terug  begin  verderprepost
[p. 54]

III

Er is nog meer, P.L. Tak, en ik wens het u ook alles hier in het openlijke te zeggen.

In mijn benauwde nood schreef ik Van Deyssel aan1. Waarom Van Deyssel juist? Wel omdat juist in die tijd alom gegeurd werd met het goede oordeel van Van Deyssel over het litteraire werk van onze overledene Henri Hartog2. En nu weet ik van toekomst niets, gelukkig is dat ook maar, wie weet wat er nog toekomend voor mij is. Doch dit wist ik zeker, dat de kameraden van de Volksonderwijzer3, mijn partijgenoten en collega's, wel eens een minne streek tegen mij uittrekken zouden. Men kent dit volk en hun Volksje al zo wat. Trouwens het blijke klaar uit deze brief, bij een andere gelegenheid geschreven door de redacteur van het Zondagsblad4.

 

Waarde vrind,

Ik kreeg eerst gisteren de Volksonderwijzer in handen. Ik vind dat stukje5 beneden kritiek en geen antwoord waard. Na 't

[p. 55]

geen gij tot antwoord schreeft, hadden de lui bij een greintje verstand, hun mond moeten houden. Ik zou maar kalm doorgaan en mij van dat geleuter niets aantrekken.

 

Ge ziet, waarde Tak, deze partijgenoten, en het zijn de strijdbaarsten en onze best ontwikkelden, worden door een uwer mederedacteuren als volgt uitgemaakt: ‘beneden kritiek’, ‘zonder greintje verstand’, ‘leuteren’. Hoe zou 't dan staan met minder ontwikkelden, die niet goed een eigen sterkstaand oordeel hebben? En dat is in de kwestie waar het hier om ging de meerderheid. Die meerderheid nu, die geen eigen oordeel kan hebben, steunt op het oordeel van de voormannen. Ziet gij nu enigszins en beter wat gij hebt gedaan, toen gij zonder evenwegende noodzaak de partijgenoten een hard oordeel over mij suggereerde? Weet gij het tot rechtvaardige schatting te gebeteren?

Van Deyssel schreef dan dit1:

 

WelEdelGeboren Heer,

In antwoord op uw schrijven van gisteren heb ik het genoegen u mede te delen, dat ik uw boek Pijpelijntjes reeds voor de ontvangst van dat schrijven geheel gelezen had met veel belangstelling.

Van het begrip, dat ik het Nieuwe Gids-begrip zal noemen, en dat twintig jaar lang ongeveer de Nederlandse letterkundige kritiek heeft beheerst, uit beschouwd, is er niet alleen geen algemene aanmerking op uw boek te maken, maar behoort het zelfs tot het voortreffelijkste wat in de laatste jaren is verschenen.

Voor mij zijt gij een zeldzaam en goed kunstenaar.

Evenwel heeft in de latere jaren mijn eigen begrip van wat een letterkundig boek behoort te zijn zich enigszins gewijzigd

[p. 56]

of aangevuld. Zo vernam ik onlangs, dat mijn roman De kleine republiek zich in de bibliotheek ener hbs1 bevond en moest dit nadrukkelijk afkeuren.

Langs die lijn doordenkend komt men er toe de publikatie van een boek ook als daad in de samenleving te beschouwen, en het dus in een publikatie minder goed te achten indien zij bevordert levenswijzen die men meent, dat niet bevorderd moeten worden. Wij zijn en blijven produkten van ons laatste cultuurhistorisch verleden en gevoelen en denken onwederstaanbaar als zodanig. Daarom heeft, al is ook van uit een andere psychische beschouwings-wijze gezien deze neiging juist het edelste wat hij in zich heeft, een mens zo als er een in uw werk is afgebeeld, iets, waarom wij zijn omgang niet zouden wensen, en daarom willen wij dergelijke neigingen bij de mensen niet bevorderd zien. De uitgave van een boek als het uwe nu, bevordert gevoelingen en gedragingen zo als die, welke er met zoveel talent in zijn beschreven.

Zo als ik zeide geef ik u toe, dat dit mijn gevoelen niet geheel thuis behoort in de Nieuwe Gids-theorieën, maar het is juist, wanneer een theorie zo in hare uiterste consequentie wordt toegepast als door uwe schetsen geschiedt, dat men er het wankele of te ver gedreven deel van gewaar wordt.

