschuldiging is geuit.

 

Juist, democratische Tak. In uw politieke konkelkraam kwam het te pas naar buiten de indruk te geven, dat de hele partij in uw onhebbelijk optreden tegen mij, u steunde. Daarom hebt ge al de stukken, die tegen u geschreven zijn geweigerd. Gij hebt al de tegensprekers het zwijgen opgelegd. Maar mijn openschreiende mond zult ge met uw harde hand niet dicht kunnen slaan, ja, gij slaat ruw en raak. Ik weet het wel.

[p. 53]

Een wonderlijke sociaal-democraat zijt ge toch. Gij eist discipline van de kleine partijgenoten en zelf vermaakt en verbreekt ge de partijinstellingen naar uw wil.

Gij hebt medelijden met de lieden, die door de Zwolse Mr. Van Diggelen1 moeten worden gerecht, die zelf niet-eerlijk bleek te zijn. En gij zelf zit in het p.b., geeft over alles bericht en raad. Zeg-mij, zijt gij eerlijk?

Gij schelt2 en schettert t' allen-dage tegen de heer Sybrandy, en zeg eens oprecht, waarde Tak, hebt gij u-zelf in deze hele zaak aleens eenmaal op een waarheid betrapt? Gij knoeit en knijpt de kat in 't donker, en overdag zijt gij bestuurder van de dierenbeschermerij. Is dat te dulden?

Gij spreekt te elken dage discipline, en doet tegen een ieder tirannie. Is dat te dulden?

Wie is de schuldige, gij, die zó de partij naar uw harde hand dwingt, of ben ik 't, die uw geweld nu wil te weer gaan? De schuldige van dit alles zijt gij, P.L. Tak.

1Het Volk van zaterdag 11 juni 1904 (op 10 juni verschenen; de kranten werden in die tijd één dag gepostdateerd) meldt: ‘Het Zondagsblad krijgen ook die abonnees, die het anders Vrijdag ontvangen, eerst morgen’
2Het eerste met Jacob de Haan ondertekende verhaal stond in Het Zondagsblad van 19 april 1903; de eerste kinderrubriek verscheen op 26 april van dat jaar
110 juni 1904
2In de krant stond: ‘de heer Jacob de Haan’
3Het katholieke dagblad Het Centrum schreef op 11 juni 1904: ‘Wanneer er stond, Jacob de Haan zonder meer, zou men kunnen aannemen, dat het afscheid in “païs en vreê” had plaats gehad. Nu er echter staat: “de heer Jacob de Haan”, krijgt de zaak een bedenkelijk aanzien!’
4Afmaken: overnemen, overschrijven
5Waarde Partijgenoot
6Mr M. Mendels was tot 1902 redacteur buitenland van Het Volk, daarna bezoldigd propagandist van de sdap in Zaandam, in 1905 lid van het p.b.
1Gerard Ras (geboren 1880), student Duits aan de Universiteit van Amsterdam en partijlid; was in 1907 getuige bij De Haans huwelijk
2W.J. Vliegen, een van de oprichters van de sdap, de zogenaamde ‘twaalf apostelen’
3Zelden
1Er speelde in die tijd de kwestie van de bevoegdheden van hoofdonderwijzer en zijn hulponderwijzers. Hun onderling overleg, de schoolvergadering, was kort tevoren verplicht gesteld
2Het stuk verscheen op 9 augustus 1904
3Ontwarren

1Op 11 en 12 juli 1904 bracht een honderdtal Gentse socialisten een bezoek aan de Amsterdamse kameraden. Zij werden op het Centraal Station welkom geheten door Wijnkoop en toegesproken door Troelstra
2A. Roukema, secretaris van de federatie Amsterdam van de sdap van 1903 tot 1905
1Amsterdams Peil; kennelijk negatief bedoeld
2Het boek kreeg er een ondertitel bij: ‘(Het leven van Cor Koning en Felix Deelman)’. De opdracht aan Aletrino werd vervangen door een citaat van de Romeinse dichter Catullus:
 
Pedicabo ego vos et inrumabo
 
Qui me ex versiculis meis putastis
 
Quod sunt molliculi, parum pudicum
 
Nam castum esse decet pium poetam
 
Ipsum, versiculos nihil necessum est.
In vertaling luidt dit ongeveer zo: ‘Ik zal van voren en van achteren ontucht met u plegen, gij die, omdat mijn versjes wat losbandig zijn, daarom ook mij voor weinig zedig houdt. Want het past een vroom dichter om zelf kuis te zijn, voor zijn versjes is dat geenszins noodzakelijk’. De versregels wekten de suggestie als had hier een non een boek over een bordeel geschreven
1J.F. Ankersmit, vanaf de oprichting in 1900 redacteur van Het Volk
2Lodewijk van Deyssel
1De puntjes in deze zin ontbreken in Het Volk
2De uitdrukking betekent: niets meer met iemand te maken willen hebben. De toespeling op Wilhelm (de Duitse keizer? Grimm?) is ons onduidelijk
1In de correspondentierubriek van Het Volk van 11 augustus 1904 kreeg ‘J. de H.’ te horen: ‘Over deze zaak worden geen ingezonden stukken meer opgenomen’
1De directeur van Het Volk schreef in de krant van 10 augustus 1904: ‘De annonce is om de door Ankersmit opgegeven reden geweigerd, en ook omdat het boek in zijn “fantasie-pakje” een moreel gevaar oplevert’. De woordkeus herinnert aan Tak
2Het protest van Jacq. van Cleef werd op 12 augustus 1904 wel weergegeven
3Hier bevonden zich de burelen van Het Volk
4Mr G.J. Sybrandy, propagandist van de Anti-Revolutionaire Partij, lid van de Provinciale Staten van Overijssel, fel voorstander van christelijk onderwijs, was in Het Volk beschuldigd van ‘stembusgruwelen’ en van het aanwakkeren van godsdienstige tegenstellingen in de verkiezingsstrijd (juni 1904). Tak was bijzonder gebeten op deze ‘socialistendooder’ en gaf in Het Volk voor dat er in ons land een nieuw spreekwoord was: ‘Jong, je liegt als Sybrandi!’ (31 juli 1904). Het satirisch weekblad De Ware Jacob schreef op 30 juli 1904: ‘Al is Sybrandy nog zoo snel, de “Jacob” achterhaalt hem wel’
1Mevrouw Wynaendts Francken-Dyserinck, bekend spreekster voor arbeiders-belangen en voorvechtster van de emancipatie van de vrouw, kreeg het aan de stok met de Algemene Nederlandse Dienstbodenbond, toen zij met het oog op de ‘elasticiteit’ van haar huishouding haar dienstmeisje ontsloeg (25 augustus 1904). Men vond dat een dienstbode geen ‘elastiek’ was. In Het Volk regende het ingezonden stukken. Het meisje zelf koos partij voor haar voormalige mevrouw (18 september 1904)

1Verkwanselen
1Mr P.J.G. van Diggelen, rechter van de arrondissementsrechtbank, lid van de Gemeenteraad van Zwolle en van de Provinciale Staten van Overijssel, werd beschuldigd van knoeien met stembriefjes. De liberale coalitiepartij, die Van Diggelen vertegenwoordigde, liet hem vallen
2Vgl. scheldt
prepostterug  begin  verder