Aldus meen ik u mijn waardering van uw werk te hebben duidelijk gemaakt en ben met collegiale groet, hoogachtend, -

 

Uit een latere brief2 van Van Deyssel betreffende het boek nog dit:

 

Houd goede moed. Houd moed. U zult nog lang leven en nog andere, even kunstvolle en tegelijk andere gevoelens behelzende boeken schrijven.

[p. 57]

Dit is het oordeel van Van Deyssel over het boek, waarvoor men in Het Volk niet adverteren mag. Voor het oordeel van G.F. Haspels en Henri Borel verwijs ik naar Onze Eeuw en De Telegraaf1.

Ziet ge, P.L. Tak, ik ben geen moralist, ik wens slechts te zijn een zo goed mogelijk litterator, en een sterk student in mijn vak2. Ge moet mijn werk als litterair werk beoordelen. Trouwens gij weet dit alles heel goed. Gij hebt mij geoordeeld naar beginselen die niet alleen niet de mijne zijn, maar ook de uwe niet. Gij hebt mij uitgekreten en uitgeketterd, omdat ge vreesde, dat de tegenpartij mijn boek uitspelen zou. Schaamt ge u niet?

Zal De Bode, die zo'n ophef maakte van Van Deyssels woorden over Hartog nu inzien, dat ze mij onrechtmatig behandeld heeft3?

Zal de Volksonderwijzer onrecht bekennen?

Ik hoop het voor henzelf.

Juist, waarde Tak, de onfijnheid van de Volksonderwijzer wenst gij te weten? Dat is best. Het betrof mijn boekje Kanalje, weet ge wel, het dingetje dat bij Lankkamp in Deventer verscheen4. Daarmee hebt ge zelf ook weer iets lelijks uitgehaald. Gij hebt natuurlijk van dat boekje ook een recensie-exemplaar

[p. 58]

ontvangen. Hebt gij het besproken? Geenszins, trouwens daartoe zijt ge niet verplicht. Maar de uitgever wenste gaarne een recensie, en vroeg u er een. Antwoord: ‘'t recensie-exemplaar is weggeraakt, wilt gij een ander zenden?’. Er wordt een recensie-exemplaar herzonden. Volgt nu ook de beloofde recensie? Geenszins, die is nooit gekomen. Maar wel drukt ge zonder toestemming van de uitgever en van mij een der weinige schetsjes uit het boekje af, die ge al niet vroeger gehad hadt1. Ge moet nodig van anderer grove persmanieren spreken.

En de Volksonderwijzer? Die schreef het volgende2.

 

Kanalje door Jacob de Haan, ƒ0,50, G. Lankkamp, te Deventer

Een elftal verdienstelijke schetsen, die zich prettig laten lezen. Ze spreken ons alle van het leven en strijden der proletariërs. Het gevoelvolle ‘Van een staking’ kenden wij reeds uit Het Volk. ‘De Standaard’ en ‘Een smart’ zijn ook goed getekende tonelen uit de spoorwegstaking. ‘Na vijftig jaar’ (oude fabrieksarbeider, naar 't arremehuis verwezen) en andere, ze zijn 't lezen waard. De vermelding op het titelblad van ‘Schrijver van Pijpelijntjes’ had best achterwege kunnen blijven; die vieze herinnering is geen aanbeveling.

 

De Volksonderwijzer, waarde Tak, maakt aanmerking op de woorden ‘Schrijver van Pijpelijntjes’ op 't titelblad. Waarmee de redactie toont van litteratuur geen klaar begrip te hebben.

Maar weet ge, wat het minne is? De Volksonderwijzer had een recensie-exemplaar van Pijpelijntjes gekregen3. Ze had dit kunnen bespreken of niet. Maar een achtertrap geven aan 'n

[p. 59]

boek, dat men niet bespreekt, dat is min. Ik wenste daartegen te protesteren, maar dat werd niet toegestaan.

Precies hetzelfde gebeurt aan de Rotterdamse Voorwaarts1. En deze typische brief kreeg ik.

 

Mijnheer,

Na een bespreking met mijn mede-redacteuren is aan mij overgelaten met uw ingezonden stuk te handelen naar goedvinden. Dienovereenkomstig bericht ik u, dat ik het weiger te plaatsen, omdat het mij niet wel mogelijk is in een blad als Voorwaarts iets te schrijven over Pijpelijntjes en als ik uw stuk plaats moet ik er wat van schrijven. Ik acht Pijpelijntjes niet wel bespreekbaar in Voorwaarts, niet zozeer om de tonelen die erin worden beschreven dan wel omdat het m.i. een opwekking bevat tot het plegen van sodemieterij en ik ben niet modern genoeg om in sodemieterij iets anders dan tegennatuurlijke daden te zien. Ik acht uw werk van onberekenbare schade voor de propaganda van onze beginselen en wel omdat u terwijl u dat toch schreef redacteur was van onze kinderrubriek in Het Volk. Een Mr Sybrandy of een Mr Diepenhorst2 kan ons met succes met dit geval bestrijden en ik moet hun volgens mijn eigen overtuiging gelijk geven.

Gij kunt u nu wel als een martelaar voordoen en mij beschouwen als iemand die zetmeier is in een Volksdepot van de Geldersekade enz.... ik zal datgene doen en blijven doen wat ik in het belang acht van de beginselen, die ik dien. Opzettelijk onrechtvaardig betoon ik mij tegenover niemand en ik acht u niet ge-

[p. 60]

wichtig genoeg om tot uitzonderingsmaatregelen over te gaan. Ik heb zonder vooringenomenheid tegen de schrijver het werkje Kanalje beoordeeld. Stond er niets bij vermeld, ik zou waarachtig Pijpelijntjes er niet bijgehaald hebben. Op seksueel gebied sta ik boven de gewone fatsoensbegrippen, ik meen dat in De spiegel der waarheid1 bewezen te hebben, maar elke ketter heeft zijn letter, en mijn letter is, dat man en vrouw voor elkander zijn geschapen of op andere wijze daargesteld; al wat daarbuiten gaat wekt mijn afschuw en walging op, en ik wil desverlangd daarover wel spreken en schrijven maar niet in een kring of in een blad waarvan de leden of lezers mede worden gevonden onder zeer jonge mensen. 't Is best mogelijk dat u geleden hebt aan een ziekte die u het walgelijke van man-mannenliefde niet heeft doen inzien, en dat u thans daarvan genezen bent, maar eerst dan zou ik over die dingen mij kunnen heenzetten als u had willen volhouden bij de intrekking van Pijpelijntjes.

 

L.M. Hermans 2

 

Dit is wat ik een niet geheel-geoorloofd schrijven wens te noemen. En nu weet ik wel, dat partijgenoot Hermans niet een der meest ontwikkelden onder de Nederlandse arbeiders is. Doch gij hadt kunnen weten hoe gevaarlijk het is, de onbeheerste hartstochten van zulke lieden op te wekken. Gij zijt moreel voor deze brief verantwoordelijk, zonder twijfel. En de grote majoriteit wordt maar al te licht be-Hermanst. En dat zulk ge-Hermans voor de moraliteit in de partij even erg is als sybrandysatie voor anderen, dat zult ge zeker met mij eens zijn.

[p. 61]

Trouwens, waarin ge van Hermans verschilt, en dat is gelukkig in heel veel, in vreze der Heren van de overzijde1 staat ge gelijk. Is de vreze dier Heren dan het beginsel onzer wijsheid2? Schaam u voor zo'n voorzichtige vrees. Hebt gij ooit grote en goede daden gezien uit vrees en volgzaamheid geboren?

Neen, er is geen recht in de sdap. En ik kom nog eens op de advertentie-weigering van de directeur van Het Volk. Ja, maar op uw aanstichten. Geweigerd werd Pijpelijntjes. Censeer3 in de sdap niet, maar als ge het doet, doe het dan niet verregaande dom. Of ik hier nog eens uw onrechtvaardige domheden en uw domme onrechtvaardigheden wens op te halen? Merci. Alleen dit:

Er is een Amsterdams uitgever (ik meen partijgenoot) D. Buys. Die waarlijk zeer goede werken in zijn fonds heeft, ik denk hier aan het werk van Steynen4 en Van der Meer5. Maar dezelfde Buys geeft onder de naam A. van Klaveren allerlei onfraais uit6. Dat onder couvert verzonden wordt enz. En zo kan

[p. 62]

men in Het Volk geadverteerd zien: Misdadige liefde, Het dierlijke in de vrouw enz., altemaal werken waarvoor de uitgever zich blijkbaar zelf schaamt, want hij loost ze onder pseudoniem. Hoewel ik op deze verregaande onbillijkheid reeds herhaaldelijk wees, is het mij niet mogelijk geweest er iets aan te veranderen. Natuurlijk zien redactie en administratie zelf wel, dat ze tiranniek en onbillijk zijn, doch toegeven zou breken van hun koppige trots zijn.

Trouwens, er is nog een andere reden. En die wordt heel goed weergegeven door een Rotterdams partijgenoot1, die ‘om lichtbegrijpelijke redenen’ zijn naam niet noemt. Het is alweer de vrees voor de buitenwacht.

 

En wat de advertentie betreft - eenmaal het boek onzedelijk achtend, mocht de redactie niet anders handelen, met het oog op het gevaar, dat de partij solidair zou beschouwd worden met de afkeurenswaardige daad van een harer leden.

 

Dat is de hele zaak. Vrees voor wat men zeggen zal. En gij, P.L. Tak, zijt daarvan de schuldige. En zou ik nu moeten zwijgen, om de wille van wat gij partijbelang gelieft te noemen? Uw burenvrees is mij dan toch ten slotte wel al te machtig. Ziet ge, P.L. Tak, als ge nu kalm en bedaard uit utiliteitsgronden mij gelegenheid hadt gegeven mij terug te trekken, dan was dat nog wat anders geweest. Maar gij hebt gedaan alsof partijbeginselen mijn verwijdering geboden, en alsof gij er de partij een grote dienst mee hebt gedaan, mij op de aldermeest ondankbare en

[p. 63]

onhebbelijke wijze te ontslaan. En juist hebt gij hiermee een partij-princiep geschonden. Ik heb u dat herhaaldelijk voorgehouden. Ik heb u gevraagd, waarom gij mijn medewerking aan Het Volk moest afbreken, als gevaarlijk voor de kinderen, terwijl ge het christelijke ouders kwalijk neemt, dat ze voor hun kinderen geen sociaal-democraten als onderwijzers willen. Was mijn schrijven voor de kinderen op seksueel gebied minder neutraal dan b.v. het geschiedenis-onderwijs van een socialist, in een hoogste leerjaar. Als ge daar een eerlijk antwoord op hadt moeten geven, hadt ge moeten zeggen, dat mijn ontslag volkomen ongemotiveerd was. Hoogstens hadt ge zoals ik zei, utiliteits-gronden kunnen bijbrengen. En als ik u eens gevraagd had, waarom er dan ineens ook zo'n verwijdering moest ontstaan? Nietwaar, uw redactie en ik hebben geruime tijd vredig en vriendschappelijk opgewerkt1? Het is de boze vrees weer, P.L. Tak, die u zo verdomd heeft. Vrees nu is vooral in een man als gij een slechte raadgeefster.

Dezelfde vraag echter, die ik stelde, stelde de heer H. Bijleveld2 u in de Tweede Kamer op 24 maart j.l. Ziet hier woordelijk, wat hij zeide:

 

Maar bij de heren van de overzijde is de natuur sterker dan de leer. Wat is er gebeurd met de heer Haan, mederedacteur van Het Volk voor de kinder-rubriek van het Zondagsblad. Deze heer De Haan schreef naar de mening van de redactie goed voor die kinderen. Maar ziet, hij schrijft een boek, waaruit blijkt, dat zijn denkbeelden over seksuele moraal naar de mening van de redactie hem ongeschikt maken om verder voor die kinderen te schrijven. ‘Maar dat doe ik toch niet voor de kinderen,’ zegt de H., ‘voor hen ben en blijf ik toch neutraal.’ Alles best mogelijk zegt de redactie, maar iemand, die zo'n boek schrijft, is onge-

[p. 64]

schikt om voor onze kinderen in het Zondagsblad te werken. En hij moet er uit. Volgens de redactie van Het Volk kan zo iemand niet neutraal zijn en moge hij het ook menen, zij offert er haar kinderen en die van haar lezers niet aan op. Precies zo redeneren nu ook die ouders over de sociaal-democratische onderwijzers.

 

De heer Bijleveld, die hier een beginsel-kwestie stelde, hield de zaak zuiver en stelde de kwestie goed. Hij had ontwijfelbaar gelijk. Uw enige motief was waarlijk dat van de natuur, die sterker is dan de leer. Woordelijk zei Schaper1 daarna als volgt:

 

De heer Bijleveld heeft gesproken en daarin was hij niet bepaald onhandig over de heer Jacob de Haan, die als redacteur van de kinderrubriek van Het Volk verwijderd was, omdat hij zeker boek had geschreven.

Gevoelt de heer Bijleveld niet, dat het onbillijk is het aanhangen der socialistische idee te vergelijken met het schrijven van een allerafschuwelijkst boek, waarin in romantische vorm de tegennatuurlijke ontucht wordt beschreven? Zijn dat zaken die gelijk staan? Kan de heer B. geen verschil vinden tussen het een en het ander? Bij nader inzien zal de heer B. bemerken, dat deze zaken niet te vergelijken zijn. Dat geval van De Haan staat meer in verband met de kwestie der onzedelijkheid.

Ik wil nog niet beweren, dat het schrijven van het boek onzedelijk is, maar het komt meer op het gebied van de kwestie of men een onderwijzer, die buiten de school onzedelijkheid heeft gepleegd, mag toelaten. Het ene dekt niet het andere, maar in die richting gaat het toch. Dit heeft niets te maken met de kwestie of men een socialist of anarchist, ook al is hij onderwijzer, het recht mag geven om propaganda te maken op politiek gebied buiten de school.

[p. 65]

Voelt ge Schapers onvastheid wel? 't Is ook niet alles voor een eerlijk man uw optreden te verdedigen. Toegeven, dat gij het neutraliteits-principe hebt geschonden mag hij natuurlijk niet, want dan had de heer Bijleveld gelijk, en dat hebben tegenstanders nu eenmaal niet. Zeggen, dat ik een min en immoreel leven leid mag hij ook niet, want dat weet gij en ook Schaper wel beter. Ge weet heel goed, dat ik zuiniger leef dan iemand uwer, dat ik niemaals uit mijn werk wegga1.

Wilden, mijn waarde partijgenoot, nemen hun gewonde makkers van het verslagen veld nog mee, al maken ze daardoor hun eigen vluchtkans minder.

Gij echter, die een beschaafd man wilt zijn, laat mij, die uw makker was in de strijd, niet alleen in de steek, neen, gij zijt het, die mij bij voorbaat zwaar-gewond uit de rijen weg hebt gesmeten, alleen uit vrees voor mogelijk razen van de vijand in de toekomst. Het is zeer nobel van u.

Ja, ik kende u niet persoonlijk, maar ik had goede gedachten van u. Maar ge zijt me zo treurig tegengevallen. Gij zijt zo politiek en zo bang voor uw tegenstanders. En bovenal, ge doet zo immoreel. Ge hebt dag aan dag praat over de heer Sybrandy, en zelf handelt ge aldoor tegen uw eigen woorden. Is dat niet even erg als liegen? Verklaart onze partij zich solidair met u? Ik heb herhaaldelijk geprobeerd op uw beterschap te werken, doch gij hebt mij behandeld als een hond, die blaft voor uw bureau.

Herinner u:

Toen Het Volk zo'n leven maakte over het klerikale postwetje2, toen heb ik gevraagd, wat toch het verschil mocht zijn tus-

[p. 66]

sen een censerende postdirecteur en tussen een censerende administrateur van Het Volk; daarop is nooit geantwoord en het stukje werd niet geplaatst.

Herinner u:

Toen de heer Tutein Nolthenius tegen de tentoonstelling van Kunst aan het Volk opkwam, en gij, P.L. Tak, over zo'n censerende domper in de Raad drukte hadt, in het gastvrije Handelsblad drukte hadt1, toen heb ik gevraagd het verschil te mogen weten tussen censuur van de heer Tutein Nolthenius en censuur van P.L. Tak. Daarop is nooit antwoord gekomen en het stukje werd niet geplaatst.

Herinner u:

[p. 67]

Toen de weigeringen kwamen van Allerzielen op te voeren2, en Het Volk daar zo'n hoog woord over had, heb ik gevraagd het verschil te mogen weten tussen censuur van een dorpersburgemeester en van P.L. Tak? Hierop is enz. En het stukje is enz.

Zeker hebt ge het formele recht tot weigeren, met beroep op de arbitrage-commissie, maar hebt ge dan nooit van billijke eerlijkheid gehoord?

Ik weet wel, dat ik later, maanden later, toch in ons blad over dit alles heb geschreven. Zeker, gij moest het toelaten, noodgedwongen. Maar gij hebt persoonlijke schelderijen tegen mij toegestaan van anonieme mannegies, en vooral van de steeds zeer persoonlijke L.M. Hermans. Had gij daartoe recht?

115 juni 1904
2Van partijlid Henri Hartog, overleden 25 februari 1904, verscheen in 1904 postuum Sjofelen, met een ‘Woord vooraf’ van Lodewijk van Deyssel
3‘Orgaan van de Sociaal Democratische Onderwijzers Vereeniging’
4Vliegen
5In de correspondentierubriek van De Volksonderwijzer van 26 november 1904 stond: ‘Wij gaven geen recensie van Pijpelijntjes en wenschen dit ook niet te doen. We constateerden alleen, dat de vieze herinnering aan dit boek geen aanbeveling was en achterwege had kunnen blijven op het titelblad van Kanalje. Meer wenschen wij er niet van te zeggen’
116 juni 1904
1De Rijks hbs te Amersfoort (H.G.M. Prick, De Adriaantjes, p. 529)
2Niet bewaard gebleven
1De recensie van Borel hebben we niet kunnen vinden
2Men kan denken aan De Haans rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam (waar hij overigens op 22 mei 1905 voor zijn kandidaats gezakt was). Waarschijnlijker is dat hij het schrijven als een vak, een wetenschap voorstelt. In zijn stukje ‘Censuur’ wordt honend opgemerkt, ‘dat leeken eerder meenen van litteratuur iets af te weten, dan van andere wetenschappen’ (Het Volk, 18 februari 1905)
3De Bode was het Orgaan van den Bond van Nederlandsche Onderwijzers. Sjofelen werd er op 2 september 1904 besproken. Pijpelijntjes werd in De Bode van 18 november 1904 bij de ontvangen boeken vermeld, maar nooit besproken. In De Bode van 18 augustus 1905 kreeg De Haan in de correspondentierubriek deze weigering nog eens te horen
4Kanalje verscheen 25 oktober 1904, enkele weken na de tweede druk van Pijpelijntjes
1‘Fabrieksmeid’ verscheen in het Zondagsblad van Het Volk op 5 februari 1905. Daarmee waren zeven van de elf schetsjes uit Kanalje in Het Volk gepubliceerd
212 november 1904
3In de rubriek Boekaankondiging van 8 oktober 1904 vermeld
1Dit Weekblad voor de Arbeiderspartij in Zuid-Holland besprak Kanalje op 29 oktober 1904. De recensie eindigt met: ‘Wij begrijpen niet waarom de heer De Haan zich op het titelblad tekent als: schrijver van Pijpelijntjes. Dit is allerminst een aanbeveling, integendeel’
2Mr P.A. Diepenhorst was een vooraanstaand lid van de Anti-Revolutionaire Partij in Amsterdam. Hij werd door Tak in de Gemeenteraadsverkiezingen van 1904 verslagen
1Dit boekje, met de ondertitel ‘Moderne moralisatiën over liefde, prostitutie en huwelijk’, verscheen in 1903 bij Lankkamp
2Bijgenaamd De Roode Duivel, naar het blad dat hij van 1892 tot 1897 volschreef; vanaf 1902 bezoldigd propagandist voor de sdap te Rotterdam; maakte politieke hekeldichten voor het Zondagsblad van Het Volk; auteur van ‘Het derde geslacht’ in De Nieuwe Tijd (1904)
1De tegenoverliggende banken van de Tweede Kamer
2Spreuken 9:10: De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid
3Waarschijnlijk: censureer
4J. Steynen publiceerde bij D. Buys Proletariërs (1903), Maagdlijkheid (1904), In en om de nachtkroeg (1905)
5P. van der Meer (de Walcheren) publiceerde er Jong leven (1903), Van licht en duisternis (1904)
6De uitgever D. Buys Dz., Amsterdam, gaf een ‘Maandschrift voor literatuur, wetenschap en kunst’ uit, Het Leven, onder redactie van P. van der Meer en J. Steynen. In 1892, na de dood van A. van Klaveren, nam hij diens uitgeverij over en zette haar onder dezelfde naam voort. Als A. van Klaveren zond Buys boeken over de menselijke anatomie, prostitutie, syfilis enz. in het licht (de Bekentenissen en onthullingen van lijders aan onanie en paederastie kostten, volgens een advertentie in Het Volk van 12 juni 1904, f 0,40, onder couvert f 0,50) en ook werk van Von Krafft-Ebing, Dafnis en Chloë van Longus en Kamertjeszonde van Heijermans. In januari 1905 verscheen bij A. van Klaveren een Anatomische atlas met 83 afbeeldingen (van de geslachtsorganen), die in maart 1905 al aan een tweede druk toe was. Van Van Klaverens in 1905 begonnen ‘Realistische novellen-bibliotheek’, geïllustreerd, prijs per nummer f 0,25, waren binnen drie maanden meer dan 10.000 nummers verkocht. Nr. 1 was Misdadige liefde door Victor Leca; nr. 2, Het dierlijke in de vrouw van Louis Besse, werd in een advertentie in Het Volk, 23 mei 1905, aangeprezen als ‘even boeiend en realistisch als Zola’. Een uitgave die de lezer van Pijpelijntjes opvalt, was Mooie Clasien uit de ‘Pijp’ door ene Lou-Lou. Voorts publiceerde Van Klaveren in 1904 een ‘Geïllustreerde volksbibliotheek van het geslachtsleven’ in 25 delen en een boekje Sexueele hygiëne (door C. Nicolaï). Bekend werd Van Klaverens ‘Pst-Pst-Kalender’.
1Het Volk, 21 februari 1905
1Samengewerkt
2Lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij
1J.H. Schaper, sdap-kamerlid, een van de ‘twaalf apostelen’
1Dat ik bij mijn werk mijn verplichtingen nakom; juist op Tak werden in dit opzicht wel aanmerkingen gemaakt.
2Het klerikale postwetje, ook wel ‘het Russische postwetje’ genoemd, bevatte een voorstel om de Postwet aan te vullen met een bepaling van censuur op de bezorging van ‘niet gesloten stukken, wanneer hun inhoud in strijd wordt geacht met de veiligheid van den Staat, de openbare orde, of de goede zeden’. Het Volk (oktober 1904) meende dat de klerikalen het op geschriften van de arbeidersbeweging gemunt hadden. J.H. Schaper, in zijn boek Op de bres (1905), geeft uiting aan zijn ongerustheid ten aanzien van de bedoelingen der klerikalen en wat die onder ‘goede zeden’ verstaan. Hij noemt dan ‘de geschriften van Zola’ (p. 123). Had hij niet eerder Pijpelijntjes kunnen noemen?
1Deze tentoonstelling van journalistieke prentkunst (met als hoofdmoot werk van Théophile Steinlen) vond plaats in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Het Algemeen Handelsblad van 7 december 1904 plaatste een stuk van R.P.J. Tutein Nolthenius (hoofdingenieur bij Waterstaat, redacteur van De Gids): de tentoonstelling zou godsdienst en koningschap beschimpen en het volk ‘verdierlijken’. De redactie deelde Nolthenius' mening niet en toonde zich ingenomen met het feit dat de tentoonstelling verlengd werd. Een ingezonden stukje van Tak in het Handelsblad van 8 december doet inderdaad wat overbodig aan. Op 9 december werd in Het Volk het optreden van Nolthenius nog eens als ‘onguur’ en ‘schunnig’ aan de kaak gesteld. Op 12 december zond Tutein Nolthenius een ‘adres’ aan de Gemeenteraad van Amsterdam met een verzoek om het houden van zulke aanstootgevende tentoonstellingen in een gebouw van de gemeente voortaan te verbieden. Het stuk werd op 21 december 1904 in de Raad behandeld en niet bijzonder au sérieux genomen. Toch vroeg Tak nog het woord en toonde omstandig aan hoezeer Nolthenius ongelijk had. Het ging bij die tentoonstelling, betoogde Tak, om kunst en niet om propaganda. De Gemeenteraad besloot het ‘adres’ voor kennisgeving aan te nemen. Ankersmit schreef op 23 december ironisch in Het Volk dat Tak de tentoonstelling ‘niet tegen een erg heftigen aanval te verdedigen’ had gehad.
2Om zijn veronderstelde anti-katholieke strekking werd Heijermans' toneelstuk Allerzielen in 1905 in een aantal gemeenten verboden. De Haan schreef een brief aan de op 15 februari 1905 opgerichte Vereeniging van Letterkundigen (voorzitter: Van Deyssel) om ‘namens onze Vereeniging overal waar dat helpen kan (hiertegen) te protesteeren en op te treden’
prepostterug  begin  verder